De criticus als annotator

Luceberts zoekend oog. Een lezersvisie op diens gedichten

H.U. Jessurun d’Oliveira

Het is amusant dat H.U. Jessurun d’Oliveira (1933) op een van de laatste pagina’s van zijn boek Luceberts zoekend oog persoonlijke omstandigheden aanvoert als mogelijke reden voor het feit dat hij bij zijn analyses en interpretaties van literatuur louter is uitgegaan van de teksten op zich, dus met uitsluiting van biografisch materiaal van hun auteurs. Jessurun d’Oliveira’s professie ligt in de rechtsgeleerdheid, waarin bijvoorbeeld na een arrest van de Hoge Raad allerlei specialisten zogeheten annotaties schrijven, ‘uitleggende beschouwingen over zo’n arrest’. ‘Het is niet onmogelijk,’ schrijft hij,

dat ik, opgevoed in de traditie van de zwijgende maker, weinig steun heb gezocht bij de schrijver en de dichter als het over de uitleg van hun werk ging. Het geheim van de raadskamer is voor mij getransformeerd tot het beginselvaste zwijgen van de maker over zijn werk.

Als lezer ben je er dan allang van overtuigd dat de auteur van Luceberts zoekend oog een intelligente en eloquente beschouwer is die met plezier en dus graag fraai én to the point schrijft, en dat dus deze ‘bekentenis’ van een close reader ook hemzelf moet hebben geamuseerd. Wanneer ik nu echter de mogelijkheid opper dat Jessurun d’Oliveira’s hang daarin naar een ‘ergocentrische’ benadering van literatuur ook zijn oorsprong heeft in de familiestamboom van de auteur, die van Sefarden met veel belangstelling voor teksten en exegese, ga ik wellicht over de schreef, zeker in Merlynistisch opzicht.

Merlyn

Met J.J. Oversteegen en Kees Fens vormde Jessurun d’Oliveira het redactietrio van het literaire tijdschrift Merlyn, dat vier jaargangen beleefde en waarvan het eerste nummer in november 1962 verscheen. ‘Ons program had een negatieve en een positieve kant,’ schrijft hij,

een zich afzetten tegen wat wij waarnamen als de heersende manieren van kritiek bedrijven, die het specifiek literaire van een tekst verwaarloosden ten gunste van allerlei andere hobby’s, en het uit deze verwerping rechtstreeks af te leiden eigen uitgangspunt dat de literaire tekst het begin- en eindpunt hoort te zijn voor de criticus, en dat deze met argumenten moet komen, controleerbaar moet zijn, in zijn uitspraken over zo’n tekst.

Deze literatuurbenadering, die zich keerde tegen een kritiek waarbij de laatste waarheid het begrip ‘persoonlijkheid’ was en die door het driemanschap dus als monopolistisch werd gezien, kon op stevige tegenwind rekenen. In een terugblik op de Merlyn-tijd vertelt Jessurun d’Oliveira dat men aanvankelijk de inleiding van het eerste nummer had voorzien van een citaat van de ‘New Critic’ I.A. Richards waarin werd gesteld dat praktisch elk kritisch principe in plaats van een goede leidraad voor wijze lieden, een dwaallicht voor idioten is geweest. Volgens Jessurun d’Oliveira maakte het schrappen van dit citaat de weg vrij voor het verwijt van een exclusieve orthodoxie. Ik waag dat te betwijfelen. Dat wil zeggen, ik geloof dat er door tegenstanders van close reading simpelweg over die zelfrelativering heen zou zijn gelezen, al was het maar uit principe…

Lucebert

Jessurun d’Oliveira bracht in Merlyn de theorie in de praktijk met onder meer analyses van gedichten. En daarbij ging zijn voorkeur uit naar gedichten van de niet bepaald vlot begrijpelijke soort. Hij was en is nog steeds gefascineerd door de poëzie van Lucebert, die hij kwalificeert als ‘een van de grootste dichters van Nederland […] door de eeuwen heen’.

Zijn Merlyn-analyses van Lucebert-gedichten zijn nu ook terug te lezen in Luceberts zoekend oog, waarin hij eveneens zijn beroemde vraaggesprek met de dichter (in 1965 onderdeel van zijn bundel interviews Scheppen riep hij gaat van Au) en een beschouwing over diens poëzie heeft opgenomen uit de tijd vóór Merlyn, toen hij als jongeman deel uitmaakte van de redactie van Tirade. Dat Tirade-stuk maakt trouwens duidelijk dat de Merlyn-opvattingen niet uit de hoed van literatuurwetenschapper Oversteegen zijn gekomen.

Daarnaast bevat deze bundel stukken uit onder meer Literair Lustrum en boekpublicaties. Het titelessay werd niet eerder gepubliceerd. Het behelst een analyse van het gedicht ‘het hart van de zoeker’, dat Lucebert schreef ter gelegenheid van een tentoonstelling van zijn fotografisch werk in het Stedelijk Museum (1987). De beschouwer geeft daarbij blijk van een gedegen technische kennis van de fotografie (uiteraard zonder te vermelden dat zijn vader, Jaap Jessurun d’Oliveira, beroepsfotograaf en docent fotografie was…).

Die gedichtanalyses zijn inmiddels bijna curiositeiten. Pagina’s lang neemt de beschouwer zijn lezer mee in zijn wikken en wegen van woorden, zinsverbanden en gedichteenheden, op zoek naar wat hij in zijn ‘Gebruiksaanwijzing’ vooraf fraai omschrijft als ‘kennis van die wiebelende woordenorganisatie[s]’. Kom daar nog maar eens om, hoewel deze analyses laten zien dat je eigenlijk alleen recht doet aan gedichten als die van Lucebert, wanneer je bereid bent er alle tijd en intelligent-creatieve energie in te steken, aandachtig en hardnekkig, en dat er alleen maar gevoelvol artistiek bij zwijmelen hetzelfde is als je ogen er voor sluiten. Wat allerminst betekent dat Jessurun d’Oliveira verwacht de gedichten met en tot logica te kunnen reduceren. Al komt hij liever cerebraal over dan dat hij zijn lezers ‘moet lastigvallen met het overbrengen van […] intieme en private geneugten, verrukkingen en decepties’, het gaat duidelijk om een ander ‘verstaan’ dan om rationeel of utilitair begrijpen. En voor zover hij de dichter wil vinden: ‘De relevante dichter zit in het gedicht.’

Je kunt dan natuurlijk ook beweren dat het relevante gedicht in die ene, op een bepaalde wijze geaarde dichter in die bepaalde cultuur en op dat specifieke, historische moment zit of heeft gezeten. Net zomin als dat een dichter schrijft in een vacuüm, is zijn gedicht een vacuüm. Het heeft ademgaten en andere levensnoodzakelijke openingen, tentakels en handvatten, en net als iedereen en alles in het leven zo zijn voorgeschiedenis en houdbaarheidsdatum. Ik denk dat Jessurun d’Oliveira dat ook wel erkent. ‘Nu ben ik geen volstrekte fanaat,’ zegt hij in zijn inleidende tekst. In elk geval ben ik het met hem eens als hij van mening is dat de kunstenaar zijn kunstjes in de eerste plaats doet of zou horen te doen omwille van de kunst, voor kunstwerken die het ook zonder hun maker heel goed of zelfs beter kunnen stellen. En dat het dus ook bij de receptie in eerste instantie om die werken op zich dient te gaan.

Van de dove

Met veel belangstelling heb ik Jessurun d’Oliveira’s wikken en wegen in het woordengewiebel telkens gevolgd, meelezend, mee-overwegend. Zijn analyses willen daarbij niet zozeer uitmonden in algemene conclusies over of kwalificaties van een gedicht, als wel proeven zijn van een voorbeeldig lezen.

Er was (en is) één passus (uit 1989) in zijn boek waarbij ik rechtstreeks had willen interpelleren. In het Lucebert-gedicht ‘johan van der keuken – cineast’, zegt hij in de versregel ‘en de schreeuw van de dove in de keel van het geofferde lam’ te zitten met dat ‘van de dove’. Liever had hij daar ‘aan de dove’ gelezen. Maar morrelen aan een tekst omdat iets anders je beter uitkomt, is een zwaktebod, dat beseft hij terdege. ‘Toch,’ zegt hij, ‘vind ik een drukfout niet uit te sluiten, integendeel.’ En daaruit vormt hij dan een hypothese, om die vervolgens te kunnen duiden, want dat wat er staat (en wat er in mijn uitgave van Luceberts Verzamelde gedichten uit 2002 nog steeds zo staat), ‘baart [hem] toch te grote moeilijkheden.’

Wat ik hier te berde had willen brengen, is dat ‘de schreeuw van de dove’ misschien wel de verschrikkelijkste schreeuw is die ik me kan voorstellen, want, voor zover een schreeuw gearticuleerd kan zijn, de minst gearticuleerde en de meest onzelfzuchtige. Of misschien is die schreeuw daarmee wel een klankloos beeld geworden, een snede, een gapende wonde. In elk geval past die wel degelijk ‘in de keel van het geofferde lam’. En mocht ooit toch blijken dat ‘van de dove’ een drukfout was, wat ik niet geloof, dan is het een uitermate krachtige, ja, noodzakelijke drukfout voor de woordenorganisatie van het gedicht. Maar de mogelijkheid om tot punten van kritiek als het bovenstaande te komen, laat tegelijkertijd de sterkte zien van Jessurun d’Oliveira’s aanpak: die van controleerbaarheid.

Polderkritiek

De stukken in dit boek zijn voor het merendeel in chronologische volgorde gerangschikt. Uitzonderingen vormen de bijdrage ‘De oude dichter en de jonge criticus’ uit 2004 die, omdat het onderwerp van meer algemene en terugblikkende aard is, tot het laatst wordt bewaard, en het inleidende stuk dat speciaal voor deze boekuitgave werd geschreven en dus van zeer recente datum is. Het is meer dan aardig om dat afsluitende stuk te vergelijken met de opening van het boek.

Door het hele boek heen kom je opmerkingen tegen waarmee de auteur aangeeft niet uit te zijn op een dogmatische opvatting over literatuurbenadering. In zijn slotbeschouwing verwoordt hij zijn indruk dat

in de veertig jaar dat Merlyn tot het verleden behoort […], de gepropageerde nieuwe aandacht voor de tekst [is] gerecipieerd zowel in de kritiek als aan de universiteit. De kokervisie die wij indertijd vooral om strategische redenen hebben ontwikkeld, heeft zich weer verwijd: de context van literaire werken, zowel de geschreven als de maatschappelijke, is weer in het blikveld gekomen, de schrijver is weer onweerstaanbaar in het beeld gedraaid met een voor Nederland niet eerder gekende biografieënexplosie, de literatuurwetenschap is zijn koudwatervrees voor contemporaine teksten kwijtgeraakt en heeft zich stormachtig in allerlei richtingen ontwikkeld.

En hij meent te zien ‘dat de door ons gepropageerde en beoefende geduldige aandacht voor de literaire tekst als een sedimentlaag is afgezet op het veranderende landschap van de literaire kritiek en de literatuurwetenschap in Nederland.’ (Over Vlaanderen wordt helaas met geen woord gerept.)

Komt of kwam dit beeld van een poldermodel, om in geobeeldspraak te blijven, waarin Merlyn een vruchtbare sliblaag mocht toevoegen aan de literaire cultuur, niet grotendeels voort uit wensdenken? In elk geval noteert Jessurun d’Oliveira in zijn ‘Gebruiksaanwijzing’, dus een heel decennia later:

Dit [de uitgangspunten en aanpak van Merlyn – HB] zijn in de huidige tijd weer onwelgevallige benaderingen. De dichter treedt weer vol op de voorgrond, […] laat zich zien op festivals, mengt zich in poetryslams, geeft interviews, verschijnt op tv en laat zich horen op de radio. De dichter moet zijn werk verkopen en verplicht zich […] om uit zijn schulp te kruipen en zijn werk uit alle macht te promoten. Daarbij wordt hij […] stelselmatig ondervraagd over zijn, liefst turbulente leven, de poëzie is daarbij aanleiding, franje en bijzaak.

Voor de recensiecultuur geldt volgens hem ongeveer hetzelfde:

er is steeds minder plaats voor de bespreking van individuele werken, en daarbij wordt, uitzonderingen daargelaten, de aandacht weer volop gericht op de relatie ervan met zijn maker, en valt specifieke aandacht voor de stijl, de structuur buiten de boot.

Weggeslibd slib?

Ik wil me daar in ontevredenheid en ongerustheid bij aansluiten. Inderdaad, ‘het neoventisme doet agio,’ zoals Jessurun d’Oliveira het formuleert. Niet dat het volledig de andere kant op moet, maar het evenwicht is zoek. Het neoventisme gaat ten koste van de aandachtige blik of het geschoolde zintuig voor het stilistische plezier van de tekst of het ontbreken of mank gaan ervan.

In kranten bestaat een bespreking intussen vaak uit niet meer dan een paar honderd woorden. Ruimte voor aandacht en hardnekkigheid is niet eens zoek, maar domweg verdwenen. Over romans die de laatste tijd met grote prijzen zijn bedeeld, heb ik praktisch nergens echt tekstkritische analyses mogen lezen. Een begrip als stijl wordt vaak ingezet als holle leuze, namelijk zonder dat het ook concreet, dus aan de hand van de tekst zelf wordt toegelicht of getoetst. Dat geldt helaas niet alleen voor minimale krantenstukjes.

De ontvangst van Jij zegt het, de recente roman van Connie Palmen, vormt een goed en daarmee ontluisterend voorbeeld. Praktisch iedere bespreker daarvan laat zich inpakken door het thema van de dramatische of tragische relatie tussen twee mensen, allebei dichter, allebei literair-culturele beroemdheden, mensen die ‘echt’ bestaan hebben, zonder ook maar een moment stil te staan bij de tekst, dus het gebruik en functioneren ervan op zich. Terwijl een vrij willekeurige passage uit genoemde roman al kan volstaan om onbedoeld een secure en serieuze lezer de lachstuipen te bezorgen. In de bespreking van Palmens roman hier op de site van De Reactor wordt gesteld: ‘stilistisch is dit zonder meer Palmens beste boek.’ Ik maak uit de context niet op dat dit cynisch bedoeld is. Maar op bijna elke in die bespreking omwille van de ‘inhoud’ geciteerde passage, is stilistisch zó veel aan te merken, dat het compliment betreffende de stilistische kant van deze roman zelf een lachertje is wanneer het, zonder enige toelichting dus, niet gemeen maar gemeend is bedoeld.

Hoe en wat ‘leest’ men nog, vraag je je onwillekeurig af. Bij het allermeeste staat men niet stil, laat staan dat men het oppikt. Of ligt het aan mij als ik niet meer kan begrijpen dat iemand iets dergelijks goed geschreven vindt?

Merlyns slib lijkt in elk geval geen vruchtbaar sediment te zijn geworden maar weer te zijn weggespoeld. Die indruk bekruipt Jessurun d’Oliveira anno 2015. ‘Niettemin,’ schrijft hij, ‘denk ik dat er steeds weer behoefte is aan concentratie op het werk, waar het toch eigenlijk om draait.’ Ik wil niet alleen hem maar ook mijzelf helpen dat te blijven denken en hopen.

Prometheus, Amsterdam, 2015
ISBN 9789044629934
248p.

Geplaatst op 24/11/2015

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.