‘De ongeneeslijke genezer, die niet geneest’

Leegte lacht

Tonnus Oosterhoff

Het is misschien wel een van de persistentste gemeenplaatsen over het werk van Tonnus Oosterhoff, en waarschijnlijk over poëzie in zijn algemeenheid: de gedachte dat poëzie enkel een spel met taal is. In Leegte lacht, de nieuwe bundel van Oosterhoff, zijn de taalspelletjes, de verstoringen en verhaspelingen en de botsende registers opnieuw aanwezig, maar het zou een misvatting zijn te denken dat het hierbij om vrolijke Spielerei zou gaan. Het spel heeft bij Oosterhoff een grimmige ondertoon, zoals duidelijk wordt zodra je de bundel openslaat en het motto leest. Dat verwijst naar een uitspraak van VVD-kamerlid René Leegte, die op de vraag van een Trouw-journalist of transportwagens met radioactief afval bestand zijn tegen overstromingen, lachend antwoordt dat dat ‘een beetje sciencefiction [wordt]’. Zie daar de zelfgenoegzame grijns waarmee agenten van het globale kapitalisme de catastrofes en crises die het laat plaatsvinden weglachen. Daarvan onderzoekt Oosterhoff op luchtige toon, maar met vaak nauwelijks verholen agressie, de verwoestend reële implicaties.

Gespeelde dyslexie?


In de kritieken over Oosterhoff lees je doorgaans echter weinig over de ernstige bedoelingen die achter die speelsheid steken. Oosterhoffs speelsheid wordt vaak als een vrijblijvende exercitie gezien, en zo van zijn scherpe, cultuurkritische kantjes ontdaan. Het is al eerder op deze site betoogd: enkele uitzonderingen daargelaten, ziet de hedendaagse poëziekritiek – als zij haar object überhaupt nog serieus neemt en niet bij alles wat afwijkt een vermoeid gezicht trekt – consequent af van een geëngageerde lectuur. De maatschappelijke werkelijkheid buiten het gedicht blijft zo op een veilige afstand staan, waardoor de poëzie gepacificeerd wordt.

Die tendens blijft evenwel niet beperkt tot de dagbladkritiek. Ook binnen de academische kritiek bekommert men zich nauwelijks om de sociale, politieke en economische contexten waarin poëzie staat. Zo spreken Vaessens en Joosten in hun Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen uit 2003, waarin zij zich nochtans opstellen als de uitdagers van het dominante discours, over Oosterhoffs ‘gespeelde dyslexie’. Daarmee bevestigen ook zij een hardnekkige opvatting over (postmoderne) poëzie: namelijk dat de ontregeling van de taal louter denkbaar is als overschrijding van een transcendente norm – bij Vaessens en Joosten is dat de modernistische leesconventie (die vooral gericht is op het vinden van innerlijke coherentie) – en niet als een affirmatief gebaar, waarmee nieuwe verbindingen worden gelegd. Daardoor blijft het spel, en het verzet en verlangen dat ervan uitgaat, altijd een veilige enscenering binnen de grenzen van het gedicht. 


Als je de gedachte volgt dat het taalspel louter binnen de logica van het gedicht kan worden begrepen, dan is de versplintering en fragmentatie die het subject in zijn werk ten deel valt uiteindelijk een kennisprobleem, niet iets dat evengoed verwijst naar de aanhoudende bestaansonzekerheid binnen onze neoliberale orde, waarin niemand veilig is en iedereen precair. En dan verschijnen de desintegrerende lichamen die zijn werk bevolken niet als het effect van een traumatiserende shock-doctrine die in naam van crisisbezwering en ‘herstructurering’ de ene na de andere crisis genereert, maar enkel als metaforen voor de onafheid van het postmoderne gedicht, zoals ook een van de meest geciteerde regels van Oosterhoff – ‘Ik houd een onderdeel over’ – louter gelezen wordt als een beeld van de onmogelijkheid om het postmoderne gedicht tot een eenheid te smeden, kortom: als gebrek, niet als mogelijkheid. 



For the record: als ik stel dat de stoornissen in de poëzie van Oosterhoff niet louter gespeeld zijn, bedoel ik uiteraard niet dat Oosterhoff zelf een hersenbeschadiging heeft, zoals Herman de Coninck eens een meervoudige persoonlijkheidsstoornis bij de dichter diagnosticeerde. Waar het me om gaat is dat de ontregeling in Oosterhoffs werk geen kwestie is van freischwebend spel, maar van strijd: strijd tegen de vervormende, onteigenende werking van het kapitalisme, en tegelijkertijd een onophoudelijk onderzoek naar de mogelijkheden van een verzet dat niet onmiddellijk wordt geneutraliseerd – zoals in de kritiek helaas maar al te vaak gebeurt. 



Bij dat verzet speelt het lichaam, meer in het bijzonder het brein, gedefinieerd als het biologische fundament van onze identiteit, een cruciale, zij het ambigue rol. Niet voor niets bundelde Oosterhoff de gedichten die hij van 1990 tot 2005 schreef – tezamen een ware catalogus van stoornissen en ziekteverschijnselen – als Hersenmutor, een titel die andermaal de inzet van zijn taalspel duidelijk maakt. En ook daarna blijven de hersenen steeds terugkeren in zijn poëzie. Zo duiken in Leegte lacht onder meer het corpus callosum, teratoom en scoliose op. Maar minder dan als een pathologische afwijking van de norm, die zoveel mogelijk moet worden verholpen, staan de stoornissen die hij in zijn poëzie opvoert en uitvoert voor een mogelijke levensvorm, een existentie die zich niet zozeer buiten de regimes en wetten van de economie ophoudt, maar er in elk geval niet naadloos mee samenvalt. 



Ambivalentie


Dat zo’n project urgent is, blijkt uit de recente opmars van de neurowetenschappen als de voornaamste leverancier van verklaringen omtrent menselijk gedrag, dat volgens deze wetenschappers goeddeels is voorgeprogrammeerd door het brein, en hoogstens nog wat kan worden bijgestuurd. Ook in Nederland heeft een gepopulariseerde variant van de neurowetenschap inmiddels zijn weg gevonden naar het grote publiek, getuige de vele publicaties waarin voor de hersenen een cruciale rol is weggelegd bij de vorming van onze subjectiviteit. ‘Gebruik je hersens en word wie je wil zijn’, luidt bijvoorbeeld de ondertitel van Margriet Sitskoorns boek Het maakbare brein. Het impliciete moralisme in dat onschuldig lijkende bevel is dat je vooral iemand moet worden die soepel functioneert, zijn hersens op nuttige wijze gebruikt. Voor Sitskoorn is het brein dus wel maakbaar, zolang die maakbaarheid zich maar inzet voor het finetunen van de hedendaagse flexmens. De Nederlandse neuroloog Dick Swaab gaat nog verder. Zijn nihilistische mantra – ‘wij zijn ons brein‘ – zou je als het wetenschappelijke equivalent kunnen zien van de gedachte dat er geen alternatieve levensvormen denkbaar zijn: het enig mogelijke subject is een subject dat volgzaam uitvoert wat zijn hersenen dicteren.

De Franse filosoof Catherine Malabou, van wie onlangs het neurofilosofische pamflet Wat te doen met ons brein? in vertaling verscheen, zet zich fel af tegen representaties van de neurologie als deze, waarin de mens de slaaf van zijn biologische hardware is. Volgens haar is het neurodiscours niet zo objectief als het zich graag presenteert, maar vormt het de ideologische rechtvaardiging voor de dominantie van het kapitalisme. De neurologie is vergeven van de taal van de markt, en vormt volgens haar de geestelijke uitdrukking van onze netwerkeconomie, waarin het brein feitelijk het nieuwste wapen is geworden in de verdere exploitatie van basale hersenvermogens als denken, voelen en ervaren. Tegenover die regressieve tendens stelt Malabou het emancipatoire potentieel van de plasticiteit: het vermogen van de hersenen nieuwe verbindingen aan te gaan, zich aan snel veranderende omstandigheden aan te passen, en zich op onvermoede wijze te ontplooien. Tegelijkertijd kunnen we Malabous plastische subject, met zijn oneindige mogelijkheden, als een bij uitstek precair subject zien, wiens flexibiliteit zich gemakkelijk voor uitbuiting leent.


Oosterhoff kan in zijn verzet tegen de disciplinering van de hersenen zonder meer als een bondgenoot van Malabou worden beschouwd. Dat verzet put zijn kracht hier echter niet uit een therapeutisch discours, dat uit is op de genezing van het individu en zijn re-integratie in de samenleving wil bevorderen. Integendeel: het werk van Oosterhoff weigert, zowel formeel als thematisch, een dergelijke integratie. Dat blijkt subtiel uit het volgende gedicht: 



Larissa vraagt: ‘Waar woon je?’

Larissa vraagt waar ik woon.

Ze vraagt of ik in de Maasstad woon.

Ik antwoord niet maar doe de oefening.

Ze vraagt: ‘Waarom antwoord je niet?
‘
Ze vraagt waarom ik niet antwoord.

’Omdat ik de oefening doe,’ antwoord ik niet.

Ik antwoord niet omdat ik de oefening doe.



Niet antwoorden, maar oefenen in onbuigzaamheid, dat lijkt Oosterhoffs onmaatschappelijke antwoord op de permanente mobilisering die de huidige economie van ons verlangt. Tegelijkertijd wekt dit gedicht ten minste de suggestie dat de beschreven oefening onderdeel uitmaakt van een revalidatieproces, dat een normaal functioneren weer mogelijk wil maken. Het verzet van zijn poëzie blijft daarmee een uitermate hachelijke, lokale en begrensde onderneming.



Het zou daarom voorbarig zijn te stellen dat Oosterhoff een eenduidig geloof hecht aan het brein als katalysator van een emancipatoire strijd. Voor een dergelijk geloof is hij een te weerbarstige dichter, die van elke stellige bewering onmiddellijk keerzijde en tegendeel peilt, en van elk verzet meteen de inkapseling noteert, zoals het bovenstaande gedicht laat zien. Met Catherine Malabou kun je wat betreft het vermogen van het brein om uit de bestaande krachtsverhoudingen te breken dan ook eerder van een ambivalentie spreken: de kneedbaarheid van het brein en de onhiërarchische, decentrale wijze waarop het zenuwstelsel is georganiseerd, zijn volgens haar zowel de spiegel van het huidige mondiale kapitalisme, als de mogelijke aanjager van zijn desintegratie.

Want met de plasticiteit die Malabou tegenover de rigiditeit van iemand als Swaab en de flexibiliteit van Sitskoorn zet, duidt zij niet alleen op het vermogen van ons brein om vorm te krijgen en vorm te geven, maar ook – en dat is essentieel – vorm te vernietigen en te laten exploderen. Die explosiviteit is in het werk van Oosterhoff ruimschoots aanwezig. ‘Wat wij verbinden valt in onze gele doodshoofd weer / uit en uiteen’, lezen we in Leegte lacht. En in een ander gedicht, dat is meegeschreven met Harry Everett Smith, spreekt hij van ‘de energie van het korset’ – een formulering die doet denken aan de ambivalentie waarin zich volgens Malabou de politieke mogelijkheden van het brein tonen.



De uitgang


Het gedicht waaruit deze regel komt, heet ‘Waar in de poëzie de uitgang’. Die titel is een programma en een waarschuwing ineen, omdat het allerminst zeker is of hij nog wel in zo’n uitgang gelooft. ‘De ongeneeslijke genezer, die niet geneest’, noemt Oosterhoff de dichter ergens, en dat lijkt me een treffend beeld voor een dichter die anno 2011 meer wil doen dan zijn lezers wat therapeutische supplementen toewerpen. Niemand lijkt zich beter bewust van de malaise dan Oosterhoff, die zich in deze bundel met vaak bijtend sarcasme (‘je bent vergeefs op aarde, bourgeois-dichter, je leeft voor niets’) uitlaat over de beklagenswaardige positie van de dichter, met zijn ‘veertien belachelijke lezers’ en zijn ‘argwanend gemompel’. Leegte lacht mag dan vol vileine uithalen staan naar de kuddemens, er wordt minstens zo veel beklag gedaan over de medeschuldigheid van poëzie. De dichter lijkt op de haai die Oosterhoff in deze bundel opvoert, die na het inslikken van een radio alleen nog maar de ‘liedjes van het land’ zingt, gedwongen wordt om mee te zingen met de deuntjes van de commerciële massacultuur.


Maar ook het aloude ideaal van een transgressieve, grensoverschrijdende poëzie lijkt hier spaak te lopen. Bekend is Oosterhoffs aversie tegen de antipsychiatrie, dat in de geesteszieke een glimp van een nieuwe, betere mens zag, aan wiens creativiteit en non-conformisme men een voorbeeld kon nemen, opdat iedereen baas in eigen brein kon worden. De belofte van de antipsychiatrie is verwant aan de belofte van een transgressieve literatuur, waarin zich in de waanzin en de déreglement een wereld voorbij de onderdrukkende verbanden en instituties van de maatschappij openbaart. Beide veronderstellen een buiten, het overschrijden van een grens. Het is de vraag of zo’n buiten in de grenzeloze netwerkeconomie, waarin alles met elkaar verbonden is, en waarin brein, economie en taal een nauwsluitend circuit vormen, nog wel mogelijk is, zo lijkt Oosterhoff te zeggen: ‘In het heelal zijn talloze rekenmachines. / Er wordt niet gevangen, alleen niet ontsnapt.’


Misschien zou je daarom moeten stellen dat Oosterhoff niet zozeer in transgressie geïnteresseerd is, als wel in de permanente wendbaarheid van poëzie, in haar vermogen tot het leggen van connecties – zoals dat gebeurt in het eerder aangehaalde gedicht ‘Waar in de poëzie de uitgang’, waarvan de associatieve structuur ervoor zorgt dat de tekst weigert te stollen, maar niet absoluut gefragmenteerd wordt. Het werk van Oosterhoff wil niet helen of verzoenen, noch verstoren of ontregelen, maar legt zich toe op het aangaan van nieuwe verbindingen, de creatie van alternatieve subjecten en levensvormen. Geen therapie of transgressie, maar connectie: wellicht is dat de opdracht voor een poëzie die tegenover de schijnbaar totale dominantie van de huidige kapitalistische economie weerbaar wil zijn.

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2011
ISBN 9789023469742
96p.

Geplaatst op 28/11/2011

Reacties

  1. RHCdG

    Een uitstekend stuk natuurlijk, we mogen de kritiek wel feliciteren met zo’n nieuwe stem (voor mij althans de eerste keer dat ik zo’n stuk lees van FK). Toch vind ik het wat ongemakkelijk worden wanneer de terechte wens om poëzie wat minder navelstaarderig te maken uitmondt in een concentratie op de vraag in hoeverre deze poëzie politiek-maatschappelijk kan functioneren. Niet alleen omdat dat stilistisch tot uiting komt in een honingpotterige overmaat aan hyperlinks (alsof de boodschap telkens luidt: verlaat deze tekst), maar omdat ik het ook een oneigenlijke manier vind om poëzie zo te lezen en te beoordelen.

    Dat met poëzie de maatschappij niet kan worden veranderd, weet iedereen. Wel kan in poëzie de weerslag worden gegeven van maatschappelijk verzet, zodat je althans kunt zeggen: het is (ook) in de poëzie gezien c.q. gebeurd. Maar dan komt meteen de vraag: hoe is dat gegaan? En daarvoor moet onderzocht welke procedés Oosterhoff hanteert (bij voorbeeld dat ‘meeschrijven’ met Everett Smith, sommige dingen die aan zijn bewegende gedichten herinneren, enz). Die vragen lijken in dit stuk van minder belang dan de vraag wat deze poëzie kan betekenen voor sociaal-politiek verzet – maar poëzie laat zich niet voor een karretje spannen, zelfs niet voor dat van de goede zaak.

    Neemt niet weg dat het lang geleden is dat ik een poëziebespreking met deze inzet heb gelezen, en dat geeft de burger moed. Maar het mag van mij wat meer over de poëzie gaan en over de middelen waarmee bepaalde effecten worden bereikt. Die bepalen nl. de machtsverhoudingen in de taal.

    Beantwoorden

  2. Arnoud van Adrichem

    Het gaat er, denk ik, niet zozeer om dat de poëzie zich voor een politiek-maatschappelijke karretje laat spannen (integendeel: écht interessante poëzie verzet zich daar inderdaad tegen), maar bovenal dat gedichten als die van Oosterhoff zo’n geëngageerde lectuur mogelijk maken, een leeswijze waaraan sommige critici helaas al te vaak voorbij lijken te gaan. Wat de gehanteerde procedés betreft: Oosterhoff lijkt actuele discussies over onze maatschappij vooral te vertalen in vormproblemen. Dat komt onder meer tot uitdrukking in de syntaxis, de neologismen, de registerwisselingen, de metaforen, de inzet van andere talen en, niet te vergeten, de ritmiek van deze poëzie. Een mooi voorbeeld daarvan is het gedicht ‘Witte blues’, waarvan ik graag twee regels wil citeren: ‘Werkelijkheid en wet, twee ogen. / Wartaal is waarheid, wie kijk je aan?’

    Beantwoorden

  3. Frank Keizer

    Dag Rutger, dank, ook voor je zinnige commentaar: ik ben het met je eens dat het om de formele middelen gaat. Daar tonen zich de machtsverhoudingen, en daar kunnen ze worden opengebroken. Daar probeer ik ook op te wijzen, door te stellen dat het taalspel bij Oosterhoff niet alleen esthetische effecten sorteert, maar ook antagonismen en conflicten blootlegt.

    Maar misschien moet ik hier toch een wat theoretische exercitie inlassen om het probleem waar ik, en ik denk ook Oosterhoff, mee worstelt, scherp te stellen.

    Ik herken in je reactie (en ook in die van Arnoud overigens, die Adorno’s frase aanhaalt dat kunst maatschappelijke problemen in vormproblemen vertaalt) nog altijd de tegenstelling tussen het symbolische en het materiële, waarbij het primaat bij het eerste ligt. Uiteindelijk wordt poëzie opgevat als een andere ordening, een alternatief dat zijn materiële context zal kunnen ontstijgen d.i. altijd ongrijpbaar zal blijven voor het desastreuze geweld van de economie en zich nooit laat instrumentaliseren.
    Het is de vraag of die scheiding nog houdbaar is.
    Malabou meent van niet. Zij is een radicale materialist: de symbolische en materiële economie zijn over elkaar heen geschoven, wat ik in het stuk wat minder afschrikwekkend als een nauwsluitend circuit tussen brein, economie en taal benoem. Daarmee vervalt de droom van een (symbolisch) buiten, en van de belofte van de andere wereld, wiens verbeelding wij zo van literatuur verlangen.

    In die zin is de vraag niet zozeer of ik Oosterhoff te veel voor een politiek-ideologisch karretje span, zoals je hierboven suggereert en anderen, elders, mij in niet zo zachtzinnige termen hebben verweten.
    Het punt is veeleer dat dit allang het geval is, dat poëzie allang die belangeloze vrijheid kwijt is, kortom, dat cultuur zelf, al onze romantische noties ten spijt, allang in het hart van de economie staat, en dat elke ontkenning daarvan neerkomt op een mystificatie.

    Die versmelting lijkt me iets wat we moeten accepteren, voordat we überhaupt kunnen gaan nadenken over wat poëzie nu nog kan betekenen, en niet alleen als maatschappelijk verzet.
    Catherine Malabou is daar zelf zeer ambivalent over, en ik meen Oosterhoff ook. Een antwoord heb ik ook niet. Maar Catherine Malabou levert in elk geval enkele instrumenten die het mogelijk maken deze vraag, die volgens mij cruciaal is, überhaupt te stellen.

    Beantwoorden

  4. RHCdG

    Hallo Frank,

    Ja, ik ga een heel eind mee met jou en met Malabou, van wie ik niet eerder gehoord had; alleen trek ik precies de omgekeerde conclusie!

    Natuurlijk ben ik ook een ‘materialist’, geboren en getogen, wat de poëzie aangaat, in Lucebert. Maar dat geldt ook voor Oosterhoff, die eens ‘lucebert is godbetert/ god ver beter mijn beste’ schreef, waarbij hij meteen liet zien wat een meester ook hij is in zijn behandeling van de materiële eigenschappen van het woord.

    Maar hij is een bijzonder apart en intrigerend geval, want behalve van Lucebert is hij ook een nazaat van iemand als Leopold. Een uitgesproken symbolist, die zei dat alles vervat is in dit trilkristal. Daartegen tekent Oosterhoff bezwaar aan: het trilkristal zelf is er niet in opgenomen, en dus: ik houd een onderdeel over. Ook bestrijdt hij zijn eigen symbolistische aanvechtingen met een titel als ‘ware grootte’. Het neemt niet weg dat je een heel eind kunt komen in Oosterhoff als je eens een inleiding tot het symbolisme leest (die van S. Dresden bv.)

    Ik weet niet of ik Adorno helemaal volg als hij een soort 1-op-1-relatie aanneemt tussen maatschappelijke en vormproblemen, waarbij dan natuurlijk die laatste een ‘vertaling’ zijn van de eerste. Ik denk dat literatuur en poëzie op meer aanspraak maken. En ik heb juist het idee dat in een geëngageerde lezing zoals jij die geeft, de poëzie die materiële context ontstijgt, en symbolisch de maatschappelijke werkelijkheid komt te vertegenwoordigen. Precies andersom dus. Ik pleit juist voor een materiële oriëntatie op de tekst (ik heb dat eerder ook, en uitgebreider, gedaan in mijn bespreking van Gaston Franssens boek over Kouwenaar, ik weet niet of je ’t kent). Ik vind dat de kritiek vanuit de poëzie zelf moet werken, en Malabou’s ideeën niet als voorschrift moet opvatten. Het is niet omdat Malabou het zegt dat we Oosterhoff politiek moeten lezen; die aanleiding moet in Oosterhoff zelf worden gevonden. Er gebeurt zo ontzettend veel in zijn gedichten, en dat wordt nu allemaal overgeslagen. Zulk lezen – niet de tekst zelf, maar van een laag daarboven, de ‘leesconventie’ – ontstijgt de materiële werkelijkheid pas, vind ik. Daarmee ontstaat de mystificatie.

    Poëzie als maatschappelijk verzet: ik zie dat dus niet zoals ik in mijn eerste reactie al zei, en ik vind dat poëzie wel degelijk vrij is en ook altijd vrij zal blijven (‘een vochtig voortvluchtig lichaam’). Een onromantisch onderzoek naar het materiaal van de dichter maakt dat meteen duidelijk: poëzie is nl. niet parafraseerbaar zonder betekenisverlies of betekenisverandering. Daarom is het zo belangrijk om je op dat materiaal te bezinnen en te baseren. Nog een voordeel: het maakt je als criticus ook betrouwbaarder.

    Beschouw ik poëzie dan niet te veel vanuit een ivoren toren, nl. louter als taalspel? Als het om de poëzie van Van Dixhoorn gaat hoor je die klacht nooit, terwijl die zich in geëngageerde kringen (noem ik het maar even) toch in een grote populariteit mag verheugen. Is het omdat Oosterhoff het in zijn werk over de KPN heeft en over de groenten van Hak? Maar dat is juist ook de ‘ware grootte’ van zijn werk, even materieel als Van Dixhoorns getallen, die vervolgens *poëtisch* komen te functioneren. En het is wat mij betreft juist die poëtische functie waaruit het antimaatschappelijke karakter van poëzie blijkt (en waardoor de dichter ‘lager in aanzien staat dan een criminele, drugsverslaafde, gehandicapte, schizofrene en lesbische prostituee van vreemde origine’ zoals Dirk Vekemans het deze week uitdrukt).

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.