Interviews

De zon, de klont en de cloud. De beste romans over dataficatie volgens Stephan Besser

‘Literature is not data. literature is the opposite of data’. Met die woorden keerde de Canadese schrijver Stephen Marche zich tegen de toepassing van digitale analysemethoden binnen de literatuurwetenschap. Literatuur laat zich niet reduceren tot data, vond hij. Sterker nog, de wens om literaire verbeeldingen beheersbaar te maken met nummers, patronen en algoritmes zou neigen naar fascisme. Maar wat heeft de literatuur zelf te vertellen over haar rol in een gedigitaliseerde wereld? Er verschenen de laatste jaren verschillende romans die de culturele impact van dataficatie, patroonherkenning en kunstmatige intelligentie in beeld brachten. Hoe geven zulke romans vorm aan hedendaagse ideeën en angsten over patroonherkenning? En wat zegt de literatuur ons over de maatschappelijke betekenis van dataficatie?

Over deze vragen ga ik in gesprek met Stephan Besser, literatuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam. Het afgelopen collegejaar was hij als fellow verbonden aan het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS). Besser bestudeert culturele verbeeldingen van patronen in literatuur, kunst en wetenschap. Hij gidst ons langs drie romans die patroonherkenning en dataficatie op vernieuwende wijze ter discussie stellen: Satin Island (2015) van Tom McCarthy, Klont (2017) van Maxim Februari en Klara en de Zon (2021) van Kazuo Ishiguro.

Wat moeten we precies verstaan onder de term ‘patroon’ en waarom is het interessant om patronen als culturele fenomenen te bestuderen?

Als je je bezighoudt met hoe er over patronen gesproken wordt, merk je al snel dat er een grote diversiteit van definities bestaat. Er kan sprake zijn van patronen in de tijd, in de ruimte, van visuele patronen, akoestische patronen, culturele patronen, natuurlijke patronen, enzovoorts. Ik gebruik in eerste instantie de brede definitie die Rens Bod hanteert in zijn boek Een wereld vol patronen (2019): een patroon is een waargenomen regelmatigheid met een element van herhaling.

Daarmee volg ik een betekenis van het woord patroon die pas later is ontstaan. Als je kijkt naar de etymologie van de term, dan zie je twee verschillende betekenissen. In de eerste betekenis zijn patronen modellen of voorbeelden om iets na te maken. Denk aan een naaipatroon. Die betekenis is al honderden jaren oud en is afgeleid van het Franse patron. Maar wat je rond 1900 ziet, is dat patronen ook waargenomen kunnen worden in de natuurlijke wereld en in het gedrag van mensen. De oude definitie van ‘patroon’ krijgt dan een uitbreiding. Mijn onderzoek richt zich op die tweede definitie van waarneming van patronen.

De volgende vraag is dan: hoe worden die patronen waargenomen? Welke technische hulpmiddelen zijn daarvoor? In de geneeskunde gebruikt men radiologie, in de neurowetenschap MRI. In het vakgebied van machine learning en artificiële intelligentie gaat het om neurale netweken die op hun eigen manier ook weer patronen kunnen herkennen. Daarbij hoort steeds de vraag: wie heeft eigenlijk belang om patronen waar te nemen?

Dat is dus ook een politieke vraag. In je eerdere onderzoek naar neurocultuur koos je soms een kritisch perspectief. Je noemde bijvoorbeeld dat zelfhulpboeken over het flexibel houden van je brein ook vooral de arbeidsproductiviteit moeten verhogen in een flexibiliserende arbeidsmarkt zonder bestaanszekerheid. Is een dergelijk kritisch perspectief ook onderdeel van je huidige onderzoek?

Deels wel ja. Ik vind het bijvoorbeeld interessant om te kijken naar hoe mensenlevens geregeerd worden door interacties tussen patroonherkenning en biopolitiek. Een voorbeeld is The Pattern Seekers (2020) van Simon Baron-Cohen. Baron-Cohen is een psychiater die onderzoek doet naar autisme. Hij beschrijft dat autistische mensen heel goed zijn in het herkennen van bepaalde soorten patronen. Volgens hem moeten we dit vermogen beter waarderen omdat we het nodig hebben voor technische innovatie. Zulke pattern seekers kunnen volgens hem bijdragen aan het ontwikkelen van nieuwe technologieën, computerprogramma’s etc. Kennelijk heeft het herkennen van patronen een maatschappelijke maar ook een economische waarde, waardoor Baron-Cohen ook vragen gaat stellen over de erfelijkheid van autisme. De populatie van Silicon Valley is voor hem een real life experiment over wat er gebeurt ‘when hyper-systematizers breed’.  Dat is bijna een klassiek voorbeeld van biopolitiek.

Maar ik houd me niet in eerste instantie bezig met zo’n kritisch perspectief op thema’s als surveillance en biopolitiek. In plaats daarvan kijk ik vooral naar de esthetiek van patroonherkenning. Ik vind het bijvoorbeeld interessant dat Maxim Februari in zijn roman spreekt over een ‘klont’. Dat is niet alleen een ideologische metafoor, maar ook iets esthetisch. Hoe verbeeld je je eigenlijk de dataficatie?  Door literatuur ben ik beter in staat om zulke esthetische verbeeldingen van het begrip ‘patronen’ aan het werk te zien.

We hebben je gevraagd om een selectie te maken van relevante romans over dataficatie. Hoe ben je tot deze selectie gekomen?

Ik heb drie romans geselecteerd die alle drie op de een of andere manier over patroonherkenning gaan. McCarthy’s Satin Island vertelt over het verlangen naar patronen in de hedendaagse maatschappij en wetenschap, en over hoe dat verlangen gefrustreerd wordt. Noem het een behoefte naar orde en structuur in een hypercomplexe wereld – daar gaat McCarthy op een zeer boeiende manier mee om. Februari’s Klont is voor mij interessant omdat deze roman ook gaat over de esthetiek van dataficatie, zoals ik al aangaf. Het verhaal geeft een beeld van de gedigitaliseerde maatschappij dat aansluit bij het tegenovergestelde van patronen: de digitalisering vormt een ‘klont’, iets wat vormloos is. Ishiguro gaat ook over de verbeelding van patroonherkenning, maar dan vanuit het perspectief van een robot en vanuit verschillende invalshoeken: digitale, visuele, en gevoelsmatige patronen raken in die roman met elkaar verbonden. Verder zijn het allemaal gewoon ook fascinerende en rijke boeken over sleutelvragen van de hedendaagse maatschappij die je ook met veel plezier kunt lezen zonder specifieke belangstelling voor patronen.

Tom McCarthy Satin Island (2015)

Het hoofdpersonage van deze roman is een cultureel antropoloog die werkt voor een consultant agency, een groot internationaal bedrijf dat zich bezighoudt met wat onduidelijke zaken op het gebied van digitalisering, marketing en zogeheten ‘paradigm advancement’. We kennen het hoofdpersonage alleen via de naam ‘U.’. Hij krijgt van zijn werkgever de opdracht om een omvattend rapport te schrijven over de hedendaagse maatschappij of cultuur. De aanname achter zo’n brede opdracht is dat het voor hem als antropoloog mogelijk zou moeten zijn om een overkoepelend patroon van de hedendaagse cultuur te vinden. Die aanname is deels geïnspireerd door U.’s intellectuele held Claude Lévi-Strauss, een beroemde antropoloog die in de jaren vijftig en zestig de universele en structurele eigenschappen van culturen probeerde te beschrijven.

Het hoofdpersonage is daarnaast geïnspireerd door natuurwetenschappelijke experimenten, specifiek van een Duitse natuurwetenschapper Ernst Chladni. In zijn experimenten van rond 1800 streek Chladni met een strijkstok langs een dunne metalen plaat met zand erop. Door de trillingen ontstaan zo allerlei symmetrische figuren in het zand. Aan het begin van de roman heeft U. een visioen van dit soort patronen en denkt: wat Chladni deed, dát wil ik ook. Hij wil zulke patronen uit de natuur herkennen in de maatschappij. Die patronen zijn voor hem een sleutel die ons laat zien hoe de maatschappij mogelijk ook volgens vaste structuren georganiseerd is.

U. beseft uiteindelijk dat het niet lukt om zulke universele patronen te vinden. Dat besef komt terug in een droom van het personage over een groot vuilniseiland. Dat is dus Satin Island, een toespeling op Staten Island, een eiland voor de kust van New York. In zijn droom is het eiland een vuilnisbelt waar het vuilnis van alle grote imperiale steden uit de wereldgeschiedenis wordt gedumpt: New York, Londen, Carthago, Byzantium enzovoorts. Het is een smerige, vieze toestand. Geen patronen maar een esthetiek van vormloosheid. Het is het vuilnis van het kapitalistische systeem. De restanten van de consumptiecultuur liggen daar.

Ik lees Satin Island als een satire op de consumptiemaatschappij, maar ook op de manier waarop bepaalde filosofische theorieën en concepten gebruikt worden om producten te verkopen. Eén van de wat flauwere grapjes uit de roman gaat over de gelijknamigheid van Lévi-Strauss de antropoloog en Lévi-Strauss het spijkerbroekenmerk. Daarnaast is het een satire op de hoop van linkse, anti-kapitalistische denkers om de wereld te veranderen. Satin Island kun je via de link van de afkorting SI ook lezen als verwijzing naar de Situationistische Internationale, een revolutionaire beweging in Frankrijk in de jaren vijftig en zestig die het kapitalisme onderuit probeerde te halen door juist de tekenwereld van het kapitalisme op een kritische en ondermijnende manier her te gebruiken. Er zitten een aantal verwijzingen naar situationistische praktijken in de roman, maar het gaat nu juist de andere kant op: U. gebruikt kritische theorieën van Alain Badiou, Gilles Deleuze en anderen voor branding en het verkopen van spijkerbroeken.

In een van de laatste scenes staat de hoofdpersoon in Manhattan op het punt om naar het echte Staten Island te gaan met een pont. Hij ziet de golven van de pont kris kras over elkaar heen gaan: ‘irregular and entangled patterns. Networks of kinship, the phrase flashed across my mind. I snorted with derision.’ ‘Networks of kinships’ is een term van Lévi-Strauss, maar op dat moment vindt de hoofdpersoon een structuralistische benadering van de maatschappij alleen nog maar belachelijk: he ‘snorted with derision’. Zijn verlangen om de cultuur in universele patronen te vatten, bleek gedoemd om te mislukken.

Maxim Februari, Klont

Een van de hoofdpersonages van Klont is Alexei Krups, een ster in het internationale lezingencircuit, in de sfeer van de TEDx-lectures. Zijn idee is dat wij momenteel de dataficatie van de echte, analoge wereld meemaken. Krups is een beetje gemodelleerd naar de Israëlische historicus Yuval Noah Harari, die een ondergangsverhaal formuleert over dataficatie in zijn boek Homo Deus (2018). Klont is volgens mij in eerste instantie een satire van dat lezingencircuit en de populaire wetenschap, waarin allerlei citaten bij elkaar worden gestolen, om zo op bestsellerlijsten en grote podia terecht te komen. Daarnaast benoemt Krups in zijn lezingen het idee dat de roman als een humanistische vorm een alternatief biedt op dataficatie. Volgens hem geeft de roman betekenis aan de wereld op een manier die met dataficatie niet meer mogelijk is.

Klont heeft zelf ook een verbazingwekkend humanistische kant, maar boeiender vind ik eigenlijk die metafoor van de klont. Het is een samentrekking van twee termen, ‘kloon’ en ‘samenklontering’. Die samenklontering van data wordt bij Februari een wereld op zich. Wat patronen betreft is de roman een beetje ambivalent. Er wordt wel ergens in de roman vastgesteld dat patronen zich aftekenen in de Klont, maar de betekenis neigt veel meer naar ‘kluit’, ‘clutter’, en ook ‘vuilnisbelt’, net als in Satin Island. In deze vergelijking ontstaat een soort tweede aarde, een spiegelwereld die weerzinwekkend is. Het is een esthetiek van dataficatie die sterk inzet op het smerige, dreigende, iets wat de wereld leegzuigt. De echte wereld wordt een schim. De Klont is als een gezwel aan het groeien ten koste van de echte wereld.

In de roman wordt gezegd dat het woord ‘klont’ door jonge wetenschappers is uitgevonden naar analogie van een term als ‘cloud’. Een cloud is natuurlijk iets wat boven ons zweeft, iets wat vormloos is, maar ook licht en bijna immaterieel. De Klont daarentegen is aards en weerzinwekkend, plakkerig, iets waar je niet meer vanaf komt. Het is in ieder geval iets wat niet langer gestructureerd of symmetrisch is. Daarmee legt die metafoor in het denken over dataficatie een nieuw accent dat een nieuwe esthetische vorm met zich meebrengt: dataficatie als het vormloze of het ongrijpbare. Je ziet dat die metafoor vervolgens een rol gaat spelen in de discussie over dataficatie, bijvoorbeeld in het boek Frictie. Ethiek in tijden van dataïsme (2020) van Miriam Rasch, die Klont expliciet aanhaalt als een nieuwe manier om over dataficatie na te denken. Voor Rasch is de dataficatie een ‘hyperobject’ volgens de definitie van filosoof Timothy Morton: vormloos, hypercomplex en qua uitbreiding in tijd en ruimte nauwelijks te bevatten. Dit is een heel andere verbeelding van data dan in gangbare ideeën over heldere patronen of zelfs decentrale netwerken, maar voor Rasch houdt die vormloosheid ook de belofte van entropie en verval in; ook de ‘klont’ wordt uiteindelijk een ruïne, of is het misschien al.

 

Kazuo Ishiguro, Klara en de Zon

Klara en de Zon is de eerste roman van Ishiguro sinds hij de Nobelprijs voor de Literatuur won in 2017. Het hoofdpersonage en de verteller van de roman heet Klara. Ze is een zogenaamde ‘Artificial Friend’, kunstmatige intelligentie in de vorm van een robot met antropomorfe eigenschappen. Klara wordt aangeschaft door een moeder voor haar dochter, Josie, om haar thuis gezelschap te houden. Josie is namelijk doodziek door ernstige bijwerking van zogeheten genetische ‘lifting’. Dat wordt toegepast op tieners, maar soms gaat het mis. Daardoor zit Josie, een meisje van 15 jaar, heel de dag thuis.

Josie’s moeder is van plan om een nieuwe Artificial Friend te laten maken op het moment dat Josie dreigt te overlijden. Deze nieuwe robot is helemaal gemodelleerd op haar dochter en moet qua uiterlijk op Josie lijken. Het is de bedoeling om Klara’s cognitieve vaardigheden te verplaatsen van Klara’s lichaam naar die nieuwe kloon. Klara heeft namelijk alle eigenschappen van het denken van Josie zo goed onder de knie gekregen dat ze in staat is om die na te doen. Maar uiteindelijk komt het er niet van omdat Josie geneest. Ze verlaat het ouderlijk huis, gaat studeren en op dat moment wordt Klara dus achtergelaten. In het laatste hoofdstuk zie je Klara in een soort afvalopslag zitten. Ze is bij het oud ijzer neergelegd, een nogal verdrietig einde.

Alle grote onderwerpen uit de discussie over AI komen op een bijna ongevaarlijke manier terug in deze roman. Een voorbeeld is het zogeheten ‘black-box’ probleem: het gegeven dat sommige algoritmes tot conclusies komen die door mensen niet meer te volgen zijn. Als reactie ontstond het ideaal van ‘Explainable AI’, waarbij kunstmatige intelligentie ontwikkeld wordt op basis van controleerbare en interpreteerbare algoritmes.

Dat black-boxprobleem zie je ook in de roman. Klara ontwikkelt een vreemd geloof in de zon door allerlei onbegrijpelijke correlaties die de robot legt, als ‘black box’. Klara heeft de overtuiging dat Josie’s genezing met de zon te maken heeft. Ze is aangedreven door licht, en de zon wordt voor haar bijna een god. De robot gaat zelfs bidden tot de zon, en probeert de zon gunstig te stemmen door een asfalteermachine kapot te maken, omdat er uit die machine allerlei dampen opstijgen. In de roman wordt de term ‘AI superstition’ gebruikt voor het gegeven dat robots dergelijke vreemde denkbeelden krijgen.

Je zou de roman daardoor ook kunnen zien als een vorm van explainable AI. In de roman is een robot aan het woord en zij legt uit hoe ze tot bepaalde conclusies komt. Zo leer je begrijpen hoe haar zonnereligie tot stand komt. Als je de roman leest als een roman over patroonherkenning, krijgt die patroonherkenning hier dus een antropomorfe, bijna menselijke vorm. Het is eigenlijk een digitale technologie, gebruikt voor het analyseren van data en toepassingen als zelfrijdende auto’s of robot visie. Maar via het perspectief van Klara krijgt die technologie ook iets subjectiefs en haast lichamelijks. Wat vaak als bedreigend wordt gezien aan AI komt in deze roman als iets heel onschuldigs terug, in de vorm van een zorgrobot. Schijnbaar.

Als we nu afsluitend Ishiguro vergelijken met Februari en McCarthy: zou je zeggen dat Klara en de Zon toch wat een optimistischer beeld schetst van dataficatie en digitalisering? Bij Februari is digitale technologie totaal niet lichamelijk: een vormloze, patroonloze Klont die losgezongen is van de werkelijkheid. McCarthy is even pessimistisch en presenteert het denken in modellen en patronen als hopeloos. Maar in de roman van Ishiguro krijgt patroonherkenning menselijke en lichamelijke trekken. Je krijgt zelfs de indruk dat het toch wel degelijk mogelijk is om door de ogen van een robot – kunstmatige intelligentie op basis van correlaties – een betekenisvolle blik op de wereld te vormen.

Klara en de Zon is optimistischer dan bijvoorbeeld Klont, alleen al vanwege het feit dat Ishiguro geen clichématige robot-apocalypse beschrijft. De robot eindigt in dit geval op de vuilnisbelt. Klara lijkt ongevaarlijk. Ze is een zorgrobot en stelt zich dienstbaar op. De roman is geen satire en laat zien dat patroonherkenning iets productief kan zijn. Bij Februari krijg je toch het bange vermoeden Klont de humanistische kwaliteiten moet bevestigen die het personage Alexei Krups toeschrijft aan de romanvorm.

Bij McCarthy zit het net weer anders. McCarthy is ook kunstenaar en en vindt veel hedendaagse literatuur heel humanistisch en ouderwets. De kunstwereld is avant-gardistischer en durft dingen die we in humanistische romans eigenlijk niet terugzien. Hij probeert heel nadrukkelijk een ander soort roman te schrijven, minder gericht op een overkoepelende zingeving. Hij heeft ergens geschreven dat wij als lezers tegenwoordig patronen willen vinden in de literatuur. ‘We don’t want plot, depth or content, we want angles, arcs and intervals, we want pattern.’ We willen patronen, maar geen betekenisvolle patronen. McCarthy staat dan ook bekend als iemand die de traditionele, psychologische roman afwijst. Dat beeld is nog versterkt door een essay van Zadie Smith uit 2008 getiteld ‘Two paths for the novel’. De ene weg is de ouderwetse psychologische roman; ‘lyrisch realisme’ vanuit humanistisch perspectief. En McCarthy is voor haar het grote tegenvoorbeeld.

Ik heb me afgevraagd of je McCarthy’s reactie op het denken in patronen terugziet in de vorm van andere romans, als een soort storming. Het deed me denken aan de jaren zestig en de Franse romans van de Oulipo-schrijvers. Dat waren schrijvers die experimenteerden met algoritmisch schrijven, strakke regels, en patronen. Bijvoorbeeld romans zonder de letter ‘e’, of volgens gekke algoritmes, stappenplannen. Is er tegenwoordig een soortgelijke inspiratie? Inge van de Ven heeft in haar boek Big Books in times of Big Data (2020)  betoogd dat je de gedetailleerdheid van de vertelling in monumentale romans van schrijvers als Knausgård en Bolaño kunt lezen als een reactie op de information overload en de moeilijkheid van betekenisgeving in onze gedigitaliseerde tijd. Op een ander formeel niveau zie je diezelfde reactie wellicht terug in de esthetiek van patronen in romans als Klont en Satin Island – als metaforen van vormloosheid.

Interview met Stephan Besser door Lucas van der Deijl.

Geplaatst op 06/09/2021

Tags: dataïsme, Maxim Februari

Categorie: Interviews

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.