recensie

‘Stiften en shiften’: Millenniumtrilogie verkent twintig jaar 21e-eeuwse poëzie

Toen ik eind jaren tachtig van de vorige eeuw aan de VU in Amsterdam Nederlands studeerde, heetten de literatuurcolleges nog Letterkunde I, II, III en IV. De indeling kwam overeen met de vier delen van de “dikke Knuvelder”: Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde van G.P.M Knuvelder (1948-1953). De colleges over de naoorlogse letterkunde waren een beetje een probleem, want een vijfde deel was er niet. Gelukkig gaf dit de docent, Ad Zuiderent, de vrijheid om zijn colleges zelf in te vullen. Dus maakte ik bij Letterkunde V onder meer kennis met recente poëzie van Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey, Frans Kellendonks Mystiek lichaam en de postmodernistische romans van Gerrit Krol.

Zoals dit voorbeeld illustreert, hebben handboeken en bloemlezingen de neiging om achter de feiten aan te lopen. Daar komt bij dat er in het onderwijs, zowel op de middelbare school als op de universiteit, soms enige tijd overheen gaat alvorens een boek vervangen kan worden. Het gevolg is dat leerlingen en studenten niet zelden een wat stoffig beeld van de literatuur krijgen.

Het lijkt erop dat de redactie van de zogenaamde ‘Millenniumtrilogie’ vastbesloten was dit niet te laten gebeuren. In deze tijd, nu het schoolvak Nederlands in het slop zit, het aantal studenten Nederlands aan de universiteiten terugloopt en iedereen naarstig op zoek is naar nieuw elan, biedt de Millenniumtrilogie een fris, eigentijds en enerverend beeld van de hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Zowel de gekozen gedichten als de begeleidende essays zijn indicatief voor een nieuwe eeuw. Al lijken de samenstellers door hun selectie poëzie én literatuurstudie zelfs nog een extra duwtje richting de toekomst te willen geven.

Dichters van het nieuwe millennium
In 2020 verscheen Gedichten van het nieuwe millennium. Twintig jaar 21e-eeuwse poëzie uit Nederland en Vlaanderen, onder redactie van Jeroen Dera, docent Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en poëziecriticus voor De Standaard der Letteren, en Carl De Strycker, directeur van het Poëziecentrum in Gent en hoofdredacteur van de Poëziekrant. Gedichten van het nieuwe millennium is het laatste deel van de zogenaamde ‘millenniumtrilogie’, die in 2016 begon met Dichters van het nieuwe millennium, onder redactie van Dera, Sarah Posman (postdoctoraal onderzoeker bij de vakgroep Letterkunde van de Universiteit Gent) en Kila van der Starre (literatuurwetenschapper, poëziecriticus en dichter), en die in 2018 werd voortgezet met Bundels van het nieuwe millennium, eveneens onder redactie van Dera en De Strycker.

Het eerste deel, Dichters van het nieuwe millennium (2016), bevat 24 essays over dichters die hun eerste dichtbundel publiceerden in 2000 of later. De essays zijn chronologisch geordend. Het boek begint bij Alfred Schaffer, die in 2000 debuteerde met Zijn opkomst in de voorstad en die in 2021 als eerste dichter uit het nieuwe millennium de P.C. Hooftprijs zou krijgen (al konden de redacteuren dat in 2016 nog niet weten). Het laatste essay is gewijd aan Bart Van der Straeten, die in 2014 als dichter debuteerde met de bundel Onbalans. De 24 essays zijn geschreven door evenzoveel gevestigde én opkomende letterkundigen uit Nederland, België en de internationale neerlandistiek.

Dichters van het nieuwe millennium is ook een bloemlezing, en bij een bloemlezing valt er altijd te twisten over de gemaakte selectie. Dat de redacteuren zich hiervan bewust zijn, blijkt al uit de voorkant van het boek, dat is vormgegeven als een stiftgedicht. Een stiftgedicht, verduidelijken Dera, Posman en Van der Starre in hun inleiding met de titel ‘Stift met ons’, is ‘een vorm van poëzie die ontstaat door delen weg te stiften uit een bestaande tekst, zodat de overblijvende woorden een ander verband met elkaar aangaan’. Er vallen allerlei vergelijkingen te trekken tussen het maken van een stiftgedicht en het samenstellen van een dergelijke essaybundel cum bloemlezing, suggereren de redacteuren:

‘Want over welke dichters neem je een essay op, en wie streep je weg? En welke verbanden gaan de overgebleven namen met elkaar aan? In wat voor veld zijn zij actief, en hoe verhouden hun poëtica’s zich tot elkaar?’

Wat de redacteuren opvalt, is dat er bij Nederlandstalige dichters al sinds de jaren negentig geen gemeenschappelijke poëtica meer te bespeuren valt. Misschien komt dat, filosoferen ze, door ‘de grote heterogeniteit van het hedendaagse poëzieveld, waarin zich moeilijk een centrum laat aanwijzen waartoe iedere dichter zich verhouden kan’. De veelheid en diversiteit van poëzieavonden, literaire prijzen en literaire tijdschriften bieden in dit verband geen houvast. Het ontbreken van een gezamenlijk poëticaal programma neemt volgens de redacteuren echter niet weg dat er in het werk van de dichters van het nieuwe millennium wel degelijk enkele overeenkomstige tendensen te ontwaren zijn.

Die tendensen hebben ten eerste te maken met de context waarin het werk van een dichter functioneert. ‘[H]edendaagse poëzie zoekt uitdrukkelijk de publieke ruimte op, beweegt zich tussen verschillende media en wil zich niet beperken tot de Nederlandse taalgrens’, sommen Dera, Posman en Van der Starre op. Ze werken deze drie tendensen uit met vele herkenbare voorbeelden, zoals de Dichter des Vaderlands, stadsdichters, Gedichtendag, het Poëzieweekgeschenk, de populariteit van poëziefestivals en ‘poetry slams’, en de aanwezigheid van dichters op televisie en sociale media. Uit deze voorbeelden blijkt dat poëzie in de eenentwintigste eeuw niet langer beantwoordt aan het oude cliché van ‘met een boekje in een hoekje’; poëzieconsumptie is voor velen een sociale activiteit geworden en de millenniumdichters werken hier actief aan mee.

Nadat ze hebben vastgesteld dat een gezamenlijk programma ontbreekt en dat poëzie in het nieuwe millennium de studeerkamer heeft verlaten en is toegetreden tot het centrifugale publieke domein, zal het niet verbazen dat Dera, Posman en Van der Starre de poëzieproductie van de eenentwintigste eeuw ook karakteriseren als ‘heterogeen’ en ‘ongrijpbaar’. ‘Wie toch een algemene typering van de 21e-eeuwse poëzie wenst, vindt die in het vertakkende beweeglijke karakter ervan’, schrijven ze. Kenmerkend zijn volgens de redacteuren het loslaten van de eenheid van vorm en inhoud en het ontbreken, in een bundel, van een consistente kern, terwijl het lyrische ik verschillende gedaantes aanneemt. Het beweeglijke karakter van de 21e-eeuwse poëzie manifesteert zich volgens de redacteuren ook in de mediale verschijningsvorm van de gedichten, die op uiteenlopende dragers en langs verschillende kanalen worden verspreid.

Tegen het einde van de inleiding bij het eerste deel van de trilogie wagen de redacteuren zich aan het formuleren van een gemeenschappelijk doel van de millenniumdichters. ‘Het gaat daarbij niet om het presenteren van de waarheid, het representeren van de werkelijkheid of het beschrijven van hoe dingen “echt” in elkaar steken’, schrijven ze. ‘Het doel is een tegengeluid te laten klinken, stemmen aan het woord te laten die in de heersende retoriek niet aan bod komen en om de paradoxen van het spreken te ontvouwen.’

Daarmee willen de redacteuren niet beweren dat de dichters van het nieuwe millennium de illusie hebben dat ze met hun poëzie rechtstreeks in het wereldgebeuren zouden kunnen ingrijpen. Een eenduidige boodschap zou hun creativiteit ook te veel aan banden leggen. Maar de eenentwintigste-eeuwse dichters zijn ook het verlammende relativisme van het postmodernistische ‘anything goes’ uit de twintigste eeuw ontgroeid. ‘De tegen-bewegende dichters van de 21e eeuw nodigen uit tot nieuwe retorische savvie [sic], schrijven Dera, Posman en Van der Starre.

‘Ze leggen geen burgerzin op, maar laten zien hoe taal en maatschappij, en ander en ik, in elkaar kunnen haken. Ze tonen hoe dezelfde wereld tegelijk ontzettend ingewikkeld en doorzichtig in elkaar steekt. Ze leren ontmanagen door temporaliteiten te ontvouwen waarvoor nog weinig rituelen bestaan. Ze leren kijken. En ze tonen hoe Nederlandstalige poëzie een verschil maakt in de wereld.’

In de slotparagraaf van hun inleiding geven de redacteuren inzicht in de manier waarop de selectie van de besproken auteurs tot stand is gekomen. Er is ‘veel denkwerk’ in gekropen, geven ze toe. Ze wilden Nederlandse en Vlaamse dichters opnemen, mannelijke en vrouwelijke, ‘honkvaste dichters, en in- en uitwijkelingen’ (een indirecte manier om te zeggen: dichters uit het land zelf, dichters die elders geboren zijn en nu in Nederland of België wonen, en dichters die hier geboren zijn maar inmiddels naar een ander land zijn vertrokken). Jeroen Mettes (1978-2006) is in het eerste deel de enige gebloemleesde dichter die bij het verschijnen van het boek in 2016 al overleden is, maar die met zijn werk een onuitwisbaar stempel op de poëzie van het nieuwe millennium heeft gedrukt.

Het aanbreken van het nieuwe millennium is volgens de redacteuren géén breukmoment geweest. Veel dichters die vóór 2000 al actief waren, zijn dat nog steeds, en veel van de door hen opgemerkte tendensen bestonden al, maar zijn in de eenentwintigste eeuw in een stroomversnelling geraakt. De woorden ‘het nieuwe millennium’ uit de titel drukken vooral hun enthousiasme voor de jongste Nederlandse poëzie uit en dienen als aanmoediging om die hedendaagse poëzie in een weidse, eeuwen omspannende context te beschouwen.

De redacteuren hopen dat het boek in het onderwijs gebruikt zal worden. In elk hoofdstuk staat één dichter centraal. Aspecten die in het essay aan de orde komen, zijn onder meer de dichter als sprekend subject (persoonlijke ervaring, ideologie, traditie, intertekstueel spel), zijn poëtica, vorm en inhoud van het werk en de receptie van het werk. Elke bespreking wordt voorafgegaan door een gedicht van de betreffende dichter. Die tekst wordt niet uitputtend geanalyseerd, maar dient als ‘vertrekpunt voor een open lectuur van werk, posture, kritiek en ambitie’.  

Bundels van het millennium
Terwijl in Dichters van het millennium het oeuvre van de dichter tot op heden centraal stond, zoomt Bundels van het millennium in op individuele poëziebundels. De redacteuren van dit tweede deel in de trilogie, Jeroen Dera en Carl De Strycker, geven toe dat er wel gezegd wordt dat de bundel ‘dood’ is, maar volgens hen is dat niet waar. ‘De bundel dient nog steeds als relevant kanaal waarlangs dichters communiceren, vormt nog altijd het onderwerp van onderzoek en experiment en intervenieert ook vandaag nog in actuele discussies’, schrijven ze.

Bundels van het millennium bevat 26 essays over evenzoveel Nederlandse en Vlaamse poëziebundels, geschreven door academische poëziespecialisten, opnieuw: uit de Lage Landen en daarbuiten. Elk essay wordt voorafgegaan door een gedicht uit de betreffende poëziebundel. De bundels worden besproken in chronologische volgorde: van Hartswedervaren van Dirk van Bastelaere uit 2000 tot Kalfsvlies van Marieke Lucas Rijneveld uit 2015. Uit sommige jaren worden er niet één, maar meerdere bundels gekozen; andere jaren, daarentegen, hebben volgens de samenstellers blijkbaar geen beeldbepalende bundels opgeleverd. Terwijl 2001 en 2006 ontbreken, zijn 2002, 2011 en 2014 elk met maar liefst vier bundels aanwezig.

De redacteuren beschouwen dit tweede boek als een ‘broertje of zusje’ van Dichters van het nieuwe millennium. Opnieuw valt er te discussiëren over de gemaakte keuze. Elke selectie is immers een ‘reductie’, erkennen ook de redacteuren. ‘De bundels die wij selecteerden, kozen we omdat ze in onze ogen een scharnierpunt betekenen in het oeuvre van de dichter, een gezichtsbepalende rol speelden in (al dan niet academische) discussies over hedendaagse poëzie, succesvol waren bij literaire jury’s of in de poëziekritiek, of opvielen door een bijzondere omgang met het medium van de poëziebundel.’

Met deze tweede essaybundel cum bloemlezing krijgen de redacteuren de kans om bepaalde hiaten uit Dichters van het millennium op te vullen. Het eerste boek presenteerde specifiek nieuwe stemmen binnen de eenentwintigste poëzie: dichters die in 2000 of later debuteerden. Maar daarnaast bleven dichters die vóór 2000 ook al actief waren, natuurlijk gewoon doorschrijven, en ook zij leverden een belangrijke bijdrage aan de poëzie en het poëziedebat van het nieuwe millennium. Deze gevestigde dichters maken hun opwachting in deze tweede bundel. Overigens komen er in dit tweede deel ook jongere tijdgenoten terug die we al leerden kennen in het eerste deel, zoals Alfred Schaffer en Maud Vanhauwaert.

Door de aandacht voor gevestigde dichters geven de redacteuren nog een ander belangrijk signaal, namelijk dat vernieuwing niet alleen aan het begin van een dichtersloopbaan kan optreden, maar ook later (en zelfs meerdere keren). Dichters moeten ook niet tot in eeuwigheid geassocieerd worden met de heersende stroming uit de tijd van hun debuut. Zelfs het werk van een gevestigde dichter als Gerrit Kouwenaar (1923-2014), die al tijdens de Tweede Wereldoorlog begon te publiceren, laat in het nieuwe millennium nog een verrassende nieuwe ontwikkeling zien.

De redacteuren van het tweede deel bevestigen het eclectische en heterogene beeld van de eenentwintigste poëzie dat uit Dichters van het millennium naar voren kwam. Toch vallen er, specifiek kijkend naar de bundels die vanaf 2000 verschenen zijn volgens Dera en De Strycker twee aanvullende trends te herkennen, namelijk dat ‘de grenzen van het medium “poëziebundel” in de 21e eeuw almaar verder worden opgerekt’ en dat de meeste bundels inhoudelijk blijk geven van ‘een duidelijke focus op de wereld, in welke vorm dan ook’. Beide trends worden, net als in de eerste bundel, met sprekende voorbeelden onderbouwd.

Gedichten van het nieuwe millennium
Bij de eerste twee bundels vielen er nog vraagtekens te zetten bij de gebruikte selectiecriteria en de toepassing daarvan door de redacties. Dat werd ook al geïmpliceerd door de titel van de inleiding in het eerste deel, ‘Stift met ons’, en de grafische uitbeelding van een stiftgedicht op de cover, die voor alle drie de banden, afgezien van de kleur en uiteraard de titel, hetzelfde is. In Dichters van het nieuwe millennium waarschuwden Dera, Posman en Van der Starre al dat de hier gepresenteerde selectie niet als een canon voor de eenentwintigste eeuw opgevat moest worden. Maar het tweede deel, Bundels van het millennium (2018), leverde geen wezenlijk ander beeld op.

Het is opvallend dat het veelal dezelfde literatoren zijn die als redacteur of medewerker bij de verschillende delen betrokken zijn. Met name Jeroen Dera maakt bij alle drie deel uit van de redactie. Dit soort personele unies (acht van de tien auteurs in het derde deel zijn bijvoorbeeld ook actief op het recensieplatform De Reactor; de auteurs zijn over het algemeen geboren in de jaren tachtig of negentig en behoren dus zelf tot de millennial-generatie) zou het risico kunnen meebrengen dat de lezer een, weliswaar gevarieerd, maar toch tamelijk specifiek beeld van de Nederlandstalige millenniumpoëzie voorgeschoteld krijgt. De vraag dringt zich op of het niet eerder de literatoren in plaats van de dichters van het nieuwe millennium zijn die hier hun eigen poëtica presenteren.

De redactie heeft er dan ook goed aan gedaan in het derde deel van de trilogie de deuren van de millenniumpoëzie wijd open te zetten. Het feit dat de te bestuderen eenheid met elk deel kleiner is geworden – van oeuvre naar bundel naar los gedicht – biedt Dera en De Strycker nu de mogelijkheid tot een minder strikt academische benadering. Om tot een selectie van in totaal honderd gedichten te komen, hebben ze ‘een uitgebreide poule poëzielezers, zowel professionals als liefhebbers’ geconsulteerd. Om de ‘liefhebbers’ of ‘lezers’ te bereiken, werd gebruik gemaakt van sociale media. Professoren Nederlandse letterkunde en poëzierecensenten mochten samen vijftig gedichten inbrengen en de lezers dertig. Daarnaast mocht elk van de tien auteurs één gedicht voorstellen en tenslotte bleven er voor de redacteurs nog tien plaatsen over voor aanvullingen. Bij elk gedicht staat een letter die aangeeft uit welke poule het gedicht afkomstig is: c (critici en andere professionals), l (poëzielezers), a (de auteurs van het boek) of r (redactie).

Zelfs op deze werkwijze valt nog wel iets aan te merken. Poule a en poule r vallen grotendeels samen met de invloedrijkste medewerkers aan het eerste en het tweede boek, in hoeverre verschilt poule c van de lijst van medewerkers van het eerste en tweede deel, en vooral: in hoeverre weten de auteurs via sociale media ook lezers van buiten hun eigen bubbel te bereiken? Niettemin verdienen de auteurs veel waardering voor hun originele, eigentijdse en ook bewerkelijke poging tot democratisering van een reeks boeken die, vooral wanneer de reeks zijn weg vindt naar het onderwijs, het potentieel heeft het beeld van de poëzie van de eerste twintig jaar van de eenentwintigste eeuw nog lang te blijven bepalen.

Zoals we onder meer weten van de invloedrijke poëziebloemlezingen van Gerrit Komrij valt de representatie van individuele dichters en van zekere groeperingen ten dele in cijfers uit te drukken. De redacteuren hebben dit al uitgezocht:

‘De uiteindelijke collectie van honderd gedichten bevat werk van 65 Nederlanders en 35 Vlamingen, van wie 54 mannen, 45 vrouwen en één dichter die zich als non-binair persoon definieert’, schrijven ze. ‘Drie dichters zijn met drie gedichten vertegenwoordigd: Radna Fabias, Peter Verhelst en Menno Wigman. Van Anneke Brassinga, Maarten van der Graaff, Ingmar Heytze, Ruth Lasters, Lieke Marsman, Ester Naomi Perquin, Mustafa Stitou en Maud Vanhauwaert werden twee gedichten gekozen. Dat betekent dat er in totaal verzen van 86 verschillende dichters opgenomen zijn in dit boek, zowel van gevestigde namen (heel wat Huygens- en P.C. Hooftprijswinnaars) als van interessante debutanten.’

Dera en De Strycker geven ook een meer impressionistische typering van vorm en inhoud van de gekozen gedichten: ‘klassieke verzen, (post)postmoderne gedichten, geëngageerde poëzie, rechttoe rechtaan verwoorde emotionaliteit, anekdotiek, klimaatgedichten, filosofische vraagstukken, genderkwesties, … dat en nog veel meer is hier te vinden.’

Ze merken op dat het hier om een momentopname gaat. Een jaar later zou de selectie er weer heel anders kunnen uitzien. Ook constateren ze dat de meeste gedichten uit het tweede decennium komen; gedichten uit het eerste decennium zijn blijkbaar alweer enigszins vergeten. Een derde factor die volgens de redacteuren bij de keuze voor zekere gedichten een rol lijkt te hebben gespeeld, is dat ze in de oorspronkelijke bundel op een opvallende plaats stonden, bijvoorbeeld als openings- of slotgedicht.

De honderd gedichten in Gedichten uit het nieuwe millennium gaan vergezeld van korte beschouwingen, geschreven door tien ‘ervaren critici van het nieuwe millennium, (vijf vrouwen en vijf mannen, allemaal geboren sinds 1980)’. Dit keer dus geen essays van zo’n tien pagina’s elk, maar teksten van een à twee pagina’s die bewust laagdrempelig zijn gehouden, als handreiking aan studenten en (toekomstige) poëziedocenten.

Een trilogie voor het nieuwe millennium
De millenniumtrilogie van Jeroen Dera et aliud is een reeks boeken waar je blij van wordt. Terwijl het eerste deel (Dichters, 2016) een nieuwe dichtersgeneratie in beeld brengt, zorgt het tweede deel (Bundels, 2018) ervoor dat ook de dichters van vóór 2000 niet vergeten worden en ook niet vastgepind worden op het soort poëzie waar ze ooit, soms tientallen jaren geleden, bekend mee zijn geworden en waar ze zelf soms allang afstand van hebben genomen. Het derde deel (Gedichten, 2020) laat tenslotte de stem van het volk toe. Daarmee blijft het project niet hangen in een aanzet tot canonvorming voor en door academici. In het derde deel is de niet-professionele lezer actief betrokken bij het kiezen van de honderd gedichten, en wel via het meest invloedrijke platform van de eerste twintig jaar van de eenentwintigste eeuw: de sociale media.

Als ik hier één tendens zou mogen uitlichten die nog niet ter sprake is gekomen en die ook in de inleidingen niet expliciet wordt benoemd (tenzij onder de brede en verhullende noemer ‘engagement’), is het de opkomst van dichters met een migratieachtergrond. Naast Hafid Bouazza en Mustafa Stitou, die beide al in de jaren negentig als dichter debuteerden, traden in de eerste twintig jaar van de eenentwintigste eeuw onder meer ook Alfred Schaffer, Abdelkader Benali, Ramsey Nasr, Rodaan Al Galidi, Simone Atangana Bekono en Radna Fabias tot het domein van de Nederlandstalige poëzie toe. Zij zorgen voor een verbreding van deze poëzie die hopelijk ook nieuwe lezers zal aanspreken. (Voorbeelden uit Vlaanderen lijken overigens in de bundels te ontbreken.)

De inleidingen getuigen nog steeds van ouderwets letterkundig vakmanschap. De redacteuren laten zich niet afschrikken door de gepercipieerde heterogeniteit van de millenniumpoëzie en geven handvatten die orde in de chaos lijken te brengen. Vooral de inleiding van het eerste deel biedt een grondige en volledige bestekopname van het veld van de poëzie in de eerste twintig jaar van de eenentwintigste eeuw, waarin elke gesignaleerde trend gestaafd wordt met overtuigende, actuele voorbeelden. De inleidingen in het tweede en derde deel zorgen misschien voor extra verdieping, maar de inleiding uit het eerste deel is eigenlijk onmisbaar – niet alleen voor de gebruikers van het tweede en derde deel, maar voor iedereen die de poëzie van de afgelopen twintig jaar wil kunnen plaatsen en duiden. Het is onmogelijk om het bestek van deze recensie recht te doen aan alle essays en beschouwingen; daarom wordt daar hier niet verder op ingegaan. Over het algemeen lijken ze, niet verrassend, de belangrijkste tendensen die in de inleidingen worden gesignaleerd, te bevestigen.

De auteurs van het eerste deel (Dera, Posman en Van der Starre) bewijzen dat zij een knap overzicht hebben van dat hele diffuse terrein dat vandaag de Nederlandstalige poëzie uitmaakt. Ze hebben de vinger aan de pols van de tijd, ook als het gaat om bijvoorbeeld festivals, poetry slams, spoken word, instagrampoëzie en multimediaprojecten. Ze laten zien dat de poëziedocent van deze tijd niet meer in zijn studeerkamer kan blijven zitten. Zijn werk beperkt zich niet langer tot het gedrukte woord. Hij zal de digitale snelweg op moeten en, belangrijker nog: de straat op. Een deel van de poëzie van het nieuwe millennium gebeurt; deze poëzie voltrekt zich buiten het boek om, in een samenspel tussen dichter, tekst, publiek en sociale context.

Na de opwindende opmaat die de inleiding uit het eerste deel biedt, valt het enigszins tegen dat er van de daar geschetste dynamische aard van de poëzie van het nieuwe millennium in de geselecteerde gedichten nog weinig valt terug te zien. (Dean Bowen staat in het eerste deel, maar waar is bijvoorbeeld Babs Gons, die in Nederland al sinds de jaren negentig toonaangevend is als spoken word-kunstenaar?) De meeste gedichten – zeker in het eerste en tweede deel, maar ook in het derde deel – komen nog uit traditionele bundels, of hooguit een literair tijdschrift. Een volgende opdracht voor de samenstellers zou dus kunnen zijn om na te denken hoe ze ook het diffuse en dynamische karakter van de nieuwste poëzie kunnen vertalen naar een (aanvullende) drager waarop ook andere poëzievormen recht wordt gedaan en die, zoals zij ambiëren, ook gebruikt kan worden in een onderwijscontext. Een ondersteunende website lijkt voor de hand te liggen, maar wie weet is die optie binnenkort ook alweer passé. Zijn de redacteuren in staat om ook zo’n essaybundel cum bloemlezing naar the next level te nemen?

In hun inleiding bij het derde deel schrijven Dera en De Strycker dat poëziedocenten in het klaslokaal soms lijken te kampen met een zekere ‘handelingsverlegenheid’. In het eerste deel spraken Dera, Posman en Van der Starre ook al de intentie uit dat het boek vooral een ‘breed pedagogisch opgevat boek’ moest zijn, een ‘boek voor gebruik’. De inleiding uit het eerste deel is voor elke poëziedocent in het voortgezet onderwijs, aan een lerarenopleiding of een kunstacademie én aan de universiteit een aanrader. Deze inleiding gaat verder waar elk recent literatuurgeschiedenishandboek ophoudt. Hier slagen de redacteuren Dera, Posman en Van der Starre er ook glansrijk in om hun enthousiasme voor het werk van de millenniumdichters over te brengen.

De essays in het eerste en tweede deel zijn meer specialistisch en misschien vooral geschikt voor hbo en universiteit. In het derde deel werkt de democratisering die al eerder in de manier van samenstellen geconstateerd werd, ook door in de beschouwingen bij de gedichten, die kort en makkelijk leesbaar zijn. Dat maakt het derde deel ook bruikbaar in het voortgezet onderwijs, bijvoorbeeld als hulpmiddel voor leerlingen (of leraren) die in de klas een gedicht willen presenteren.

Voor niet-professionele liefhebbers van poëzie geldt natuurlijk dat ze de volledige trilogie willen hebben, en waarschijnlijk al hebben aangeschaft. Voor hen biedt de reeks een schat aan prachtige gedichten, relevante toelichtingen en eigentijdse wetenswaardigheden.

Een recensie over de millenniumtrilogie van Jeroen Dera et al. (red.) door Ingrid Glorie.

Dichters van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw
Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre (red.)
320 blz.
ISBN 9789460042669
Uitgeverij Vantilt
Nijmegen, 2016

Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw
Jeroen Dera en Carl De Strycker (red.)
302 blz.
ISBN 9789460043642
Uitgeverij Vantilt/Poëziecentrum
Nijmegen/Gent, 2018

Gedichten van het nieuwe millennium. Twintig jaar 21e-eeuwse poëzie uit Nederland en Vlaanderen
Jeroen Dera en Carl De Strycker (red.)
280 blz.
ISBN 9789056552695
Poëziecentrum
Gent, 2020

Geplaatst op 26/12/2021

Tags: 'Poëzie', 21e eeuw, millennium

Categorie: recensie

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.