Poëzie, Recensies

Cirkels schrijven

De hazenklager

Paul Demets

Omdat we graag willen dat de dingen kloppen, koesteren we liefde voor de cirkel, bij uitstek een vorm die volmaaktheid uitdrukt. De cirkel, of zijn driedimensionale manifestatie, de bol, is af, iedere toevoeging doet afbreuk aan zijn eenheid. Helaas komen perfecte cirkels in de werkelijkheid niet voor, dus we moeten ons tevredenstellen met de idee ervan, om met Plato te spreken. Hetzelfde verlangen naar afgerondheid spreekt uit onze conceptualisering van wat zich in de tijd afspeelt. We nemen het ritme van de jaargetijden waar als cyclisch, we vertellen verhalen waarvan het einde het begin in herinnering roept en we beschrijven ecologische processen als een kringloop. Oogt de bol of de cirkel als een in zichzelf besloten stasis, de cyclus wordt geassocieerd met draaien, rollen, met continuïteit.

Maar wat als de cirkel wordt verstoord? Om een negentiende-eeuwse hymne aan te halen: ‘Will the circle be unbroken?’ Is het ons gegeven een eenmaal gebroken kring te herstellen? Dat ligt er maar helemaal aan om wat voor kring het gaat – nog los van de vraag of iedere cirkel in stand gehouden moet worden. Maar hoe men er ook tegenaan kijkt, het verbreken van wat rond is wordt onvermijdelijk opgevat als een inbreuk. De Britse antropologe Mary Douglas (1921-2007) heeft er aan het eind van haar leven een mooi boek over geschreven (Thinking in Circles, 2007).

Paul Demets (1966) denkt graag in cirkels. Zijn dichtbundels streven een volmaakte compositie na, waarin alles op alles is betrokken. Mogelijk komt het daardoor dat hij geen vlotte dichter is. Zijn debuut, De papegaaienziekte, verscheen in 1999, pas in 2011 kwam hij terug met De bloedplek, in 2018 gevolgd door De klaverknoop, die bekroond werd met de Jan Campertprijs. Sindsdien is de productie blijkbaar toegenomen, want tegelijk met De hazenklager (2020) verschijnt bij het Poëziecentrum in Gent De aangelanden, de neerslag van enkele jaren plattelandsdichterschap van de provincie Oost-Vlaanderen.

De hazenklager heeft vrijwel dezelfde structuur als zijn voorganger: zeven reeksen van zeven gedichten, met steeds als intermezzo een cursief gezet kwatrijn waarin een parallel verhaal wordt verteld. Zeven is een Bijbels getal. De dichter wil een volmaakt boek schrijven, maar zal zich realiseren dat de machtsverheffing eindeloos zou kunnen worden voortgezet, hetgeen impliceert dat elke cyclus slechts een onderdeel is van een veel ruimere kringloop. Dat is zowel hoopgevend als moedeloos makend. Komt er aan de tot nu toe als eeuwig waargenomen kringloop een schokkend einde? Of herstelt Gaia zich weer voor een nieuwe ronde?

Demets is nooit een toeschietelijk dichter geweest, voor vloeiende lyriek ben je bij hem aan het verkeerde adres. De taal is hard, naar het verband tussen de zinnen moet je vaak een tijdje zoeken, en het feit dat kernwoorden en motieven steeds opnieuw opduiken zet je als lezer aan het werk. De bundel lijkt een gesloten systeem waarvan de werking zich pas na enkele malen lezen prijsgeeft. Maar als je in dit labyrint eenmaal je weg gevonden hebt, dan kom je er, paradoxaal genoeg, niet meer zo gemakkelijk uit weg, want Demets schrijft indringend over grote kwesties.

De reeksen dragen wetenschappelijke titels, van ‘Liminaliteit’ tot ‘Zoönose’ en ‘Degeneratie’, en worden voorafgegaan door citaten in het Frans en het Engels, die laten zien dat Demets zijn theorie op orde heeft: Jacques Lacan, Gilles Deleuze en Félix Guattari, Bruno Latour, maar ook de activisten Rebecca Solnit en Greta Thunberg. Dat zet de toon.

De centrale metafoor is die van de jacht, en het zijn met name hazen die in deze bundel het loodje leggen. In het eerste gedicht is het al raak:

 

We tuurden in de verte op zoek naar iets

dat tussen de halmen tevoorschijn zou springen

en zagen niet wat er stuiptrekkend een halve cirkel

 

maakte aan onze voet.

 

De incompleetheid van de cirkel is hier belichaamd in een zieltogende haas, wiens spieren ‘nog verbinding’ zoeken. Het dier wordt ritueel begraven, maar het beeld van zijn brekende ogen wordt een pijnlijke herinnering: ‘Zijn oog maakte ons met de grond gelijk. Hoe kwamen // we uit dit kijken?’

Wat zich hierna ontvouwt zou men kunnen beschrijven als een systeem van concentrische cirkels. Net als in De klaverknoop begint Demets met zijn jeugd en zijn familie, om vervolgens het Vlaamse platteland erbij te betrekken en uit te komen bij het kosmische niveau van Zon en Aarde. De laatste verschijnt in het op één na laatste gedicht als een schaatsende vrouw die door de spiegeling van het ijs wordt herinnerd aan haar geboorte:

 

Het afval zinkt niet. Is het gezicht dat je onder je ziet

het gezicht dat je trok toen je voor het eerst het licht zag

 

Wil ze terug naar dat beginpunt? De dichter kan het zich voorstellen:

 

En wil je daar nu weer naartoe, word je daarom

 

dat draaien, het cirkels schrijven als rond

een navel in de vrieskou niet moe? Wil je als

gevallen door glas weer ongeschonden zijn

 

en niet gebroken, maar één met het ijs

hier opgedoken onder een oranjerode

ochtendzon overeind blijven op deze bloedplas?

 

Het is een magistraal beeld, dat als een mise-en-abîme functioneert, want de vrouw op het ijs representeert niet alleen de wereld waarin zij zich bevindt, maar ook de poëzie, die haar ‘cirkels’ laat ‘schrijven’ tegen een ijskoude achtergrond. En zo vlak voor het einde van de bundel zijn we terug bij de kindertijd uit de eerste reeks. Gloort hier een sprankje hoop? Of is dit het schrijnend slotakkoord van een Götterdämmerung die niet hernomen zal worden?

In ‘Liminaliteit’, de eerste reeks van De hazenklager, is er sprake van een collectief dat door middel van wrede en hier en daar seksueel geladen spelletjes volwassen probeert te worden. Blindemannetje, verstoppertje, ‘witte zwanen, zwarte zwanen’, in elk spel moet de cohesie van de groep bevochten worden, waarbij er onherroepelijk trauma’s ontstaan: ‘We raakten gehecht aan elkaar / omdat wonden waren geslagen.’ ‘We woonden elkaar uit’, met als macaber resultaat: ‘Niets dan menseneters vulden de kamer op het eind.’ De verontrustende conclusie is dat we door dat moeizame proces van socialisering en enculturatie verstrikt raken in patronen waaruit we nog maar moeilijk kunnen ontsnappen: ‘Nooit konden we uit wat aan ons voorafging verdwijnen.’

Dat mettertijd gegroeide structuren zich tot onontwarbare kluwens van problemen kunnen ontwikkelen, blijkt uit het debat dat in onze regio over landbouw woedt. Demets heeft tijdens zijn plattelandsdichterschap van nabij gezien in welke onmogelijke positie veel boeren terecht zijn gekomen. Een combinatie van eeuwenoude tradities en een telkens veranderend beleid van diverse overheden heeft ervoor gezorgd dat de belangen van natuurbehoud, voedselvoorziening, waterbeheer en het grote geld met elkaar zijn verweven én vaak lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan. Geen wonder dat gemangelde boeren soms geen idee hebben hoe het verder moet.

In de reeks ‘Adaptatie’ kruipt Demets in de huid van een landelijke bevolking die zich klemgezet voelt, onder andere door de banken: ‘Ik betaalde voor zijn durfkapitaal. / Nu blaast hij // warm en koud, denkt dat ik eet uit zijn hand.’ Daar komt bij dat deze mensen vaak geworteld zijn in een katholieke traditie die al evenmin soelaas biedt. Driemaal spreekt Demets van ‘de god vergeefs’:

 

Waar zit de god vergeefs? Word ik beloerd,

bejaagd, ben ik gezien? Wordt de hond

tegen mij opgehitst, de maaidorser gestart

 

en rijdt die met gespreide armen op me af?

 

Intussen is het onmiskenbaar dat we niet verder kunnen gaan op de manier die ons vertrouwd is. De vicieuze cirkel moet worden doorbroken, maar hoe? De zesde reeks, ‘Mutatie’ geheten, opent met een citaat van Greta Thunberg: ‘We are facing an existential crisis.’ De zeven daaropvolgende gedichten zijn gebaseerd op het leven van Thunberg, zoals beschreven in het boek dat zij samen met haar moeder schreef (Ons huis staat in brand, De Bezige Bij 2019). Een iets te gemakkelijk effectbejag valt hier niet te loochenen:

 

Slik je iets door? Of zit je terug in de stilte

van toen alleen het tikken van je nagels

op tafel je dag ritmeerde? Heerste daar

 

het misverstand en wou je het weg?

Begon het bloeden toen je kerfde laag in je lies

en werd je bang voor de rust die dan

 

neerdaalde?

 

De automutilatie wordt ingezet als symbool voor wat de mensheid de aarde aandoet: ‘Je woede is het bloeden / van de zeeën en de aardlagen. // Je kunt het alleen niet stelpen.’ Dat is zeker een krachtige, en vooral ook afstotende gedachte, maar subtiel is ze niet, bovendien lift Demets hier mee op de indrukwekkende (zij het soms ergernis opwekkende) persoonlijkheid van Thunberg. Waarmee uiteraard niets gezegd is over de urgentie van de boodschap.

Nog een graad erger wordt het in de slotreeks, die de aantasting van het leefmilieu voorstelt als een brute verkrachting. De mens is hier een ‘hij’ zonder enig moreel besef:

 

Zocht hij een scheur en is hoe je daar bent

 

achtergelaten opwellend slib? Vocht je terug?

Zocht je hem toch op? Hoe voelt monddood,

proef je bloed, zit er een kloof in je lippen?

 

Je bent, zegt de dichter, ‘verdoofd, geopend. / Een gapende wonde. Hij heeft je langzaam leeggeroofd.’

Door Moeder Aarde als een jij tegenover een hij te plaatsen, creëert de dichter een constellatie die weliswaar dramatisch effectief is, maar filosofisch problematisch. Is het niet zo dat de mensheid deel uitmaakt van het systeem dat de Engelse wetenschapper James Lovelock een halve eeuw geleden Gaia heeft genoemd? En waar bevindt zich de ik? Ten slotte, maar dat is wellicht een oneigenlijk verwijt, wat schieten we op met de constatering dat we schoften zijn die de aarde meedogenloos misbruikt hebben? Moeten we niet proberen een oplossing te vinden, al is het maar ten behoeve van ons nageslacht?

Het ‘Envoi’ van De hazenklager laat de lezer achter met een uitermate ongemakkelijk gevoel:

 

Ik zal je dichtnaaien, moeder. Hoe je erbij ligt.

Je gebroken gezicht heeft alle vragen

opgezogen. Je krijgt alleen nog bloed

over je lippen.

 

We woekeren.

Wij allen zijn je loeder.

 

Het is spijtig dat een zo rijk geschakeerde bundel zo eendimensionaal eindigt.

 

 

Recensie: De hazenklager van Paul Demets door Piet Gerbrandy

 

De Bezige Bij, Amsterdam, 2020
ISBN 9789403182308
88p.

Geplaatst op 26/08/2020

Tags: De hazenklager, Greta Thunberg, James Lovelock, Klimaat, Klimaatverandering, Paul Demets

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.