De liefde voor het lot

Alles wat is

James Salter (vert. Ton Heuvelmans)

Je hoort het wel eens iemand op café zeggen: ‘Over mijn leven zou je een boek kunnen schrijven.’ Zo’n opsnijder wil duidelijk maken dat hij heel wat heeft meegemaakt en dat dit uitermate is geschikt om te worden geboekstaafd. Misschien heeft hij inderdaad wel heel wat beleefd en luister je nu naar zijn relaas waarin na de hink en de stap onvermijdelijk de sprong volgt naar de grote gebeurtenis.

De New Yorkse schrijver James Salter (1925) draait die logica om. Zijn roman Alles wat is begint met de grote gebeurtenis van de Slag om Okinawa. De protagonist Philip Bowman en zijn scheepsmaat Kimmel zijn een paar van de weinige overlevenden van de hallucinante strijd tussen het Amerikaanse en Japanse leger aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Salter, die zelf jachtpiloot was in de Koreaanse Oorlog, besteedt ongeveer tien bladzijden aan dit oorlogsgeweld, waarna het burgerlijke leven van Bowman een aanvang neemt. De opsnijder zou nu zijn uitverteld. Want wat volgt, is zo menselijk dat het inherente drama bijna banaal aandoet. Dat je dit verhaal met zoveel smaak en gemak oplepelt, heeft alles te maken met de souplesse van Salters stijl.

Het verhaal navertellen is de roman tekortdoen. In kort bestek: Philip Bowman, een gerespecteerde uitgeefredacteur, huwt, scheidt, heeft relaties met twee getrouwde vrouwen, wordt bedrogen, neemt wraak en begint een verhouding met een collega. Dit alles wordt verteld over een periode van ongeveer veertig jaar. Bowman is vleesgeworden levensdrift. Hij behoort tot het slag mannen dat lijkt te zijn uitgestorven: viriel, zelfbewust, charmant, grappig en erudiet. Onwillekeurig denk je aan mannen in maatpak uit het begin van de tweede helft van de vorige eeuw. Ze roken bedachtzaam hun sigaret, nippen aan een glas single malt, converseren vanuit de losse pols alsof het geschreven stond. Dat James Salter, gedoodverfde writer’s writer, vandaag op zijn achtentachtigste wereldwijd furore maakt, heeft los van zijn meesterschap wellicht ook te maken met de nostalgie naar de man uit één stuk, die niet koketteert met twijfels en angsten en weet hoe te leven.

Toch roept Salter een man op met een uitgekiende binnenwereld, waar emoties, gedachten en beschouwingen over elkaar heen buitelen. Zonder ganzenveer maar als helder water waarop een velletje bladgoud drijft, vertelt hij anekdote na anekdote waarin zich nauwelijks een spanningsboog ontwikkelt, zoals in het meest gangbare leven dus. Als lezer weet je: dit boek, deze manier van schrijven, kent geen begin en geen einde. In een eindeloze carrousel worden de verhalen afgedraaid; ze wellen als vanzelf op uit de trommel die de mensheid is. De personages tikken elkaar aan en het verhaal verschuift. Veel personages worden niet uitgewerkt: ze verschijnen en verdwijnen weer naar de achtergrond. Salter is een zoekspot die deze of gene laat oplichten. Daarom heeft het geen zin om, zoals dikwijls in recensies gebeurt, het verhaal na te vertellen.

De rode draad in deze roman is de vrouw, vanuit het perspectief van de man: hoe zij tot ontwikkeling komt en de man op de knieën dwingt. Toch capituleert Bowman nooit. Telkens weer, soms tegen beter weten in, geeft hij zich over aan de vrouw, zichzelf aansturend tot perfectie: ‘Het leek erop dat zijn mannelijkheid hem plotseling had ingehaald, alsof die ergens in de coulissen had staan wachten.’ […] ‘Hij zag zichzelf nu als een ander soort man, het soort dat hij had willen zijn, een volwaardige man, die gewend was aan het wonder.’ Maar ook: ‘We zitten midden in de vrouwenbeweging. Ze willen gelijkheid, op het werk, in het huwelijk, overal. Ze willen niet meer begeerd worden, tenzij ze daar zelf aan toe zijn.’ […] ‘De feministische beweging had alles veranderd.’

Salter is op zijn best als hij, schetsmatig haast, het liefdesspel suggereert: ‘Hij trok haar over zich heen aan haar polsen, als een gescheurd laken.’ […] ‘Ze vreeën alsof het een geweldsdelict was, hij hield haar bij haar middel, half vrouw, half vaas, voegde gewicht toe aan de daad. Ze schreeuwde het uit, als van de pijn, als een stervende hond. Ze zakten als door de bliksem in elkaar.’ […] ‘Ze ging op haar buik liggen, hij knielde schijnbaar lange tijd tussen haar benen en verschoof ze een beetje en zonder haast, alsof hij een statief opzette.’ Enzovoort. Philip Bowman lijkt de perfecte minnaar. Ik vraag me af hoe een vrouw deze roman leest. Zou een lezeres Salters Bowman maar een patsertje vinden of dwingt hij bewondering af?

Door omstandigheden schrijf ik deze recensie een maand nadat ik de roman heb uitgelezen. Het is geen goed teken dat ik me het eigenlijke verhaal, waarmee ik de feitelijke plot bedoel, niet meer voor de geest kon halen, totdat ik mijn notities las. Wat ik wel goed heb onthouden, is de sfeer of de wereld die Salter oproept. Die vertoont trouwens heel wat gelijkenissen met zijn magistrale roman Light Years (1975), waarin hij met veel meer vertoon schrijft over de schijn van het huwelijk en de passie van het overspel. Uit een recent interview in The New Yorker blijkt dat Salter met Alles wat is bewust een soberder toon zocht, meer rechttoe rechtaan, omdat hij zich als miskend schrijver gefrustreerd voelde over zijn reputatie als zinnenbouwer. Hij heeft altijd gehunkerd naar applaus.

Het is moeilijk om uit te leggen wat ik zo goed vind aan Salter. Ja, dus om de zoveel bladzijden lees ik een zin die me naar adem doet happen, omdat hij zo treffend en efficiënt een beeld maakt. Ja, zijn dialogen zijn meesterlijk, omdat Salter als geen ander toont hoe mensen niet logisch op elkaar inhaken, maar net aan betekenis winnen door naast elkaar te praten, achteloos en toch aandachtig, met humor en soms subtiel wreed. Maar de uiteindelijke verklaring vind ik in de nostalgie, zo inherent aan zijn schriftuur. Salter roept een mens op die misschien wel nooit heeft bestaan, maar zo benijdenswaardig is. Die mens is een man, ik weet het, een gentleman die bovendien bijwijlen machogedrag vertoont. Hij voelt zich zowel in New York als op het platteland als een vis in het water. Hij reist in Europa als ging hij wandelen in het park. En aan zijn toenadering tot het vrouwelijk schoon zitten geen morele bezwaren vast. In die zin is James Salter een sprookjesverteller. Schuld en schaamte, toch erg wezenlijke kenmerken van de hedendaagse mens, worden door Salter vakkundig uit het discours geschrapt, met als gevolg een uiterst dansbaar en tijdloos leven, want de tijd lijkt geen vat te hebben op Philip Bowman, die zich telkens weer oplaadt in functie van een volgende passionele relatie. Ik heb niet de indruk dat er vandaag veel romans worden geschreven waarin het leven wordt gevierd of waarin zonder scrupules de liefde voor het lot wordt bezongen. Misschien is dat de betovering die van Salters proza uitgaat.

James Salter houdt van decorum of hoe de omgeving, het eigen imago en de entourage de man maken, hoe je de wereld schept door je er bewust en met een zekere stijl of handigheid in te bewegen. Mensen (of moet ik schrijven: mannen) zijn geen slachtoffers maar de daders van hun levens, lijkt hij te willen zeggen. En hoewel er altijd iets onverwachts gebeurt, is het zelden zo ontregelend dat het traumatisch wordt: het is gewoon en niet meer dan nog maar eens een draai aan de carrousel. De moeder van Bowman dementeert tot ze hem niet meer herkent. Een geliefde manipuleert hem zo dat ze zijn droomhuis ontfutselt. Uit wraak neemt hij haar dochter op sleeptouw naar Parijs, slaapt met haar, om haar vervolgens koud te dumpen. Een moeder en haar zoon sterven in een treinongeluk. Het wordt allemaal licht beschreven, nooit zwaar op de hand, want alles wat is, gaat zoals het gaat en dat behoeft geen rouwkrans. Uit Salters proza kan je levenslessen trekken, misschien zelfs een zekere lichtvoetigheid leren, een aantal belangrijke danspassen in moeilijke omstandigheden, zonder banaal te worden of elke ernst te ontwijken. Uiteindelijk komt het hierop neer: de spanning tussen wie je bent, wie je wilt zijn en de hevige (seksuele) verlangens die er als een gekarteld mes doorheen snijden, maken het leven meer dan de moeite waard. Omhels het. Daarom kan Salter, na alle stormachtige ontwikkelingen, over Bowman schrijven: ‘Hij was weer zijn voormalige zelf, in Londen, Spanje, rustig liggend en voldaan zogezegd om wat er was bereikt.’ Salter psychologiseert en moraliseert nooit. Een sleutelzin over Bowman, die intussen op leeftijd is: ‘Hij stond midden in het leven en was pas aan het begin.’ Het boek eindigt met Bowmans voornemen om samen met zijn geliefde naar Venetië te reizen. Zij vraagt: ‘Meen je dat?’ Hij antwoordt: ‘Ja. Zullen we in november gaan? We zullen ontzettend genieten.’

De Bezige Bij, Amsterdam, 2013
ISBN ISBN 9789023478300
350p.
Prijs: € 23,90

Geplaatst op 04/10/2013

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.