Poëzie, Signalement

Gezichtsbedrog als eindbestemming

eindig de dag nooit met een vraag

Dorien de Wit

Een uitgesmeerd lichaam op Google Street View, de slijtage in iemands schoenzolen als spoor van hoe diegene loopt, heimwee zien in een handdoek die is opgerold in de vorm van een zwaan: het zijn slechts enkele messcherpe beelden die Dorien de Wit in haar poëziedebuut neerzet. In de gedichten uit eindig de dag nooit met een vraag is haar hoedanigheid als beeldend kunstenaar nooit veraf. De gedichten zouden net zo goed collages, installatiekunstwerken of videoperformances kunnen zijn. Ieder gedicht is uit eenzelfde materiaal gebeiteld: de beelden zijn welomlijnd maar nooit eenvormig en steeds intrigerend. Niet zelden valt het subject in die coherentie uiteen.

Het beitelen is in deze poëzie ook een verwoesting. De gedichten zijn te kenschetsen als registrerende poëzie, maar juist in die registrerende toon zit een grillige ontleding en bewerking van de werkelijkheid vervat. Destructie en analyse lopen in deze bundel ragfijn naast elkaar. Het lyrisch ik voert een diepgravend onderzoek uit en laat daarbij geen enkele vanzelfsprekendheid intact, in de hoop de werkelijkheid in haar geheel te vatten.

Ontologisch experiment

Om dat te bereiken, lijkt de scheiding van lichaam en geest een voorwaarde te zijn. Reeds in het openingsdicht ‘verschuivingen’ wordt de geest uit het lichaam geworpen:

door de schok verschoof ik in mijn lichaam

 

sindsdien is er iets veranderd

zitten mijn ogen op de verkeerde plek

besta ik niet meer recht achter mijn gezicht 

Pas wanneer ratio naast lichaam zweeft, lijkt nauwkeurige observatie mogelijk. Het ik lijkt voorbij het kenbare te willen treden. Op die manier zijn deze gedichten dwingend ontologisch en nooit sluitend. Die onuitputtelijkheid wordt verbeeld in de horizon die een centraal motief vormt in deze bundel. Het eerste deel draagt de ondertitel ‘je moet weten waar je horizon is’ en behelst daarmee de centrale contradictie van deze bundel: hoe kun je iets lokaliseren dat in feite geen locatie heeft? Dat beeld keert dan ook geregeld terug en het lyrisch subject tracht de kennis van die horizon voortdurend te manipuleren door hem te verschuiven, bijvoorbeeld door ‘een kamer [te] bouwen zo groot dat de horizon binnen de kamer ligt’. Op die manier speelt De Wit met de lijn die vanop een afstand op een begrenzing lijkt, maar eens je nadert alleen maar meer eindeloosheid prijsgeeft. De Wit drijft die eindeloosheid nog verder door. Bij ieder schijnbaar einde dient zich een nieuw beginpunt aan en eens je begonnen bent die verwijspunten te zien, kun je niet meer ophouden en kun je ze ook niet meer ont-zien:

de wereld groeit sneller dan ik lijnen kan trekken

uit elke nerf ontspringen nieuwe nerven

hoe beter je kijkt hoe meer erin past

De rizomatische structuur die in deze regels verbeeld wordt, wordt in de bundel alleen maar verder doorgedreven. Het lyrisch ik wil ‘een plattegrond van desoriëntatie tekenen’ en probeert met een soms kinderlijk regelsysteem te ordenen wat geen regelmaat kent, zoals ‘het helpt om kleurpotloden op volgorde te leggen’. Zo poogt het ik het ‘heelal kleiner [te] maken’, landschappen in lijnen onder te brengen en te ‘[landen] in een lichaam / dat van mij is’ om op die manier de controle te houden over een wereld waar wegen door elkaar heen krioelen.

De geschiedenis veranderen

Die ordening mondt bij momenten uit in een manipulatie van de werkelijkheid via pseudorealiteiten zoals het internet en de droom: ‘is het niet vreemd dat je in een droom / gehoorzaamt aan wetten waarvan je weet / dat ze niet waar zijn?’, bedenkt het ik zich in het eerste deel van de bundel. In deze parallelle werelden is kennis, juist omwille van die mogelijkheid tot manipulatie, meer binnen bereik. Dat wordt treffend verbeeld in de vier gedichten die vergezeld worden door een link naar een specifieke locatie op Google Maps: ‘wilde de verte zien waar ik zelf nooit in voorkom’, schrijft De Wit over een digitale reis naar de Zuidkaap. Op internet kan het ik zichzelf naar iedere locatie katapulteren, kan een draai aan het kompas ‘het landschap [doen kantelen]’ en lijkt het eenvoudiger een ‘land op een grens te betrappen’. Ook zijn de verschuivingen enkel in deze pseudorealiteiten omkeerbaar en dat biedt troost:

als ik niet kan slapen

kijk ik op YouTube naar filmpjes van gebouwen die worden opgeblazen

eerst een stofwolk

dan zakt het gebouw in de grond

in mijn hoofd speel ik ze achterstevoren af

zodat ze weer opstaan

De Wit geeft de kracht van een beeld op die manier vrij spel, ook in de wezenlijke realiteit: ‘water kan mijn lichaam breken’, staat er reeds in het openingsdicht te lezen.  Zodoende maakt de dichter ieder gezichtsbedrog levensvatbaar. Echt en onecht worden voortdurend verstrooid, ieder gedicht is een ontologisch experiment. De kenbaarheid ligt vooral in de daad van het ontleden, niet in het eindresultaat. De poëzie van De Wit laat nauwelijks iets overeind: iedere ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid – of ieder obvious fact, zoals het motto van Sherlock Holmes stelt – wordt zonder mededogen omvergeworpen. In het gedicht ‘plannen maken (tijdens het wachten op een reparatie van een gebroken bovenleiding)’ lijkt De Wit haar intenties duidelijk te maken, ze wil

de geschiedenis veranderen

[…]

de aarde in omgekeerde volgorde terugstorten

archeologen zullen het verleden opnieuw moeten duiden

Zelfonteigening

De ontleding en manipulatie strekken zich eveneens uit over het lichaam van het dichterlijk ik. In het derde deel van de bundel zijn die lichamelijke ontledingen zelfs medisch. In een reeks van acht gedichten die de titel ‘operaties’ draagt en waarvan ieder afzonderlijk gedicht met een lemniscaat getiteld is, ligt het lyrisch subject op een operatietafel: adem wordt uit een keel gehaald en ‘een man in een witte jas grijpt met een tang diep in [de] schedel’ van het lyrisch ik.

De zelfvervreemding die in het openingsdicht gepresenteerd werd door het dualisme van lichaam en geest wordt ook in de rest van de bundel op de spits gedreven. Geregeld treedt het ik buiten het eigen lichaam en verliest daarmee ook steeds opnieuw de eigen kernidentiteit, zoals in het gedicht ‘nachtlichaam’:

ik wil thuiskomen in mijn lichaam

zoals anderen er thuiskomen

 

maar mijn huid verbergt weefsels en organen

zolang ik ze niet kan zien of aanraken

besta ik uit vreemde plekken

Het lyrisch ik wil niet enkel de horizon van de werkelijkheid duiden, maar ook die van het lichaam en bijgevolg van de eigen identiteit. Daarin geldt dat wat niet waarneembaar is ook niet bestaat: ‘er blijft niets van me over behalve mijn contouren als slachtoffertekening op straat’, stelt het ik in een van de lemniscaat-gedichten waarin een blinde met een stok een lijn rond diens lichaam tekent. In de bundel blijft het ik zichzelf onteigenen. En die onteigening is soms zo eenvoudig als verdwijnen in een kopie van zichzelf:

later besloot ik zelf een vreemde te worden

en ontdekte

hoe langer ik langs de grachten wandel

hoe vaker ik verschijn als onbekende

op vakantiefoto’s in verre landen

Het hervinden van die eigenheid is soms net zo simpel, zoals in het gedicht ‘antilichaam’: ‘ik bijt een velletje van mijn lichaam / slik het door’. In het laatste deel van de bundel wordt glashelder dat de ontologie die in eindig de dag nooit met een vraag gepresenteerd wordt, vooral leidt tot hoe het ik zichzelf kan doorgronden: ‘hoe kun je samenvallen met je lichaam / als je nooit de binnenkant bereikt’? In het slotdicht ‘pasvorm’ googelt het lyrisch ik naar Google, ‘niet om ergens achter te komen maar om het systeem te dwingen / over zichzelf te denken’.

Een eindconclusie wordt met die waarnemingen echter nooit bereikt. Het subject berust in pogingen en steeds opnieuw neemt de (zelf)vervreemding de bovenhand. In feite eindigt de dag in de poëzie van Dorien de Wit nooit écht en als een rizoom biedt ieder nieuw schijnbaar antwoord weer een nieuwe vraag.

Een signalement over eindig de dag nooit met een vraag van Dorien de Wit door Elsbet De Pauw.

Arbeiderspers, Amsterdam, 2021
ISBN 978 90 295 41961
80p.

Geplaatst op 29/11/2021

Tags: 'Poëzie'

Categorie: Poëzie, Signalement

Reacties

  1. Erik de Smedt

    Mooie bespreking van een bundel die me heel benieuwd maakt. Alleen vraag ik me af, op basis van wat ik hier (ook aan citaten) lees, waarom de term ‘ontologisch’ experiment wordt gebruikt. Misschien ben ik nog onder de invloed van Dorien de Wits recente boekje met verhalende essays ‘In het echt’. Daarin haalt ze juist elke absolute scheiding van wezen en schijn, echt en nep onderuit. En wordt fixeerbare identiteit sterk gekoppeld aan wisselende gemoedstoestanden, waarnemingen, situaties. ‘De daad van het ontleden’, de waarneming die telkens weer afhankelijk blijkt van het subject, ‘een eindconclusie wordt met die waarnemingen nooit bereikt’… Gaat het dan niet veeleer om een epistemologisch dan om een ontologisch experiment?

    PS In de op twee na laatste alinea staat ‘waarneemwaar’: een tikfout voor ‘waarneembaar’?

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.