Proza, Recensies

Een bloem in een eindeloze dorre vlakte

Wij zijn de wrekers over dit alles

Conny Braam

Jetzt sind Sie Kriegsgefangenen! […] Für Sie ist der Krieg vorbei!’ De woorden van deze Duitse militair uit Rommels Afrikakorps verrassen Jakob Witbooi, fictieve kleinzoon van de Afrikaanse vrijheidsstrijder Hendrik Witbooi. Amper één dag, op 20 juni 1942, heeft Jakob echt kunnen vechten tegen de Duitse en Italiaanse vijand in de Tweede Wereldoorlog. Zijn motivatie om als Zuid-Afrikaan deel te nemen aan deze oorlog werd ingegeven door de belofte van stemrecht en onafhankelijkheid die Churchill en Roosevelt de kolonies voorhielden in ‘Het Atlantische Handvest’ uit 1941. Samen met duizenden andere Zuid-Afrikaanse soldaten liet Jakob zijn familie en thuis achter om te strijden tegen de nazi’s en voor zijn eigen rechten in Zuid-Afrika. Vanaf 21 juni 1942 beleeft Jakob de Tweede Wereldoorlog overgeleverd aan de genade van de vijand, en wordt hij krijgsgevangene. Vanuit het perspectief van deze unknown force van Zuid-Afrikaanse soldaten schreef de Nederlandse Conny Braam de roman Wij zijn de wrekers over dit alles.

Een lange reis door Europa

In dit literair-historische boek beschrijft Braam hoe het Jakob Witbooi, Dirk Geldenhuys, Jantie Jafta, Job Moloi en andere fictieve leden van het Zuid-Afrikaanse leger vergaat bij hun deelname aan de Tweede Wereldoorlog. Witte, bruine en zwarte soldaten uit dit Native Military Corps worden geforceerd om als krijgsgevangenen een lange reis door Europa af te leggen – met de trein en te voet – vanuit Italië, door Oostenrijk en Tsjechië, naar Polen. Van de hitte en de hoop op heldhaftige vechtpartijen in de woestijn, gaat Braam over naar de verveling in een Italiaans krijgsgevangenkamp en de uitzichtloosheid van de dwangarbeiders in het koude werkkamp IG Farben in Auschwitz. Toch kan Jakob, in al deze ellende, nog verliefd worden op een Italiaanse partizane en later op een Mongoolse arbeidster die beter kan lassen dan eender welke man. Maar Braam beschrijft vooral veel wachten, vrezen, hongerlijden en afzien door hitte, koude, geweld en onderdrukking.

Zonder goede atlas is een mens stuurloos

Wij zijn de wrekers over dit alles toont hoe jongens en mannen van alle continenten tijdens de Tweede Wereldoorlog streden voor een betere toekomst. Sommigen kwamen naar Europa van ver: de Zuid-Afrikanen waren letterlijk meer dan 9.000 kilometer van huis om deel te nemen aan een strijd die eigenlijk niet de hunne was. Tegelijk koesterden ze de jeugdige en avontuurlijke hoop om op deze manier wat van de wereld te kunnen zien. ‘Zonder goede atlas is een mens stuurloos. […] Zonder kun je zomaar verloren raken in deze gevaarlijke wereld’, waarschuwt een Egyptische boekhandelaar Jakob Witbooi al in het eerste hoofdstuk. De Rand McNally World Atlas, ‘een tweedehandsje […] van de echtgenote van een Amerikaanse diplomaat’, die Jakob tegen een lage prijs van de man kan kopen, blijkt van onschatbare waarde: de kaarten helpen zowel de personages in Braams roman als de lezers om de gemaakte ‘wereldreis’ te volgen.

Een zekere voorkennis van geschiedenis en aardrijkskunde is dan ook onmisbaar om dit boek te begrijpen. Daarom had wat hulp lezers houvast kunnen bieden, in de vorm van een kaart met de gevolgde route met bezettingsgebieden bijvoorbeeld, een historische tijdlijn met de belangrijkste gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog, of een overzicht van alle legers en hun posities in de strijd. De roman start in Caïro op 15 juni 1942 en eindigt in Zuid-Afrika in 1948. Beide locaties wijken af van de perspectieven van waaruit in Europa de Tweede Wereldoorlog normaliter wordt belicht. Ook de demografische spreiding en gedetailleerde geschiedenis van Zuid-Afrika zullen niet bij alle Nederlandstalige lezers van de roman bekend zijn. Deze invalshoeken zorgen ervoor dat de roman voor velen interessant, informatief en vernieuwend zal zijn, maar ook bij vlagen verwarrend.

Racisme

Het is duidelijk dat Conny Braam begeesterd is door Zuid-Afrika en de antiapartheidsbeweging. Zij was in 1971 medeoprichter van de Nederlandse Anti-Apartheidsbeweging en was er jarenlang voorzitter van. Ze streed mee in het ondergrondse verzet tegen apartheid in Operatie Vula en debuteerde in 1992 met een gelijknamig boek hierover. Sindsdien schreef ze verscheidene fictie- en non-fictiewerken over Zuid-Afrika, waaronder De bokkeslachter (1993), Mandela op de koelkast (2006), Het beest van Kruger (2014) en Ik ben Hendrik Witbooi (2016). Braam heeft bijgevolg een uitgebreide kennis van de verschillende Zuid-Afrikaanse bevolkingsgroepen, hun geschiedenis en de onderlinge verhoudingen. Door het ontbreken van deze ruimere achtergrond was ik daarentegen tijdens het lezen aangewezen op de interpretatie van vermeldingen van verschillende personages, waardoor ik meermaals het internet moest raadplegen om niet verloren te geraken. Voor een lezer die bereid is om deze inspanning te leveren, kan de roman wel leiden tot verdiepte kennis over Zuid-Afrika en de Tweede Wereldoorlog. Daarenboven begon ik tijdens het lezen na te denken over mijn eigen houding en vooringenomenheid. Toen ik ontdekte dat het racisme van het thuisland, Zuid-Afrika, werd volgehouden in het Italiaanse krijgsgevangenenkamp, bleef dit beeld nog lang bij me nazinderen. Zwarte soldaten krijgen de slechtste plaats in het kamp, namelijk naast de latrines. In die barre oorlogsomstandigheden was er niet alleen de vijand om tegen te vechten, maar ook onder bondgenoten waren er betere en slechtere posities te onderscheiden.

Braam wil een volledig beeld schetsen van het Zuid-Afrikaanse leger met personages uit alle lagen van de bevolking, waardoor het mij niet altijd lukte om gestalte te geven aan die veelheid aan personages. Ze plaatste me als lezer daardoor in dezelfde positie als de Italiaanse commandanten in het krijgsgevangenenkamp:

Dankzij een totaal gebrek aan kennis van ’s lands zeden en gewoontes, om nog maar te zwijgen van historisch gegroeide gevoeligheden, hebben de Italianen in een zestal tenten de Zuid-Afrikaanse blanken gewoon bijeengezet. Veel Boeren, jongens uit dorpjes en van afgelegen boerderijen in de Transvaal, spreken alleen Afrikaans, wat tot irritatie leidt bij soldaten uit Zoeloeland, die op hun beurt uitsluitend Engels spreken. Het roept spanningen op.

Het is dan ook best confronterend dat ik er nog nooit bij had stilgestaan dat er bij groepen met dezelfde huidskleur ook een rangorde kan zijn. Ik had dus uit onwetendheid vast dezelfde racistische fout gemaakt als deze commandant. Dat is de kracht van deze roman: hij verruimde – en ontwrichtte – mijn wereldbeeld en perceptie van dit deel van de geschiedenis en maakte zo een grote indruk.

Een afstandelijke verteller

Inhoudelijk is Wij zijn de wrekers van dit alles dus een pittige uitdaging. Daar komt bij dat Braam kiest voor een auctorieel vertelstandpunt, wat ervoor zorgt dat er nooit vanuit Jakob Witbooi of de interessante personages Jantie Jafta of Dirk Geldenhuys wordt verteld. De keuze voor deze verteltechniek creëert afstand tussen de lezer en het verhaal en vereist doorzettingsvermogen en focus om het noorden niet kwijt te geraken in de eerste helft van de roman. Vanaf de aankomst in IG Farben, een werkkamp in Auschwitz, daarentegen, als de locatie dus niet meer snel wijzigt en het aantal personages confronterend genoeg letterlijk is afgenomen, kreeg ik meer grip op de roman. Vanaf het ogenblik dat Jakob Witbooi, een zwarte Zuid-Afrikaan, zijn identiteitsplaatje verwisselt met zijn witte Joodse vriend Moritz Rabinowitz, wordt de spanning danig verhoogd. Jakob stelt de wissel voor vanuit het idee dat hij nooit voor een Jood kan worden aangezien door zijn huidskleur en omdat de naam Jakob Witbooi zijn witte vriend kan helpen om niet als Jood ontdekt te worden. Als duidelijk wordt dat de route naar Auschwitz leidt, rijst de vraag of de Joodse Moritz buiten schot zal blijven en of Jakob met het Joodse identiteitsplaatje nu niet in gevaar komt. Kunnen ze beiden Auschwitz overleven?

Talige obstakels

Naast het vertelstandpunt vormt Braams’ Noord-Nederlandse schrijfstijl een belemmering voor een Vlaamse lezer als ik: die doet namelijk erg archaïsch en formeel aan en zorgt voor nog meer afstand. Een jongen is een ‘knul’, de soldaten zijn ‘aangeschoten’, wat al eens ‘hoongelach’ oplevert, een ‘uitgekookte Kaapse jongen’ kan iemand ‘een loer draaien’ en ‘Geldenhuys kan heg nog steg vinden’. De zinnen zijn bovendien vooral in het begin van het boek vrij kort en voelen staccato en schrijftalig aan. Daar komt nog bij dat het boek doorspekt is met Afrikaans, Italiaans en Duits, wat uiteraard authenticiteit creëert en voor levendigere personages zorgt, maar anderzijds het leesgemak en -tempo vermindert. Pas na tweehonderd pagina’s voelt het minder stroef aan en kan er meer ontspannen gelezen worden, zonder te veel talige obstakels. Of is deze ontwikkeling te verklaren door het feit dat het zo lang duurt voor ik aan deze schrijfstijl gewend was?

Wij zijn de wrekers over dit alles

De tweede helft van de roman slaagt er gelukkig wel in de hoopvolle boodschap van de auteur, om altijd door te blijven zetten en te strijden voor het goede, over te brengen en te benadrukken. Tijdens het lezen vroeg ik me af hoe het kan dat iemand bij zoveel fysieke en mentale uitdagingen, of beter gezegd ontberingen, toch nog hoop kan hebben en een ander boven zichzelf kan plaatsen. Jakob Witbooi en Dirk Geldenhuys blijven zich, elk op hun eigen heldhaftige manier, moedig verzetten tegen de Duitsers en dwingen zo respect af. Het bracht me tot deze reflectie: zou ik hetzelfde hebben gedaan of willen doen? Ik durf het niet zo stellig te bevestigen. Bestaan er echte helden? Zoals deze Nederlandse krijgsgevangene, Wolfie:

Hij draait zich naar Jakob en pakt hem bij de schouders. ‘Kijk naar ons tweeën: een kleurling en een Jood. We worden allebei als minderwaardig beschouwd, wij zijn allebei tot dwangarbeid veroordeeld. Daaruit kun je maar één conclusie trekken: wij hebben dezelfde vijanden, onze strijd is een gemeenschappelijke en daarom zeg ik je: Nee Jakob, niet God maar wij, wij samen, wij zijn de wrekers over dit alles!’

En zo komt het dat onderlinge verschillen tussen personages gelijkenissen blijken en Zuid-Afrikaanse soldaten de racistische hiërarchie vergeten. Dat maakt het des te hartverscheurender als de moedige overlevenden, die zo hebben afgezien, bij aankomst in Zuid-Afrika ontdekken dat er nog niets is veranderd. Voor de Zuid-Afrikaanse Duitsers blijft Jakob Witbooi ‘een inboorling, een ondergeschikte met wie je geen rekening hoeft te houden. Voor hen is hij nog steeds niemand.’ Gelukkig beschikt deze protagonist over een ijzersterk doorzettingsvermogen en blijkt hij bij aankomst in 1948 klaar te zijn voor de volgende strijd, tegen apartheid en voor gelijke rechten en vrijheid in Zuid-Afrika, want

er is altijd een reden om door te gaan. Ik kom uit de woestijn dus ik weet dat zelfs tijdens de meest uitzichtloze droogte altijd diep verborgen in het zand nog zaadjes overleven. Net als je denkt dat alle leven dood is, ontkiemt er zomaar eentje en dan ineens bloeit er ergens in die eindeloze dorre vlakte een bloem.

In dit verhaal over de Tweede Wereldoorlog zie ik een knipoog naar John McCraes gedicht ‘In Flanders Fields’ (1915) uit Wereldoorlog I, waarin ook het beeld wordt gebruikt van de klaproos die nog groeit in het verwoeste landschap. Zou dat zijn wat we leren uit alle oorlogsellende én uit dit boek? Het is in ieder geval wat mij vooral bijblijft na het lezen van Wij zijn de wrekers over dit alles: er is altijd hoop en een reden om door te gaan.

Deze recensie van Annelene Timmermans over Wij zijn de wrekers over dit alles van Conny Braam werd ondersteund door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV).

Atlas Contact, Amsterdam, 2020
ISBN 978 90 254 5163 9
384p.

Geplaatst op 07/03/2021

Tags: Annelene Timmermans, Conny Braam, nazisme, Zuid-Afrika

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.