Proza, Recensies

Kaal katafalk

De onbevlekte

Erwin Mortier

De onbevlekte (2020) is de laatste roman van Erwin Mortier en vormt het ondubbelzinnige vervolg op zijn eerste boek Marcel (1999). Dat debuut vertelt hoe de jonge Marcel bij zijn grootouders op het Vlaamse platteland opgroeit en een fascinatie ontwikkelt voor de veelheid aan kleurrijke familieverhalen die rondom hem verteld worden. Hij draagt bovendien dezelfde naam als zijn grootoom. Het is vooral het enigma rond die oudere Marcel, die als SS-soldaat aan het oostfront is overleden, dat het hoofdpersonage fascineert. Het boek uit 1999 beschrijft gedetailleerd hoe de jongen volledig in de ban raakt van een vervaagde foto van de gestorven soldaat. In De onbevlekte brengt een ouder geworden Marcel een laatste bezoek aan het huis van zijn grootouders om alsnog te weten te komen waarom hij dezelfde naam als zijn noodlottige oom draagt. Op die manier blaast Mortier zijn debuut nieuw leven in, maar bovenal maakt Marcel eenentwintig jaar later plots deel uit van een literair tweeluik waarin de beide boeken voortdurend met elkaar in dialoog  staan.

In Mortiers debuut komt de lezer weinig te weten over de jonge Marcel. Het kind is grotendeels een leeg canvas. De auteur tekent een verscheidenheid aan verhalen op, maar de lezer komt vooral onrechtstreeks meer over de jongen te weten. De onbevlekte legt de focus aanvankelijk op grootmoeder Andrea, maar gaandeweg wordt het kleinkind Marcel, nu bijna vijftig jaar oud, veel prominenter gepositioneerd. Het ouderlijke huis fungeert daarbij als statisch middelpunt van een constellatie aan verhalen. Enigszins vergelijkbaar doet de setting initieel even onveranderd aan. Het is vooral binnenin het ouderlijke huis dat het verstrijken van de tijd zich manifesteert. Marcel beschrijft bijvoorbeeld weemoedig hoe er steeds minder familiefoto’s in de vitrinekast staan. Op dezelfde manier voelt hij de herinneringen steeds verder vervagen en spreekt hij daarom slechts van schimmen en spoken. Veel personages die dus nog een aanzienlijke rol hadden in het debuut, ontbreken nu volledig of worden slechts terloops aangehaald. De onbevlekte beschrijft hun lot eerder plastisch: ‘Er groeit stilaan gras op iedereen zijn buik.’

De eerste pagina’s van Marcel leggen reeds een diepromantische fascinatie voor de dood bloot: grootmoeder Andrea neemt haar kleinzoon mee naar ‘de zerken op het nabije kerkhof’ en de verteller spreekt over de trouwring die verhuist van  ‘de koude vingers naar de warme van wie achterbleef.’  Een andere, eerder vertederende passage in Marcel definieert het ouderlijk huis als een ‘tijdelijke uitbreiding van de hemel wegens plaatsgebrek.’ Mortier illustreert dat door fijngevoelig te beschrijven hoe vier maal per maand de foto’s van achter het loodglas van de vitrinekast gehaald worden, om dan één voor één afgestoft te worden. Die volgorde is niet willekeurig, maar, om Mortiers barokke metaforiek te citeren, ‘in de volgorde waarin ze hun onderkomen hadden verlaten’. Een melancholishe Marcel merkt dan al op: ‘Gestaag groeide de stapel aan. Een jonge generatie was opgestaan, de oude viel langzaam weg.’

De onbevlekte herneemt veel van die weemoedige beeldspraak uit Marcel. De laatste roman van Mortier eindigt, letterlijk, waar het debuut begon: bij de heimat. Ook in de keuken blijft het ruiken naar de lucht ‘van generaties middagmaal’ en hangt er nog steeds ‘vet aan de zoldering’. Tegelijk is de perceptie van de verteller danig veranderd. Veel van de impressies zijn daarom hetzelfde, maar een stuk weemoediger dan in het het debuut. Mortier geeft, zoals in Marcel, de zintuigelijke indrukken bovendien een prominente plaats in De onbevlekte. Analoog met het ouderlijke huis beschrijft Marcel zichzelf bijvoorbeeld als een bouwsel in verval. Hij vertelt over ‘de melancholie die als een homp’ achter de ribben hangt, daar ‘op de plek waar normaal een hart zou moeten slaan.’ Verder ziet hij in zijn eigen weerspiegeling ‘een man die begint te kalen, op wie de zwaartekracht meer vat heeft dan toen hij nog een kind was, een elastische bundel spieren en botten, even rekbaar als weerbarstig’.

In De onbevlekte vat de verteller de essentie van zijn sentiment treffend samen in het beeld van het ‘kromgetrokken huis’ waar alles inzakt en ‘verlangt naar kruk of stok.Mortiers proza mag dan wel romantisch en melancholiek zijn, nergens vervalt het in lukrake stijloefeningen. Integendeel, de beeldspraak in deze roman is zowel structureel als stilistisch sterk samenhangend. Dat komt deels doordat Mortier zijn impressies strak in hoofdstukken redigeert, maar ook omdat hij slechts enkele motieven en thema’s kiest en die grondig uitwerkt. Zo vervalt De onbevlekte nergens in overtollige navelstaarderij .

 

Werktuiglijk prevelen

De religie en haar rituelen spelen eveneens een rol in De onbevlekte. Dat blijkt in eerste instantie uiteraard uit de titel. Andrea’s moeder vertrouwt haar dochter namelijk toe dat ze haar liever Maria, ‘De Onbevlekte’, had gedoopt. Daarnaast manifesteert de religie zich grotendeels in de rituelen die de personages uitvoeren. Vaak voltrekken die zich samen met het leven op het platteland:

Terwijl ik wacht tot de aardappelen gaar zijn en de soep aan de kook komt, haal ik mijn rozenkrans uit de zak van mijn schort. Ik laat de kralen tussen mijn duim en wijsvinger door glijden. Ik prevel het Weesgegroet en het Onzevader, mijn lippen kennen de woorden vanbuiten, ze prevelen werktuiglijk.

Mortier zoekt vaak het contrast tussen het eenvoudige plattelandsbestaan en de godsdienstige devotie op. De roman is bovendien op zijn sterkst als de auteur die twee werelden met enthousiasmerende precisie verzoent. Een ander voorbeeld daarvan is de markante juxtapositie van een copieuze boerenmaaltijd en de piëta.

Ik zie Haar liever onder het kruis met het lichaam van Hem die na drie dagen zou verrijzen op Haar schoot, als een overrijpe boreling. Met haar ene hand probeert ze Zijn haar dijende glijdende lijf tegen te houden, met de andere ondersteunt ze Zijn lamme hoofd, (…) Telkens wanneer ik bechamelsaus maak en bloem door de blonde, schuimende boter roer, lijkt zich in de klonters zijn gestalte weer te willen ophopen. Er moeten nog uien bij, gestoofde wortelen, weidechampignons en een handvol dille, een lepel mosterd.

Mortier beschrijft in De onbevlekte hoe, conform het plattelandsbestaan,  de seizoenscyclus uit de grond rondom het huis ontspringt. Marcel mijmert over ‘de glimmende ploegvoren wanneer de winter begint te wijken en de wereld kantelt en de akkers worden gekeerd’ en ‘de kwikstaarten die achter de ploegschaar in de verse, ontwakende kluiten naar wormen, kevers, larven speuren om aan te sterken voor hun broedsel’. Diezelfde grond wordt niet alleen met het leven, maar ook met de dood en de gesneuvelde Marcel in verband gebracht. Grootmoeder Andrea noemt de gestorven soldaat ‘De langverwachte’: zijn aanwezigheid is even etherisch als allesomvattend. Hij duikt voortdurend op in De onbevlekte, maar enkel in dromen en visioenen. Daarin associeert de grootmoeder de oudere Marcel enigszins noodlottig met de aarde: ‘Op zijn wangen proefde ik aarde. In zijn haar, zijn stugge blonde lokken, koekten kluiten uitgedroogde modder.’ De grond verwijst immers eveneens naar Marcels ultieme begraafplaats aan het front:

Zwijgt de aarde er even moederlijk als hier, de aarde die vader soms in zijn knuisten nam om eraan te ruiken, alsof hij alle leven dat erin was vergaan en wee ander leven voedde, in zich wilde opsnuiven, als hij de bodem zelf wilde eten? Waar rusten zijn botten?

Het is net dat onvoltooide karakter van de begrafenis dat zijn dood dermate onverwerkt laat. De jonge Marcel stelt dan ook:

Ik moest hem begraven. Er moest een uitvaart komen. De pastoor zei: “Een gewone dienst. Geen vlaggen, geen vaandels in mijn kerk.” Geen lichaam ook, dat lag ergens tussen de luie boeren in de Oekraïne te vergaan. Er stond een loze kist op de katafalk.

Mortiers opeenvolging van sterk gestileerde beelden wordt in de tweede helft van het verhaal even onderbroken door een resem brieven. De brief is een belangrijk stijmiddel in De onbevlekte, maar mist als dusdanig de poëtische flair die Mortiers beeldende indrukken zo meeslepend maken. Bovendien zeggen de brieven inhoudelijk niet veel meer dan wat al eerder bekend was over de mysterieuze Marcel. Die passages voelen als een intermezzo aan en ze zijn bijgevolg lichtjes overbodig van karakter. Eens te meer omdat Mortier in De onbevlekte, vergeleken met het debuut, een stuk minder bezig is met het ontrafelen van het enigmatisch levensverhaal van de overleden soldaat.

 

Laf gebeitel

De ouder geworden Marcel, ook een schrijver en zo ogenschijnlijk een alter ego van Mortier, positioneert zich uitdrukkelijk als dusdaning in De onbevlekte. Dat levert bij momenten haast fictionele uitspraken op. Grootmoeder Andrea vraagt of Marcel beeldspraak gebruikt en of hij ‘die laatste brief, na al die jaren, en dat ik zat te schreien’ ook gaat opschrijven. Zulke gesprekken stellen de fictionaliteit van het verhaal expliciet in vraag. De lezer lijkt er een bijna hopeloze verzuchting in te herkennen:

“Misschien ben ik al dood als het af is. Misschijn zijt gij dan wel dood. Misschien zit ik het allemaal zelf te fantaseren. Daar verschiet ge van zeker?” “Ik verschiet nog van weinig, Moe. Ik voel me nochtans niet gefantaseerd.”

De schrijvende Marcel noemt zijn kroniek daarnaast  ‘laf gebeitel’: ‘Misschien zou ik willen dat het continuüm van tijd en ruimte heel even splijt onder mijn laffe gebeitel en er een andere tijd bloot komt te liggen, de Boventijd.’ Hij bevestigt dat schrijven ‘een manier [is] om mijn bek open te trekken en hem tegelijk dicht te houden. Ik verwacht weinig van mijn woorden, zij mogelijk meer van mij.’  Zulke uitspraken doen vermoeden dat de schrijver niet langer geïnteresseerd lijkt om het kluwen van een familiegeschiedenis te ontrafelen. Integendeel, Marcel stelt onomwonden geen vragen meer te hebben want ‘de dag is gekomen om die te laten varen en antwoorden te verzinnen die mysterie in zich weten te bewaren.’

Centraal in Mortiers debuut staat een kind dat zich nieuwsgierig afvraagt waarom de rest van de familie zo weinig spreekt over die fascinerende oom. In De onbevlekte staan, in tegenstelling, veeleer de melancholische reflecties over die bijzondere familiegeschiedenis op de voorgrond. De wereld is veranderd, de periodes van droogte worden steeds langer en zelf Pastoor Léo is genoodzaakt om te moderniseren, zijn mis is nu ‘compleet met zonnepanelen en gewaarborgde software-updates, alsook een paar knoppen om zijn stemgeluid, naargelang de dienst, van jubelklank of rouwklacht te voorzien’. Ook Marcel is niet meer dezelfde persoon. Zijn kinderlijke naïviteit heeft plaatsgemaakt voor een zekere mistroostigheid. Hij vraagt zich hardop af:

Waarom heb ik al die pracht nooit gezien, en in mijn puberjaren zelf verworpen? En waarom schettert dit alles me nu pas weer in de ogen, nu de sloten iedere zomer langer droog blijven staan en de wilde irissen smachten naar regen?

Mortier parafraseert vooral impressies en personages uit het debuut en plaatst ze in een nieuw daglicht. Op die manier staan de beide romans uit het oeuvre van de schrijver voortdurend in dialoog met elkaar. Omdat Mortier in De onbevlekte niet alleen beeldspraak uit zijn debuut herneemt, maar tegelijk het verval rondom de personages zo uitdrukkelijk beschrijft, is de roman eerder melancholisch dan nostalgisch van aard en om die reden evenveel het relaas van een stille teloorgang. De schrijver maakt bijgevolg duidelijk dat elke waarneming in het huis, en in extenso het verhaal, tevens de laatste kan zijn.

Het is de laatste keer, denk ik, terwijl ik het ei naar binnen werk. De laatste, allerlaatste keer. Zes, zeven generaties, en over een paar weken of maanden koopt een zakentype het erf en laat het opkalefateren tot een weekendverblijf om van een strontvrij platteland te genieten…

Marcel ziet analoog zijn grootmoeder, eens de spil van de familie, nu ‘niets meer verplanten of verpotten wanneer ze binnenkort naar het bejaardenthuis verkast en alles achterlaat.’

In essentie sluit De onbevlekte het verhaal van de overleden grootoom af. Dat blijkt ontegensprekelijk uit de laatste zin. ‘Dan weet ik zeker of het schrijven van mijn vader ter bestemming is gekomen en Marcel Ornelis’ laatste woorden u eindelijk hebben bereikt.’ Of het contininuüm toch zal splijten onder het ‘laf gebeitel’ van de jonge Marcel, laat de schrijver evenwel in het midden. Die houding geeft blijk van een zekere zielenrust, ondanks dat het metaforische katafalk angstvallig leeg blijft. In die zin is De  onbevlekte een vervolg zonder narratieve ontknoping. De schrijver bevestigt. ‘Ik weet niet of dat lukt, en of het genoeg is, ook nu, hier, terwijl ik mijn laatste brief aan haar voltooi, mijn allerlaatste.’ Mortier onderstreept die onzekerheid ettelijke keren in de roman. ‘Wat gaan al die schimmen hier dan doen? En hij, het spook dat mijn naam draagt? Met me mee verhuizen?’ De onbevlekte is daarom geen banale voortzetting op Marcel. Mortier laat immers een ander licht schijnen op de gevoelige familiekroniek van zijn debuut. Hij toont daarbij op een meesterlijke manier hoe de tijd zijn tanden in de personages en de setting heeft gezet. Toch laat hij, met een sobere terughoudendheid, een schijnbaar existentiële twijfel in zijn verhaal toe.

Recensie: De onbevlekte van Erwin Mortier door Alessio di Mella

De Bezige Bij, 2020

Geplaatst op 04/06/2020

Tags: alessio di mella, de onbevlekte, erwin mortier, oostfront

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.