Barstende kitsch

Tirol inferno

Annelies Verbeke en Klaas Verplancke

Er was een schok, gedaver met geluid
Daarna de wind en zacht geknerp van staal
De skilift hangt in ijle lucht, de zon
Staat laag en bleek, daaronder rust ein Tal

Elke poëziebundel die met een strofe als deze zou beginnen zou ik vermoedelijk met grote scepsis tegemoet treden. Meer nonsens dan hier in vier regels is verzameld kwam ik zelden tegen bij een dichter uit de eenentwintigste eeuw. Gedaver met geluid – met wat anders? Een bleke zon – de light-variant van Marsman? Ein Tal – inclusief bockworst? Ik vermoed dat we lang zullen moeten dwalen door de catacomben van de vormdwang, voordat we een jambische pentameter treffen die zo platvloers is als deze openingsstrofe uit het epische Tirol inferno van Annelies Verbeke en Klaas Verplancke – en dan reken ik het werk van wijlen Driek van Wissen mee.

Ter verzachting: in het gezamenlijke project van Verbeke en Verplancke draait het niet zozeer om de (zeggingskracht van) de tekst op zichzelf, maar eerder om de relatie die deze onderhoudt met de visuele en materiële component van het boek. De narratieve structuur van de tekst kan immers niet los worden gezien van de begeleidende illustraties die beeldend kunstenaar Verplancke maakte op basis van Verbekes consequent metrische, deels kruisend rijmende, in vierregelige strofen geperste verzen. In het geval van Tirol inferno kunnen we van een zeldzaamheid spreken wanneer twee pagina’s op rij geen afbeelding bevatten, waardoor het verleidelijk is het boek als graphic poetry novel te omschrijven, hoe paradoxaal die term ook moge zijn.

Het kan haast niet anders, of het productieproces van Tirol inferno moet bijzonder kostbaar zijn geweest: de 202 pagina’s tellende (maar ongenummerde) hardcover is op dik, stevig papier gedrukt en daarbij heeft De Bezige Bij Antwerpen niet op kleureninkt bespaard. In materiële zin is dan ook weinig op de uitgave af te dingen, en de illustraties van Verplancke zijn werkelijk schitterend. Maar wat stelt het project daar in tekstueel opzicht tegenover? Zoals al bleek uit de openingsstrofe, stelt Verbeke beslist niet de poëtische functie centraal. Dat houdt niet alleen verband met de dreun die gepaard gaat met de gekozen vorm, maar ook met de spreektalige elementen die daarin regelmatig (vaak als stoplap voor rijm of metrum) doordringen. Ik citeer enkele voorbeelden, met mijn cursivering: ‘Ze hebben lang staan wachten in een rij / Dus even zitten is heus niet zo erg’; ‘Bij honger werkt het net zoals bij kou / Die komt abrupt en gaat niet vlotjes heen’ en ‘Dus uiting geven aan die razernij / Op constructieve wijs is (weer) ‘een must’’. Vlot leest het beslist, zeker omdat Tirol inferno veel dialogen bevat, maar tot een reflectie op de taal zelf nodigt de tekst in eerste instantie niet uit.

Ook in narratief opzicht gebeurt er lang weinig spectaculairs. Verbeke ontvouwt een logisch-chronologisch geordende geschiedenis, die begint als hoog boven ‘ein Tal’ in Oostenrijk een ramvolle skilift in de lucht blijft hangen. De bezorgde reactie van een enkele ervaren wintersporter daargelaten, is het gemêleerde gezelschap in eerste instantie optimistisch. Er zijn gangmakers die liedjes inzetten, er worden quizvragen uitgewisseld en hier en daar vergapen verschillende personages zich aan elkaar. Lang kan dat natuurlijk niet goed gaan: in het benauwende universum van de skilift begint de chroomlaag van de beschaving al snel op te lossen, en komen de verhoudingen tussen de vakantiegangers (onder wie zich ook families bevinden) op scherp te staan. Deze overgang wordt iconisch gemarkeerd door een verandering in letterkleur: zwart gaat over in blauw, waarmee zowel de letterlijke als de symbolische vrieskou van de situatie wordt verbeeld. Later, als de spanningen in de lift hun climax bereiken en een van de personages een ander in het gezicht stompt, veranderen de letters in een voorspelbaar rood. Met die kleur zet het laatste gedeelte van de plot in, waarin de schrijfster en de tekenaar in hun eigen plot verzeild raken: de personages komen erachter dat zij hun lot aan Verbeke en Verplancke te wijten hebben, en komen in verzet.

Praktisch alle kritieken die het project tot nog toe kreeg, roemen Verbekes ‘scherpe observatievermogen voor kleinmenselijke eigenschappen’, zoals Jan-Jakob Delanoye het uitdrukt op Cutting Edge. In het geval van Tirol inferno vind ik dat een merkwaardig compliment, want Verbekes schets van de (uiteenlopende) figuren in de skilift is wat mij betreft eerder archetypisch en clichématig dan ‘scherp’. Neem nu de figuur Martijn, die we leren kennen in de volgende strofe:

Martijn, die wil iets anders, oh hij hoopt
Dat Stef Van Keer zijn aandacht richt op hem
Zijn zestien lentes razen door zijn bloed
Zo ongewoon betoverd door Stefs stem

De woorden ‘iets anders’ kunnen enerzijds aangevuld worden door ‘dan een kind’ (waarnaar het personage Miranda een pagina eerder verlangt) en anderzijds door ‘dan de norm voorschrijft’: Martijn heeft namelijk homoseksuele gevoelens. Als schuchtere zestienjarige vertaalt hij die echter niet in enige vorm van toenadering: hij hoopt slechts even bekeken te worden door Stef Van Keer, die hij pas net kent, en die met zijn stoere snowboardverhalen veel wegheeft van de prototypische heteroseksuele, populaire tienerjongen. Naast Stef voelt Martijn zich ‘een trage freak’, en in een klassieke erlebte Rede vraagt de verteller zich af:

Wat doet hij hier, hij houdt niet eens van sneeuw
In groepen vindt hij zelden iets als rust
Zijn moeder vond dat echter geen excuus
De groepsgeest op een berg noemt zij ‘een must’

Verbeke heeft slechts een paar zinnen nodig (wederom voorzien van de stoplap ‘een must’) om Martijn weg te zetten als de zonderlinge einzelgänger die met zijn afwijkende (in dit geval homoseksuele) gevoelens buiten de ‘groepsgeest’ valt. Dat zou je scherpzinnig en trefzeker kunnen noemen, ware het niet dat een dergelijke figuur beantwoordt aan de stereotiepe depressieveling die we geregeld zien opduiken in Amerikaanse tienerhorrorfilms. Het is een cliché dat Verbeke in sterke mate uitvergroot, als zij Martijns ongenoegen met de situatie laat ontaarden in een haast kitscherig doodsverlangen: ‘Martijn wil liever thuis zijn, in zijn bed / Of anders onder kransen in een kist’. En natuurlijk voegt hij inzake dát verlangen wel de daad bij het woord: in de roodgekleurde slotafdeling probeert hij zich tevergeefs uit de skilift te werpen (‘Mijn leven is te wreed, het is genoeg’).

Intussen vraagt u zich misschien af waarom ik in godsnaam de moeite neem over Tirol inferno te schrijven (of waarom u de moeite neemt deze tekst nog langer te lezen). Platvloerse taal, vormdwang, een weinig spannende narratieve structuur, hoekige personages: waarom daar een bespreking aan wijden, terwijl er genoeg interessants op de boekenmarkt verschijnt? Het antwoord op die vraag ligt besloten in de aanwezigheid van Verbeke en Verplancke in hun eigen tekst en in de sterk ondermijnende werking die daar uiteindelijk van uitgaat. Al vanaf het eerste (zwartgeletterde) deel van de vertelling treedt het duo expliciet naar voren, met de schrijfster in de rol van ik-verteller:

Et moi? Ik zit en schrijf en houd mijn mond
Die gast naast mij, die ken je wel, da’s Klaas
Zijn hand verkent een lijn, hij tekent snel
Zij merken ’t niet, maar wij zijn hier de baas

Verbeke voert Verplancke en haarzelf op te midden van de personages: de kunstenaars zitten tussen het volk dat zij centraal stellen, en nemen daarbij een sterk auctoriale (misschien zelfs autoritaire) positie in. Naarmate Tirol inferno vordert, komt hun soevereiniteit echter steeds meer in het geding. Vrij subtiel blijkt dat bijvoorbeeld uit het commentaar van de vertellers op Martijn, over wie zij opmerken:

Persoonlijk denken wij niet dat Martijn
Een jongen is die zorgt voor overlast
Dat geldt in feite voor de meesten hier
Tot dusver heeft hun kalmte ons verrast

De auteurs stellen zich hier, zoals het een auctoriële vertelinstantie betaamt, op een niveau bóven de verhaallaag, maar ze blijken daar niet zozeer ‘de baas’ te zijn als ze eerder in de tekst proclameerden: het gegeven dat de kalmte van de skiërs ze verrast heeft, impliceert een verschuiving naar een passieve rol waarin de auteurs niet de volledige macht over hun personages hebben. Zoals ik eerder al opmerkte, raken Verbeke en Verplancke (althans in de vorm van hun personae) de controle over Tirol inferno uiteindelijk geheel kwijt, en wordt het soevereine auteurschap in zekere zin als een illusie ontmaskerd. Dat echec volgt in de tekst op het moment dat Martijn zichzelf door een van de skiliftruiten heeft geworpen: de barst in het glas breekt op een symbolische manier ook de vertelling open, waarbij de meligheid in Tirol inferno plots van een sterk metafictionele lading voorzien wordt. In eerste instantie is er een reflectie van Verbeke op de vorm en inhoud van haar tekst, gemodelleerd als een dialoog met Verplancke:

‘Die versvoet gaat je anders wel goed af’
‘Merci, ik ben het beu hoewel op dreef
Waarom ook nog dat rijm? ’t Was mijn idee!’
‘Ah nee, geen twijfels, weer naar wat je schreef!’

‘Hoe is het met de pols, nog niet te stram?’
‘Mijn nek doet wel wat zeer, maar niet te erg’
‘Komaan, dan gaan we door tot op het bot!’
‘Of beter: helemaal tot bij het merg!’

Persoonlijk was ik de gebruikte versvoet al tientallen pagina’s lang beu, maar hier werd mijn aandacht dan eindelijk gevangen. Niet omdat ik hoopte dat Verbeke die geforceerde pentameter eindelijk zou laten varen, maar omdat ze haar doodvermoeiende sinterklaastaal ter discussie stelt en daarmee feitelijk haar eigen tekst op het spel zet. Dat gebeurt vervolgens ook op het niveau van de inhoud: de personages ontdekken Verbeke en Verplancke bij hen in de skilift en dreigen het hele werk in brand te steken. De kunstenaars, die aanvankelijk meenden dat zij hun werk compleet in de hand konden houden, worden zelfs letterlijk van hun voetstuk gestoten:

Maar als de klap dan komt, oh wat een pijn
Hoe ruw en grof en onbeschaamd reëel
‘Ik zeg je, Klaas,’ – mijn hand bevoelt mijn buil –
‘dit boek, dat zweer ik, krijgt geen tweede deel’

Klaas is het roerend eens, wil geen vervolg
Het lijkt hem ook de tijd voor een besluit
‘Wie gijzelt wie in feite? ’k Ben het beu
Dat samenzijn met jullie, ’k wil eruit!’

De vraag ‘Wie gijzelt wie in feite?’ behelst, volgens mij, de centrale problematiek waar Tirol inferno om draait. Als het erop aankomt, en het voorspelbare verhaal over een groep mensen in een skilift om een happy end vraagt, distantieert Verbeke zich via een retorische vraag van haar tekst en erkent ze feitelijk het failliet daarvan. De verstikkende vormdwang, de archetypische personages en de anti-poëtische fillers komen daarmee in een heel ander perspectief te staan: ze worden instrumenteel in een tekst die zich uiteindelijk tégen een gemeenschap keert waarin de kunstenaar het moet afleggen tegen de massa die hij of zij een spiegel voorhoudt. Het inferno waarover Verbeke schrijft, en dat door Verplancke van vaak ongrijpbare gezichten wordt voorzien, slaat wat mij betreft dan ook niet alleen op de dreiging die uitgaat van de stilgevallen lift, maar ook op de soapachtige intriges waarvan de auteurs (en Verbeke in het bijzonder) zich bedienen. Die exercitie liet mij welhaast verscheurd achter: zelden heb ik een boek tegelijkertijd zó gehaat en bewonderd als Tirol inferno.

Dus nee, ik stap nooit meer hetzelfde een skilift in.

Links

De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen, 2013
ISBN 9789085422990
202p.

Geplaatst op 12/11/2013

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.