Proza, Recensies

Elckerlyk in Afrika

Trofee

Gaea Schoeters

Als je als witte auteur anno 2021 dan toch per se over Afrika wil schrijven, doe dat dan meteen vanuit het meest problematische perspectief, zal Gaea Schoeters (1976) hebben gedacht toen ze het hoofdpersonage uit haar roman Trofee, een jager op groot wild, Hunter White noemde. Zijn naam en zijn beroep vallen samen. Nomen est omen. Hij is wat zijn naam zegt. Hunter White is een witte jager. Dat maakt hem onmiddellijk tot een allegorische figuur. En het wijst meteen ook aan hoe deze roman gelezen kan worden.

 

Duister hart

Een snelle blik op de titels van de zes hoofdstukken – ‘De jager’, ‘Het jagen’, ‘De jacht’, Het doden, ‘De dood’, ‘De doden’ – maakt al duidelijk dat het Schoeters niet in de eerste plaats te doen is om een brede epische vertelling en al evenmin om het loutere verhaal van een individuele psychologie. Het aantal personages is beperkt en de verhaallijn minimaal: jagen en doden, over die twee handelingen gaat de roman. We volgen weliswaar de gedachtegang en vooral de emotionele en zintuiglijke beleving van Hunter White op de voet, maar hij representeert minder een psychologie, dan wel een ideologie die culmineert in die twee handelingen: jagen en doden. Het klopt niet helemaal dat we alleen het perspectief van Hunter krijgen. Het korte inleidende hoofdstuk en het even korte laatste hoofdstuk – een soort van kader – zijn geschreven vanuit het perspectief van de Afrikaanse jongen Dawid, die met het vliegtuig landt en voor het eerst voet op witte bodem zet. Hoe zijn komst naar het Westen onlosmakelijk en fataal verbonden is met het lot van Hunter White, is het donkere hart van de vertelling.

De jacht op groot wild maakt integraal deel uit van de westerse verbeelding van Afrika en is verbonden met het verlangen naar een confrontatie met risico, gevaar en dood. Het is de zoektocht naar een ongeschonden oertoestand, naar een primitieve elementaire levenservaring die nog niet door de beschaving is vertekend. De Spaanse filosoof José Ortega Y Gasset schreef over dit verlangen van de moderne mens: ‘De mens kan de Natuur niet weer binnengaan, tenzij hij tijdelijk in ere herstelt, wat hij nog van het dier in zich heeft. Dit kan hij dan weer alleen bereiken door zich in relatie tot een ander dier te brengen, het wilde dier. De relatie daarmee is het jagen, een nabootsing van het dier.’

De naam van haar hoofdpersonage ontleende Schoeters aan de historische figuur John Alexander Hunter (1887–1963) en inspiratie voor haar roman vond ze ongetwijfeld in diens boeken. J.A. Hunter was een Schot die als professionele jager, gids en opzichter voor onder meer de Keniaanse overheid werkte. Hij zou in officiële dienst niet minder dan 1400 olifanten en meer dan 1000 leeuwen hebben geschoten om gebieden vrij te maken voor nieuwe nederzettingen. Op latere leeftijd begon hij zich zorgen te maken over het uitsterven van bepaalde diersoorten en werd hij een pleitbezorger voor reservaten. Hij publiceerde een aantal boeken over zijn avonturen als jager, waaronder White Hunter (1938), zijn autobiografie Hunter (1952), African Bush Adventures (1954) en Hunter’s Tracks (1957). Die boeken getuigen zowel van een koloniale attitude als van een groot respect voor de lokale bevolking. Een dergelijke houding kenmerkt ook het hoofdpersonage van Trofee. J.A. Hunter duikt in Schoeters’ roman zelf op, als jachtgezel van de grootvader van Hunter White. De schrijfster heeft zich technisch in de materie ingelezen en een verhaal geschreven volgens de wetten van de spanning, al is Trofee vooral meer dan een neokoloniaal jachtverhaal. 

Schoeters heeft haar roman expliciet in een literair spoor geschreven. Ernest Hemingway, fervent jager, wordt vermeld en geciteerd. En misschien waart ook de geest van Jef Geeraerts in het boek rond, zij het niet de Geeraerts van Black Venus (1968) – de erotiek speelt nauwelijks een rol in Schoeters’ roman – maar die van het in 1981 verschenen Jagen, waarin hij twee (autobiografische) jachtverhalen samenbrengt en er de hoger geciteerde uitspraak van Ortega Y Gasset als motto aan vooraf laat gaan. Maar het belangrijkste literaire spoor is dat van Heart of Darkness (1902) van Joseph Conrad, een roman die onontkoombaar is wanneer het om de relatie tussen Afrika en Europa gaat. De reis naar de ’donkere binnenlanden’ van Afrika wordt een reis naar de donkerste binnenkant van de menselijke geest. Die verinnerlijking van de zoektocht is ook cruciaal voor de dynamiek van Trofee. Conrads roman werd door de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe bekritiseerd omwille van zijn stereotiepe koloniale representatie van Afrika en de Afrikaan, maar werd door Edward Said geprezen als een aanklacht tegen kolonialisme en imperialisme. Heart of Darkness is een tweede leven gaan leiden omdat de roman de basis vormde van het scenario voor de film Apocalypse Now (1979), Francis Ford Coppola’s herlezing van Heart of Darkness in de context van de Vietnamoorlog. En ook die film duikt op in Trofee. Schoeters brengt de beroemde openingsscène waarin het hoofdpersonage, de Amerikaanse kapitein Willard, bezweet en dronken in zijn hotelkamer op bed ligt en naar de roterende ventilator boven zijn hoofd kijkt, terug naar Afrika: ‘Slag na slag snijdt de ventilator, als een dolgedraaide machete, de hitte aan flarden. Hunter ligt op zijn rug naar de rondtollende houten schroefbladen te kijken, terwijl hij intussen grip probeert te krijgen op zijn gedachten.’ Net zoals de roman van Conrad en de film van Coppola is Trofee een confrontatie van het hoofdpersonage met zichzelf en misschien meer nog – zeker in de ogen van de kritische lezer – met het systeem waarvan hij een (onbewuste) vertegenwoordiger is.

 

‘The big five’

Trofee speelt zich af in een niet nader genoemd Afrikaans land. De expliciete verwijzing naar de Ngorongorokrater, een ingestorte vulkaankegel waar bijna alle grote dieren leven, doet meer dan vermoeden dat het om Tanzania gaat. Hunter stamt uit een geslacht van jagers op groot wild. Herinneringen aan zijn vader en vooral aan zijn grootvader begeleiden hem op zijn jachttocht. In het eerste deel van de roman is Hunter White samen met beroepsjager en gids Van Heeren – evenmin een neutrale naam – op jacht naar de laatste van ‘the big five’, de vijf grote dieren die op het lijstje staan van iedere jager op groot wild: de leeuw, het luipaard, de olifant, de buffel en de neushoorn. Vier ervan heeft Hunter al neergeschoten en als trofee laten opzetten. Niet zozeer voor zichzelf – zijn interesse geldt alleen het jagen zelf – maar voor zijn vrouw die van verzamelen houdt. Een aantal bekende topics uit de Afrika-literatuur duiken op. Hunter heeft een gevoel van vervreemding in Afrika, het gevoel een ‘exoot’ te zijn, en er in vergelijking met de lokale trackers niet bij te horen. Pas in zijn confrontatie met groot wild, met het risico en met de dreiging van de dood valt Hunter samen met zichzelf en voelt hij zich levend. Hij beschouwt de jacht als een lotsbestemming.

Schoeters verbindt het jagen in Afrika ook met een bredere maatschappelijke,  economische en politieke context. Trofee is meer dan alleen maar een boek over jagen, over de spanning en de risico’s die daarmee gepaard gaan. Het is vooral een soort fabel – en daar zit zijn kracht én bestaansreden – over hoe die jacht op groot wild anno 2021 mogelijk gemaakt wordt en welke prijs daarvoor betaald wordt, letterlijk door witte jagers maar ook figuurlijk door de lokale bevolking en door de natuur zelf. In het dagelijkse leven is Hunter een speculant: ‘Hunter houdt van zijn job, precies om dezelfde reden dat hij van de jacht houdt. Wat hem aantrekt, is niet de winst, maar de kick van het risico: in de huidige, overbeschaafde wereld is de beurs een van de laatste branches, op georganiseerde misdaad na, waarin branie nog daadwerkelijk wordt beloond. […] Wat hij koopt, laat hem koud; dat hij het te pakken krijgt, voor zijn concurrenten, is het enige wat telt. Diezelfde drang drijft hem tijdens het jagen: niet het verlangen naar de prooi, maar naar het doden zelf.’ Speculatie, jacht en georganiseerde misdaad worden niet mis te verstaan op hetzelfde niveau geplaatst. Met het geld dat hij met speculeren verdient, koopt Hunter stukken wilde, ongerepte natuur die hij onaangeroerd wil laten: ‘Wat hem drijft is niet speculatie, maar conservatie. Het veiligstellen van de wereld voor de beschaving.’ Wanneer hij naar twee jonge zwarte jagers kijkt, heeft Hunter ‘het gevoel te kijken naar een tafereel uit een andere tijd, naar een verleden, dat hij is vergeten, maar dat zijn lichaam zich herinnert; het voelt de spanning van hun spieren, het stuwen van hun bloed.’

Ondanks zijn fascinatie voor een wilde en ongerepte natuur, benadert Hunter ook het jagen door een economische en pragmatische matrix. Hij kent alleen wat hij moet weten om zo efficiënt mogelijk te jagen. Voor al de rest hangt hij volledig af van de lokale trackers: ‘Hunter zweert al zijn hele leven lang bij selectieve kennis. Specialisatie. Ballast vermijden zorgt ervoor dat je het overzicht behoudt, en maakt maximale hersencapaciteit vrij voor de allerkleinste details van wat wel van belang is.  Zijn kennis over deze regio beperkte zich tot een gedetailleerd begrip van de internationale jacht-, wapen- en trofeewetgeving, een meer dan degelijke kennis van het terrein en de flora en een obsessieve detailkennis van wapens en wild. […] Politiek interesseerde hem alleen in de vorm van de juiste connecties voor het verkrijgen van exclusieve vergunningen.’ Hunters omgang met Afrika staat daarmee haaks op het ideaal dat hij nastreeft. Enerzijds is er zijn verlangen naar een authentiek, traditioneel en primitief Afrika, anderzijds bestaat dat Afrika alleen door de interventie van witte fantasieën en heel veel wit geld. Hunter wil Afrika behouden zoals het in zijn verbeelding bestaat. De jacht in zijn verschillende fases – het kiezen van de prooi, het opsporen ervan, het opjagen, het traceren, het doden en ten slotte het opzetten tot trofee – wordt een metafoor voor de westerse omgang met het Afrikaanse continent. Het is een proces van vervreemding en reïficatie: het reduceren, doden en tot object maken als een beeld van zowel economische als fantasmagorische toe-eigening van de ander.

De jacht neemt voor Hunter een andere wending wanneer hij van Van Heeren over de ‘big six’ hoort: geen dierenjacht, maar een mensenjacht! Een jacht op een jongen van een plaatselijke stam. Al kan je misschien beter van een ‘verheviging’ van het verhaal dan van een  ‘wending’ spreken. Voor Hunter lijkt plots alles samen te vallen. Op het moment dat hij zich realiseert welke mogelijkheid zich aandient, voelt hij zich ‘alsof zijn contouren zijn opgelost in het hem omringende donker en hij deel uitmaakt van een oude, primitieve wereldorde waarin elk roofdier op zijn beurt de prooi is van een andere, sterkere jager, die zelf ook weer bejaagd wordt; een eindeloze, doorgaande stroom van energie, waarin het einde van het ene leven het begin vormt van het volgende, en sterven zich niet langer onderscheidt van geboren worden. Iets groters, iets hogers, een mystiek, natuurlijk evenwicht waarin het individu oplost in het al.’ Het idee alleen al van het opjagen en doden van een zwarte jongen brengt Hunter in een mystieke extase waarin hij een perverse moord verheerlijkt als deelname aan de kosmische energie. Het cynisme en de perversie worden helemaal duidelijk wanneer Van Heeren zegt dat hij een deel van het enorme bedrag dat hij voor die zeer exclusieve jacht vraagt – 500.000 in een niet nader genoemde munt – zal gebruiken voor een medische veldpost en voor studiebeurzen om de beste jongeren naar het buitenland te laten gaan: ‘het zal je wellicht verbazen, maar het zijn goede studenten. De ouden staan erop dat de jongeren de traditionele jachtmethodes leren, maar ze zijn niet tegen vooruitgang – of wat we daaronder verstaan. Ze beseffen maar al te goed dat scholing belangrijk is. Ook voor de gemeenschap.’ Het is meer dan tekenend dat Hunter pas over het land en de bevolking begint te lezen wanneer hij weet dat hij op een van de jongens gaat jagen. Kennis als instrument van macht en macht als de soevereine beslissing over leven en dood. Daarmee is een basisattitude van de westerse epistemologie en de westerse politiek bondig omschreven. Omgekeerd moet de Afrikaanse stam een offer brengen om toegang te krijgen tot kennis. Zelfs achter de humanitaire hulp – een van de totems van de moderne westerse beschaving – gaat een pervers geweld schuil.

Hunter kan de verleiding niet weerstaan en met de hulp van Dawid gaat hij op jacht naar diens vriend !Nqate. Beiden behoren tot een lokale stam. Alle drie weten ze wat er op het spel staat: contractuele moord voor het goede doel. Met het geld dat Hunter neerlegt, zal Dawid in het buitenland kunnen gaan studeren. !Nqate offert zich letterlijk voor zijn vriend op: ‘En in zijn land zal je studeren, want jij bent een jongen met een snel hoofd, en je spreekt hun taal en kent hun gewoonten, en jij zal worden zoals zij, even machtig, even rijk. En dan zal je terugkeren en hen bestrijden met hun eigen wapens. En ons land zal weer ons land zijn. Maar eerst moet ik sterven, want geen enkel verhaal heeft een einde als het geen begin heeft, en mijn einde is het begin van een nieuw begin.’ !Nqate zegt dit niet echt. Zo spreekt hij in Hunters hallucinaties na een dodelijke schorpioenenbeet. Is het Hunters schuldgevoel dat spreekt en Dawid oproept om wraak te plegen? Of is het Hunters gefantaseerde rechtvaardiging voor zijn moord?

 

Themapark

In het beschrijven van de jacht blijft Schoeters dicht bij de zintuiglijke percepties, de lichamelijke ervaringen en de emotionele reacties van Hunter. Spanning, schrik, wantrouwen en opwinding wisselen elkaar af. Het Afrikaanse landschap wordt langzaam een innerlijk landschap en de jacht een afdaling in de duisternis, de angsten, de herinneringen en de trauma’s van de hoofdfiguur. Hunter slaagt erin !Nqate te raken maar komt er niet toe hem te doden. Dat doet uiteindelijk Dawid. Als er geen dood lichaam is, komt er immers ook geen geld! Dawid sleept de dode !Nqate en de door schorpioenengif verlamde Hunter naast elkaar op een draagberrie naar het kamp: stervende jager en dode prooi van een uitzinnige jacht die elkaar in de ogen kijken. Een sterke scène.

Zoals hoger aangegeven, eindigt het verhaal met Dawid die naar het Westen reist op het vliegtuig dat ook het dode lichaam van Hunter naar zijn vrouw terugbrengt. Maar naast het lichaam van Hunter krijgt ze nog een tweede kist overhandigd waarin ze verbijsterd de trofee van de laatste jacht van haar man aantreft: het opgezette lichaam van  !Nqate! Het is een ontluisterend eindbeeld, maar volledig consequent met de vertelling. Het deed me even denken aan de theatermonoloog De nacht van de brandende apen (1989) van Tone Brulin waarin het hoofdpersonage, dat in de Antwerpse Zoo werkt, in de kelders van de dierentuin een opgezette Afrikaanse jongen ontdekt. Het meest schokkende beeld van toe-eigening, reïficatie en mortificatie van de ander!

Trofee is op een eerste niveau een mythisch verhaal over leven en dood, over jager en prooi, over geweld en offer. Maar die mythe zit onder de stolp van een perverse internationale regelgeving die mensenjacht door witte jagers in Afrika koppelt aan economische winst en humanitaire hulp. Met de combinatie van een traditioneel spannend jachtverhaal, literaire referenties en de context van een perverse economische logica, haalt Schoeters de witte blik onderuit waarvoor Afrika een themapark is voor fantasieën over primitieve wildheid, economische winst en humanitaire sublimatie. Gaea Schoeters heeft met Trofee een onthutsende, cynische en kritische eigentijdse Afrika-fabel over het neokolonialisme geschreven.

Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2020
ISBN 978 90 214 23883
224p.

Geplaatst op 09/09/2021

Tags: Afrika, Francis Ford Coppola, Gaea Schoeters, Heart of Darkness, Jacht, Jef Geeraerts, John Alexander Hunter, Joseph Conrad, kolonialisme, Trofee

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.