Proza, Signalement

Nog altijd goed gedaan

De laatste zomer in de stad

Gianfranco Calligarich

‘Alles mag, mits goed gedaan.’ Het was een mantra van één van mijn leerkrachten. Vaak gebruikte hij het als reactie op de meest vreemde ideeën, waarvan het onduidelijk was of ze wel iets moois zouden opleveren. Maar soms ook net wanneer je vaststelde dat een bepaald concept al wel bijzonder vaak was uitgewerkt. Dat laatste geldt ook voor de premisse van Gianfranco Calligarichs De laatste zomer in de stad. Hij vertelt in de roman nauwelijks iets nieuws (al moet er meteen bij gezegd: het gaat om de vertaling van een heruitgave van een debuut uit 1973), zonder dat dat ooit maar een klein beetje gaat hinderen. Omdat het, nog altijd, goed gedaan is.

De ik-verteller Leo Gazzara gaat richting de dertig en verhuist naar Rome, op de vlucht voor het vooruitzicht van een burgerlijk leven in Milaan. Milaan staat voor werken en carrière maken, terwijl Rome ruimte biedt om aan de ‘ratrace’ te ontsnappen en tussen de dingen door te glijden. Zoals hij het in de openingsalinea meedeelt, doet Leo ‘vanalles om afzijdig te blijven’. Hij leest boeken en schraapt met geestdodende jobs het hoogstnoodzakelijke bij elkaar (in de tweede helft van het verhaal: artikels uittypen voor de Corriere dello Sport); hij verhuist van hotel naar appartement naar hotel, ‘van de ene anonieme plek naar de andere’; hij bezoekt ‘kliekjes’ kunstenaars en intellectuelen en duikt met vrouwen het bed in; hij drinkt of probeert ermee te stoppen. Maar een ontmoeting met Arianna, op een avondje bij het in kunst en welvaart badende koppel Diacono, maakt afzijdigheid onmogelijk. Hevige verliefdheid botst op het soort existentieel onvermogen dat als een bastoon door dit boek loopt. En dat heeft uiteraard zijn consequenties, zeker voor wie voor zichzelf met zoveel woorden heeft bepaald dat Rome de enige plek is waar hij kan leven. Voor Rome immers ‘geen halve maatregelen: óf een grote liefde, óf je moet gaan, want dat eist dat lieve wilde beest’.

Het schema van De laatste zomer in de stad is in de romankunst op z’n zachtst gezegd herkenbaar: een jonge intellectueel verhoudt zich in de grootstad tot het leven, waar hij schippert tussen apathie en passie, roes en ontnuchtering, betekenis en zinloosheid. De liefde dient zich onweerstaanbaar aan in de vorm van een vrouw – mooi, zwakzinnig en onberekenbaar, en in die haast stereotiepe schets het enige punt waarop deze vertelling een beetje vermoeiend en gedateerd aandoet. Gelukkig is de taal dat nooit en schept Calligarich een bijzonder sferisch stads- en tijdsportret dat in zijn universele eenvoud makkelijk de tand des tijds doorstaat. De roman voelt zelf zo hedendaags aan dat je niet mag vergeten dat het tussen de kaften van het boek nog 1973 is. Zo denk je onwillekeurig aan La Grande Bellezza (2013), om dan meteen te beseffen dat er destijds nog lang geen sprake was van Sorrentino’s bejubelde film, die pas veertig jaar later op zijn beurt nog eens een soortgelijk thema zou aanpakken. En dat De laatste zomer in de stad zich dus veeleer tot Fellini’s La Dolce Vità (1960) verhoudt – zoals de Italiaanse pers overigens al aanstipte.

Geen stad, natuurlijk, die zich beter leent tot tijdloze verhalen dan Rome. Naast Arianna en haar zuster Eva, Leo zelf en zijn dronken vriend Graziano, eist ook de stad een hoofdrol op. Rome is een voortdurende aanwezigheid, die zowel gemoedstoestanden lijkt te spiegelen als actief in het leven ingrijpt. Ze geeft aanleiding tot enkele van de mooiste en meest intrigerende passages, waarin Leo op beschouwende toon aan het uitzicht of de gedragingen van de stad theorieën ontleent over wat er van het leven te verwachten valt. De stad staat niet los van ‘de natuur’ of een andere vorm van leven; de elementen zijn altijd aanwezig, ook in de straten van Rome, waar wind, regen en hitte zich alleen nog maar feller manifesteren. En dan is er nog de zee, altijd weer de zee. Maar ook die lijkt niet echt los te staan van de stad: voor Leo Gazzara loopt Rome tot in Ostia.

Bij een heruitgave speelt natuurlijk altijd impliciet de vraag waarom we dit boek in deze tijd nog moeten (her)lezen. De hedendaagse lezer mag in elk geval tevreden zijn dat de heruitgave van het werk in het Italiaans aanleiding was voor een eerste vertaling in het Nederlands, zeer geslaagd opgesteld door Els van der Pluijm. Het zijn de evidente redenen van de grote thema’s die De laatste zomer in de stad nog altijd lezenswaard maken. Anno 2020 komt daar bij dat dit ellendig en weemoedig boek, het niet zo fraaie leven in de stad ten spijt, onvermijdelijk toch naar die stad met al haar ambtenaren, kelners, soirées en miserie doet verlangen. Daarom leest het in dit bizarre tijdsgewricht ook als een viering van het leven.

Ten slotte is er nog de eigenaardigheid dat dit toch straffe debuut van een toen zesentwintigjarige Gianfranco Calligarich lange tijd nauwelijks verkrijgbaar was en in de vergetelheid raakte. Als visitekaartje voor een schrijverschap kan deze roman nochtans tellen. Pas in 2002, na een carrière als scenarioschrijver, keerde Calligarich weer naar de literatuur terug. Misschien zorgt de haast unaniem lovende ontvangst van het debuut in Nederland en Vlaanderen ervoor dat ook zijn latere werk nu in het Nederlands beschikbaar wordt.

 

Recensie door Lennert de Vroey

Wereldbibliotheek, 2020
Vertaald door: Els van der Pluijm

Geplaatst op 19/01/2021

Categorie: Proza, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.