Essays

Sociale verbloemingen. Vertellingen van klasse en identiteit

Begin dit jaar verscheen de Nederlandse vertaling van Shuggie Bain (2020), waarin de Schotse schrijver Douglas Stuart vertelt over het opgroeien in een arbeidersmilieu van Glasgow in de jaren tachtig. Autobiografie, roman, memoir of non-fictie: het werk is moeilijk te categoriseren. Die open genre-indeling stelt Shuggie Bain dan ook in staat een verrijkende vertelling van klasse te geven, waarbij inhoud en vorm op elkaar inhaken. Stuart is uiteraard niet de eerste schrijver die de mogelijkheden van de literatuur aangrijpt om een ervaring van klasse door te geven, maar het is wel opvallend dat steeds meer auteurs hiervoor lijken te kiezen. De afgelopen jaren gingen anderen Stuart voor. Een aantal van die teksten zal ik hier bespreken met een focus op klasse en genre: het Tea Party-onderzoek Strangers in their Own Land (2016) van de Amerikaanse socioloog Arlie Russell Hochschild; het themanummer ‘Onderklasse’ (2018) van De Gids; het ‘autobiografische essay’ Terug naar Reims (2015) en de vertaling van Retour à Reims (2009) van de Franse socioloog Didier Eribon; de ‘memoir’ Hillbilly Elegy (2016) van de Amerikaanse auteur J.D. Vance; en de roman NW (2012) van de Britse schrijver Zadie Smith. Deze werken wekken stuk voor stuk vragen op als: hoe kunnen we ons inleven in de ervaringen van mensen die deel uitmaken van een andere sociale klasse dan wijzelf? En wat kan je als schrijver vertellen over een klasse waaruit je afkomstig bent, maar waarvan je gevoelsmatig geen deel (meer) uitmaakt?

Literaire werken zijn met voorstellingsvermogen geschreven en vragen ook van de lezer empathie en begrip: zo zouden we ons kunnen inleven in de klassenervaring. Maar zoals modern letterkundige Saskia Pieterse in een recent opiniestuk aankaart, maakt enkel het uiten van dit voorstellingsvermogen ‘nog geen gelijkheid’. Daarbij rijst ook de vraag hoe schrijvers met hun verbeeldingskracht omgaan: is er een verschil tussen het spreken vanuit een bepaalde klasse en het spreken over een klasse? Vooral als het over de arbeidersklasse gaat, blijkt het schrijven over dit onderwerp steeds opnieuw uiterst precair. Want op welke manier kan iemand een waarheidsgetrouw beeld schetsen van klasse en identiteit?

Los van de literatuur lijkt het bespreken van klassenverhoudingen al enige tijd onder de maatschappelijke oppervlakte te broeien; vooral de mate waarin klasse een onderdeel is van ieders identiteit. De Amerikaanse criticus Paul Heideman schrijft daarover: ‘class refers to an entire structure that imposes very specific logics of action on people in society’. Je zou kunnen zeggen dat die beperkte, sociale bewegingsvrijheid ook centraal staat bij recente identiteitspolitieke stromingen: de debatten rondom bijvoorbeeld Black Lives Matter, feminisme en andere emancipatiebewegingen willen de onderdrukking van bepaalde maatschappelijke groepen belichten. Wat is er dan zo anders aan klasse als nóg een vorm van identiteit?

Een liberale kritiek op de identiteitspolitieke bewegingen die het belang van bijvoorbeeld etnische achtergronden en seksuele gerichtheden voorop willen stellen, luidt dat het individu teniet zou worden gedaan. Vanuit linkse hoek is de kritiek op deze identiteitspolitiek vaak louter gericht op het klassenconflict: door identitaire bewegingen voorop te stellen, zou juist de economische machtsverdeling minder aandacht krijgen. Heideman stelt een socialistisch alternatief voor: juist alle ongelijkheden die in recente identiteitspolitieke bewegingen centraal staan, bevatten volgens hem een aspect van klasse: als je deze facetten niet in samenhang bespreekt, blijven de andere ongelijkheden feitelijk in stand. In plaats van een economisch begrip van klasse, moeten we dus focussen op het sociale weefsel. Heideman benadrukt daarbij dat de socialistische klassenpolitiek niet oproept om de huidige identiteitspolitieke bewegingen te vervangen, maar juist dat de samenhang van klasse en identiteit aan de kaak gesteld moet worden. Toch zal er weinig beweging blijven in dit klassendebat, als de kritische aandacht voor klasse als ijkpunt niet wordt vervolgd. Daarom denk ik dat het gebruik van literatuur als realiteitsbespiegeling kan helpen om het klassendebat voort te zetten.

Eigenlijk kunnen we werken zoals die van Hochschild, Eribon, Vance en Smith het beste als literaire journalistiek lezen: journalistiek waarbij een romanvormgeving wordt gebruikt om verborgen waarheden te onthullen. Deze vorm van literaire verslaggeving is niet nieuw: in zijn stuk over ‘elastische reportages’ geeft de Amerikaanse communicatiegeleerde John C. Hartsock aan dat zo’n literatuurvorm al in de vroege twintigste eeuw werd gebruikt. Het doel van deze auteurs was om de toestanden van de werkende klasse te verlichten en om aan een socialistische samenleving vorm te geven. Destijds nam het aantal arbeidersschrijvers toe en werd de ‘objectieve’ journalistiek van de bourgeoisie gewantrouwd: het literaire verslaggeven werd daarmee een nieuw medium, waarmee met inlevingsvermogen kon worden geschreven.

De auteurs van de geselecteerde werken uiten via verschillende genres – die je op een glijdende schaal zou kunnen plaatsen tussen onderzoek, essay, autobiografie en roman – hun objectiviteit en subjectiviteit. Sommigen gebruiken voetnoten en referenties, halen onderzoeken aan, maar schrijven tegelijkertijd vanuit hun eigen waarneming. Voortbordurend op de vraag hoe het gebruik van verschillende genres de klassenproblematiek belicht, vraag ik mij af: hoe kunnen feit en fictie samen het realiteitsbesef over klasse vormgeven?

De paradox van een stem

In de (populair)wetenschappelijke studie Strangers in their Own Land doet Arlie Russell Hochschild onderzoek naar stemgedrag en sociaal gedrag in de Verenigde Staten. Daarvoor interviewde ze mensen uit de Amerikaanse arbeidersklasse die deel uitmaken van de Tea Party-beweging, een conservatief-rechtse groep binnen de Republikeinse partij. In het boek zijn die interviews opgenomen, voorzien van historische context en persoonlijke reflecties uit de middenklasse waartoe ze zichzelf rekent. Zo vertelt Hochschild over Mike Schaff, die persoonlijk de harde gevolgen van milieuvervuiling meemaakte toen een verdwijngat zijn woonomgeving opslokte. Naast zulke bodemuitputting door landbouw, kaart Hochschild wel meer problemen aan – zoals gezondheidsproblemen door luchtvervuiling – waar de overheid invloed op kan uitoefenen. Toch willen de Tea Party-leden juist minder overheidsbemoeienis. Hoe kun je deze schijnbare tegenstelling verklaren? Hochschild vraagt het zich af: ‘How could he be both near tears to recall his lost home and also call for a world stripped of most government beyond the military and hurricane relief?’ Om door zo’n paradox heen te kunnen kijken, zoekt ze naar het ware, onderliggende ervaringsverslag van deze mensen, dat vertroebeld is geraakt door de negatieve stereotypering van de arbeidersklasse.

Zo komt Hochschild tot een gedachte-experiment: een lange rij mensen staat te wachten op het uitkomen van de Amerikaanse droom van sociale mobiliteit. Sommige mensen lijken ‘voor te dringen’ in de rij volgens andere wachtenden: een immigrant bijvoorbeeld, of iemand van een niet-heteroseksuele geaardheid. Degenen met lege zakken vragen zich af: wie laat die andere wachtenden voor? Met dit beeld lijkt Hochschild na te willen denken over de spanning tussen identiteitspolitieke bewegingen en de arbeidersklasse: voor die laatste is er weinig vertrouwen in de overheid als sociaaleconomische hulpbron.

In the undeclared class war, expressed through the weary, aggravating, and ultimately enraging wait for the American Dream, those I came to know developed a visceral hate for the ‘ally’ of the enemy – the federal government. They hated other people for needing it. They rejected their own need of it – even to help clean the pollution in their backyard.

J.D. Vance en zijn familie stonden ook in die rij. Hij werd jongvolwassen in de jaren negentig in de Amerikaanse Appalachen, die berucht is vanwege allerlei negatieve stereotypen: de streek zou wit, racistisch en arm zijn. Hoe dan ook kon Vance, na lang te hebben gespaard terwijl hij in het leger zat, rechten gaan studeren aan het prestigieuze Yale, en is hij tegenwoordig investeerder. In zijn memoir Hillbilly Elegy omschrijft Vance zijn behoudende visie op de klasse waar hij ooit deel van was; hij eist het recht om kritisch te mogen zijn, omdat hij de onderliggende emoties van het klassenconflict zou kennen.

In zijn verhaal ontstaan daardoor veel tegenstellingen. Hij schrijft bijvoorbeeld dat ‘zijn’ klasse niet racistisch was bij de aanstelling van president Obama, maar dat het voorbehoud bij Obama met sociale normen te maken had:

Nothing about him bears any resemblance to the people I admired growing up: His accent – clean, perfect, neutral – is foreign; his credentials are so impressive that they’re frightening […]. Obama strikes at the heart of our deepest insecurities. He is a good father while many of us aren’t. He wears suits to his job while we wear overalls, if we’re lucky enough to have a job at all. His wife tells us that we shouldn’t be feeding our children certain foods, and we hate her for it – not because we think she’s wrong but because we know she’s right.

Deze uitspraken getuigen van een machteloosheid: dat de arbeidersklasse geen binding voelt met de eerste zwarte president is geen uiting van racisme, maar wijst op een sociaaleconomisch verschil. Je zou dus kunnen zeggen dat Vance de aannames over mensen uit de Appalachen wil ontkrachten, uitleggen of nuanceren. Toch drukt hij elders juist wel een bepaald stereotype uit: hij herhaalt de welbekende verhalen over agressiviteit, afhankelijkheid van drank en drugs, continu veranderende familiesamenstellingen en de ‘luiheid’ van sommige mensen die het inkomen nauwelijks bij elkaar te lijken willen scharrelen. Wat wil Vance nu dat we hier als lezer uit meenemen?

In de inleiding vertelt Vance dat hij zich weliswaar baseert op zorgvuldig sociologisch en psychologisch onderzoek, maar dat zijn verslag tegelijkertijd als een persoonlijk verhaal gelezen moeten worden. Hochschild bakent die genrespanning duidelijker af: ze redeneert vanuit haar voorstellingsvermogen, om tot een open en eerlijk gesprek te komen over de sociale waarden van mensen met verschillende klassenachtergronden. Bij Vance is die logica zoek, wat tot veel kritiek leidde en waarover zelfs een polemiek ontstond. Het lijkt namelijk alsof hij zijn succesvolle klassenmigratie gebruikt als bewijsstuk dat ‘het kan’ – dat er ‘goed’ en ‘fout’ bestaat als het gaat om de instelling van de arbeidersgroep waar hij ooit deel van uitmaakte, en dat zijn verhaal een inspiratie voor de anderen in die groep zou moeten zijn. Zo suggereert de gelukkige afloop van Hillbilly Elegy dat alle barrières te overwinnen zijn door traditioneel Amerikaanse volharding en wilskracht. Daarmee impliceert Vance dat een neerbuigende kritiek op de arbeidersklasse – die van ‘beter je best doen’ – toetsbaar en gerechtvaardigd is.

Met de klassenmigratie van Vance ging er dus ook iets verloren: het inzicht dat het dagelijks leven van de arbeidersklasse complexer is dan van buitenaf gezien. Literatuurcriticus Sarah Brouillette stelt dat zulke literatuurvertellingen een afstandsprobleem kunnen bevatten: we hebben als lezer van Vances verhaal een overzicht van de maatschappelijke omstandigheden die het behalen van zijn dromen mogelijk maakten, maar hijzelf is verblind door een ‘therapeutische taal van crisis en herstel’. Daarmee lijkt zijn conservatieve kijk op Amerikaans doorzettingsvermogen dus bevestigd te worden door het eindproduct: het wantrouwen jegens de mythe van de Amerikaanse droom die Vances jeugd typeerde, is weggevallen nu zijn persoonlijke succes diezelfde ideologie onderschrijft.

Hochschild toetst weliswaar ook de manier waarop verschillende stemmen elkaar aanvullen of tegenspreken, om zo de sociaaleconomische verhoudingen uiteen te zetten. In haar behandeling ervan kan literair reportage echter gezien worden als een vorm van medeleven, van schrijvers die ‘hun subjectiviteit verbinden met de ervaringen van anderen’. Vance daarentegen vergelijkt zijn persoonlijke ervaring vooral met een reeks gelukkig gekozen onderzoeken. Door dat verlies van sociale binding wordt Hillbilly Elegy juist deel van de pseudo-objectieve journalistiek die door de arbeidersklasse wordt gewantrouwd.

Voorstellingsvermogen

Om authentiek over klasse te schrijven is er dus bedachtzaamheid nodig: een reflexief bewustzijn van de sociale binding tussen schrijver en lezer. Op het gebied van die terugkoppeling is Didier Eribons Terug naar Reims beter dan Hillbilly Elegy. Daarin reist de Franse filosoof na het overlijden van zijn vader terug naar zijn geboorteplaats. Hij bekijkt oude foto’s met zijn moeder, reflecteert op een jeugd in armoede en vraagt zich af hoe zijn homoseksualiteit tot stand is gekomen in een vijandig sociaal milieu; zijn vader was tenslotte fabriekswerker, barstte vaak in woede uit en verwachtte ouderwetse normen en waarden van zijn zoon. Op twintigjarige leeftijd vertrok Eribon daarom naar Parijs om een vrijer bestaan als homoseksueel aan te vatten in de meer literair-intellectueel georiënteerde hoofdstad. Eribon vertelt dat bij het najagen van deze nieuwe identiteit het uit de kast komen samenviel met het binnenstappen van een sociale groep.

Ook in zijn vertelling kunnen we de talloze botsende stemmen horen. Op persoonlijk vlak typeert hij zijn puberidentiteit bijvoorbeeld als een in-zichzelf-verdeelde: hij is marxistisch, hemelt het proletariaat op in de strijd tegen de bourgeoisie, maar neemt bewust geen deel aan die klasse door zich tegen zijn ouders te keren en naar een universiteit te willen gaan. Die verdeeldheid ziet hij inmiddels als een uiting van de onverzoenlijke politieke houding van de arbeidersklasse. Daarom probeert hij het stemgedrag van zijn ouders en de manier waarop de Franse arbeidersklasse een plek vond in zowel het communisme als het extreemrechtse Front National (sinds 2018 het Rassemblement National) te begrijpen.

Of nu de praktische solidariteit van de fabriek doorslaggevend is of het concurrentiegevoel omdat je je baan wilt behouden, of het gevoel onderdeel uit te maken van een informeel netwerk van ouders die hun kinderen van school komen halen of de wanhoop vanwege de ontberingen van het leven in de wijk […]. Het zijn tegenovergestelde of in ieder geval uiteenlopende manieren om de sociale werkelijkheid voor te stellen en te proberen invloed uit te oefenen op de politieke koers van bestuurders, die elkaar niet per se uitsluiten.

Dat mensen uit de arbeidersklasse naar de uitersten van het politieke spectrum grijpen om hun stem te laten horen, is voor Eribon een manier om hun sociale bewegingsvrijheid te vergroten. Eveneens spiegelt dit verlangen naar speelruimte zich in zijn schrijfstijl, doordat Eribon genre-elementen met elkaar vermengt. In de epiloog merkt hij dan ook op dat het schrijven van Reims

alleen kon slagen door tussenkomst, of via het filter […] van culturele referenties: literaire, theoretische, politieke… Die helpen je bedenken en formuleren wat je precies probeert te zeggen, maar zorgen er vooral voor dat de emotionele belasting wordt geneutraliseerd – die waarschijnlijk ondraaglijk zou zijn als je zonder scherm de ‘echte’ werkelijkheid onder ogen moest zien.

Zo’n literaire filter, waarbij culturele referenties de persoonlijke anekdotes ‘verbloemen’, kunnen door de lezer als vervreemdend worden ervaren. Wanneer Eribon of Vance een intrigerende zin afsluit met een voetnootverwijzing, wekt die misschien de verkeerde suggestie: wordt het inlevingsvermogen van de lezer uitbesteed naar een bron? Is de anekdote die getuigt van levenservaring nu een theoretisch argument geworden?

Toch lijkt deze vermenging belangrijk voor Eribons vertelling, omdat de anekdotes zonder voetnoot een oefening lijken te worden voor het voorstellingsvermogen van de lezer. Neem de passage waarin Eribon de homo-ontmoetingsplekken in Parijs beschrijft. Hij omschrijft ze als tussenlocaties van de samenleving: plekken waar het klassenverschil wegvalt door de noodzaak aan een gemeenschappelijke plek. In dit deel van zijn ervaringsverslag doet hij geen beroep op een bron: een theoretisch-historische reflectie zou hier door de lezer kunnen worden ervaren als vrijbrief voor een sentimentele passage. Dat Eribon kleur geeft aan andere anekdotes middels de visies van denkers als Bourdieu (maar ook Foucault, Lévi-Strauss en anderen), komt dus minder over als een beroep op geloofwaardigheid, dan als een gewichtige, bijna filosofische verkenning van de spanning tussen objectiviteit en subjectiviteit.

De ik-figuur hoeft natuurlijk niet altijd de directe stem van de schrijver over te brengen om een ervaring weer te geven, zolang de verhalende stemmen maar hetzelfde doel voor ogen hebben: de lezer bewustmaken van een authentieke ervaring. Dat is ook zo bij Eribons verteller, maar je zou het eveneens over Hochschild kunnen zeggen, omdat ook zij haar geïnterviewden zelf een stem geeft. Kun je zo’n beroep op een andere stem dan beschouwen als een beroep op feitelijkheid? Waar ligt dan de scheidingslijn tussen literatuur als cultureel filter en de authentieke overdracht van ervaring?

In het verlengde van Eribon ligt het werk van de Franse Édouard Louis, die in het essay ‘Het boek als gewelddaad’ – gepubliceerd in een ‘Onderklasse’-themanummer van De Gids – omschrijft hoe hij als puber de literatuur gebruikte als symbolisch verzetsmiddel tegen zijn arbeidersklasse. Met zijn (inmiddels) ontwikkelde schrijversstem blikt hij terug op zijn jeugdige opstandigheid: zijn ouders zouden vroeger hebben gezegd dat hij ‘als een boek spreekt!’ Die uitspraak herinnert aan Eribon, die in Reims vertelt hoe zijn familie ook vaak zei dat hij als een broek sprak. Brengt Louis hulde aan deze ervaring door haar te herhalen? Of brengt hij het referentiesysteem nog een stap verder dan Eribon door zichzelf een ervaring toe te schrijven die – zo neemt hij misschien aan – bij talloze arbeiderskinderen moet zijn voorgekomen? In datzelfde nummer van De Gids merkt schrijver en theatermaker Rebekka de Wit op dat voorstellingsvermogen ook verraderlijk kan zijn, omdat schrijvers op hun beurt ook de verbeeldingskracht kunnen gebruiken om de werkelijkheid te ontvluchten. Bevestigt Louis’ verhaal dan Eribons ervaring, als een soort noodzakelijk, literair redmiddel om klasse en identiteit weer op de kaart te zetten?

Romantisering

Aan het eind van het genrespectrum ligt de roman, waarin bronverwijzingen naar denkers, ideeën en onderzoeken niet nodig zijn, of zelfs uit den boze. In haar roman NW vertelt Zadie Smith een verhaal van vier personages in Londen die allemaal in een arbeidersbuurt zijn opgegroeid. Daarvan is Leah, eenmaal volwassen, nog steeds een deel van de klasse waar ze in opgroeide, terwijl Natalie de hogere middenklasse of zelfs bovenklasse heeft betreden, als advocaat en vrouw van een investeerder.

Natalie komt uit een Jamaicaanse familie en veranderde haar naam (Keisha) tijdens haar studie, om beter in de sociale wereld van de rechten te passen. Die verandering wordt op een bepaald punt in de roman vergeleken met je kleden voor de baan die je zou willen hebben. Door haar klassenmigratie lijkt ze gekneld te raken tussen economische bevoorrechting en racistische oordelen, bijvoorbeeld wanneer bedrijfsadvocaten en collega’s dubbelzinnige opmerkingen maken – ‘implying that the streets where Natalie had been raised, and now returned to work, were, in their minds, a hopeless sort of place, analogous to a war zone’.

Zo besteedt Smith haar schrijversbelangstelling voor het klassendebat uit aan de elementen van een roman: fictieve personages en de toon van de vertellende stemmen laten zien welke consequenties een sociale crisis kan hebben. Op het vlak van persoonlijk gedrag en verlangens grijpt Natalie bijvoorbeeld als volwassene terug op de roekeloosheid die ze als puber had: ondanks haar ogenschijnlijk goede huwelijk, baan, kinderen en financiële zekerheid, verhult ze dat ze vreemdgaat, net zoals ze haar klassenachtergrond verhult. Door dit symbolische gemis belichaamt Natalies vertelling de verzuilende kracht die sociale klasse nog steeds uitoefent. Dit is dan ook de kern van het probleem: dat de afstand die bestaat tussen sociale klassen niet slechts nog een uiting is van het wij-zij-denken in de huidige samenleving, maar dat klasse met alle identiteitsvormen verstrengeld is.

Natuurlijk hoeft er niets waarheidsgetrouw te zijn binnen het fictieve genre waarin Smith werkt, maar dat de persoon ‘Natalie’ niet bestaat, wil niet zeggen dat de voorstelling van haar klasse en identiteit niet reëel is. Sterker nog: doordat een duidelijk fictief werk als NW geen bronvermelding nodig heeft, lijken de acties van haar personages op een bepaalde manier een trouwere weergave van de werkelijkheid te zijn dan de meer beschouwende teksten van Hochschild, Vance en Eribon. Tenslotte wordt ons dagelijks leven niet geregeerd door stembussen en sociologische reflecties, maar door hoe we direct in relatie staan tot de mensen om ons heen.

Verbloemingen

Hochschild, Vance, Eribon en Smith lijken de uiteenlopende mogelijkheden van fictieve en non-fictieve genres te gebruiken om de verwachtingen van lezers te ontwrichten. Daardoor ontstaat een actieve leeservaring: je zou kunnen stellen dat je als lezer – naast het hebben van een onmisbaar voorstellingsvermogen – dus kritisch en reflexief moet blijven ten opzichte van hoe schrijvers omgaan met hun eigen verbeeldingskracht. Bij een weloverwogen, literaire afhankelijkheid van andere bronnen, stemmen en ervaringen lijkt de complexiteit van de identiteitsdiscussie te worden erkend. Dat kan ook niet echt anders: hoe goed alle becijferde of anders onderbouwde studies naar klasse, intersectionaliteit en identiteitspolitiek ook kunnen zijn, er is geen studie opgewassen tegen de affectieve kracht van een persoonlijke anekdote, een uitgediept levensverhaal of een fictief personage.

Andersom zijn medeleven, verbeeldingskracht en een vloeibare overgang tussen objectiviteit en subjectiviteit ook inhoudelijk productieve instrumenten – instrumenten die schrijvers van (en over) de arbeidersklasse op lijken te eisen, om zo een vorm van controle te krijgen over het sociale instituut waar ze zich in begeven. Eribon en Hochschild tonen in die zin een ethischer brongebruik dan Vance, omdat ze zorgvuldiger omgaan met de vraag hoe hun eigen stem zou kunnen samensmelten met die van anderen. Op die manier kunnen Smiths fictieve personages net zo dichtbij (of net zo ver van ons verwijderd) voelen als de geïnterviewden van Hochschild. Ze hebben totaal uiteenlopende wereldbeelden, maar we ontvangen ze door eenzelfde literaire ervaring.

Met een beter begrip van de verhaalwijzen die schrijvers gebruiken, kunnen we mogelijk het klassendebat een nieuwe impuls geven. Heideman stelt dat er bij recente identiteitspolitieke bewegingen een gebrek aan aandacht is voor klasse. Die onvolledigheid lijkt geuit te worden in de manier waarop deze schrijvers omgaan met identiteit en genre; dan maakt het ook weinig uit of we bepaalde werken indelen als autobiografische essays, memoires, of anders. Alle werken over deze klassenproblematiek voegen – potentieel – kleur toe aan een prisma van invalshoeken, om een ervaring van de (arbeiders)klasse zichtbaar te maken. Van degenen die de problematiek uit de eerste hand meemaken tot degenen die zich inleven: wie literair te werk gaat, krijgt de kans een vorm van voorstellingsvermogen te ontwikkelen waarmee ieder ervaringsgeschrift over klassenproblematiek binnenstebuiten gekeerd kan worden.

 

Rick van der Waarden schreef dit essay over de volgende werken:

Terug naar Reims
Didier Eribon
Vertaling door Sanne van der Meij
2018
Leesmagazijn
207 p.
ISBN: 978-94-91717-57-4

Strangers in their Own Land. Anger and Mourning on the American Right
Arlie Russell Hochschild
2016
The New Press
273 p.
ISBN: 978-1-620-97226-7

NW
Zadie Smith
2012
Penguin Books
339 p.
ISBN: 978-0-241-96526-9

Hillbilly Elegy. A Memoir of a Family and Culture in Crisis
J.D. Vance
2016
HarperCollins Publishers
272 p.
ISBN: 978-0-06-230054-6

Geplaatst op 07/07/2021

Categorie: Essays

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.