Proza, Recensies

Gezien de interpretaties (of vooral het gebrek aan een specifiek soort ervan, als we eerlijk zijn)

Gezien de feiten

Griet Op de Beeck

Max Urai blikt tijdens de Boekenweek terug op een voorgaande editie, toen het Boekenweekgeschenk Gezien de feiten (2018) van Griet Op de Beeck bijna 700.000 keer gedrukt werd. Het verbaast hem dat er destijds geen aandacht was voor het racisme in dat boek. 

In alle discussies die in de laatste paar jaar zijn gevoerd over inclusiviteit in de literaire wereld zijn fictieteksten zelf grotendeels onbesproken gelaten. Sinds de ezel van Reve lijken recensenten en andere critici niet het risico te willen lopen om moralistisch of kortzichtig over te komen, of op te roepen tot censuur. Het is een discussie die je toch altijd verliest: een auteur hoeft alleen maar te zeggen dat een uitspraak bedoeld is als literaire ironie, de uitspraak van een personage, niet de schrijver zelf.

Dit idee van ‘het personage, niet de auteur’ is lang een noodzakelijke verdediging geweest voor schrijvers die zich wilden afzetten tegen religieuze groepen die hun boeken wilden verbannen. De katholieke kerk heeft echter al tijden niet meer geprobeerd een Nederlandstalige roman te onderdrukken, de opstandige schrijvers zijn de voorbeelden voor een nieuwe generatie geworden, en inmiddels wordt datzelfde argument vooral ingezet om gevestigde auteurs te beschermen tegen kritiek van minderheden op hun werk. Denk aan het debat over Alleen maar nette mensen (2008) tussen Robert Vuijsje en Gloria Wekker, waar Vuijsje vooral uit lijkt te zijn gekomen met een nieuwe status als durfal.

Laat ik hier voorop stellen dat ik er niet op uit ben om boeken te toetsen op een onmogelijke standaard van zuiverheid, of personages verwar met hun bedenkers. Auteurs zijn niet verantwoordelijk voor hun personages. Wel zijn ze verantwoordelijk voor hoe ze die personages contextualiseren en hoe ze de wereld omschrijven in hun werk. Als het gaat om gender lijkt dit geen heel controversieel punt te zijn: recensenten bekritiseren regelmatig boeken op basis van de ‘man-vrouw verhoudingen’ die ze neerzetten, of de vrouwelijke personages die eerder een fantasie van de mannelijke auteur lijken te zijn dan bestaande mensen. Als het gaat om ras zijn Nederlandse critici echter een stuk terughoudender.

Semi-literair Bouquetreeks-verhaal

Het is misschien wat laat om nog over Gezien de feiten (2018) van Griet Op de Beeck te beginnen, maar ik wil het erover hebben omdat ik tijdens het lezen bijna niet kon begrijpen waarom een boek met zulke fucked-up noties over Afrika en Afrikanen door een redactie was gekomen, laat staan gedrukt en uitgedeeld is aan iedereen die voor meer dan twintig euro boeken kocht. De recensies waren destijds overwegend negatief, maar geen ervan ging in op de elementen in het verhaal die mij zo opvielen. Voor zover ze het al over ras hadden, ging het alleen maar om één personage, Roos, die als expliciete racist dient als de antagonist van het verhaal. Hoe zij wordt neergezet laat vooral zien hoe beperkt Op de Beecks begrip van maatschappelijk racisme is, plus dat het nog een paar oude stereotypes over klasse naar boven haalt.

In Gezien de feiten vertrekt Olivia, een witte Vlaamse weduwe, met een NGO naar Afrika om ontwikkelingswerk te doen in een dorp voor oorlogswezen. In dat dorp ontmoet ze Daniel, een lokale leraar die zijn pensioen besteedt als vrijwilliger. Ze vallen vrijwel direct voor elkaar, tot ongenoegen van Olivia’s dochter Roos, die het respectloos vindt tegenover de herinnering aan haar dode vader en die Daniel ervan verdenkt Olivia alleen te gebruiken om een Belgisch paspoort te krijgen. Dit gaat even door, tot Olivia het opneemt voor haar vriend en haar dwingende dochter de deur wijst. Vervolgens zijn al Olivia’s vrienden verzot op Daniel en is haar zelfverwezelijking compleet. Het klinkt als een oppervlakkig maar progressief verhaal: liefde die grenzen overstijgt. Maar deze boodschap wordt volkomen onderuit gehaald door hoe Op de Beeck zowel Daniel als Roos neerzet.

Het boek is feitelijk een melodrama en Daniel heeft de rol van het perfecte vriendje, een beetje zoals Colin Firth in de meeste rom-coms. Op de Beeck wil hem duidelijk neerzetten als sexy, speels, toegewijd en vriendelijk. Dat hij geen enorm uitgediept personage is, maakt me niet uit, noch dat hij zo vreselijk verliefd wordt op Olivia dat hij bereid is voor haar naar België te verhuizen. Dat hoort nu eenmaal bij dit soort verhalen: hij is de wensdroom van een vrouwelijke auteur. Daar kan ik in meegaan. Dat Griet Op de Beeck een semi-literair Bouquetreeks-verhaal heeft aangeleverd bij het CPNB vind ik eigenlijk vrij grappig, misschien zelfs licht subversief.

Het probleem van de tekst zit in hoe dit personage geconstrueerd wordt. Dit is een goed moment om te noemen dat er nergens in Gezien de feiten wordt genoemd uit welk land Daniel precies komt. Olivia gaat naar ‘Afrika’ en meer dan dat krijgen we niet te weten. Op zichzelf was dit geen ramp geweest, maar de rest van het boek suggereert dat die aanduiding van het continent het enige was dat Op de Beeck nodig had. Er wordt vaag verwezen naar een burgeroorlog, maar er is niet echt interesse in de geopolitieke omstandigheden daar. Het enige dat we moeten weten is dat Olivia naar een ‘exotische’ plek gaat, waar lieve kinderen rondlopen en je in een gat in de grond moet poepen (iets wat opmerkelijk breed wordt uitgemeten).

De vergelijking met Bouquet-boekjes is een stuk minder ironisch dan je zou denken. Die verhalen spelen zich ook vaak af op een spannende buitenlandse plek, niet nader aangeduid, waar de mannen zwoel en sexy zijn en een verbinding met de aarde hebben. Met de toevoeging van wat lokaal lijden is dit feitelijk wat we in Gezien de feiten leren over Daniels land. En daarmee over Daniel zelf. Hij valt volledig samen met de plek waar hij vandaan komt, praktisch alsof hij uit de klei is opgestaan. Hij is mysterieus, geeft Olivia wijs advies en heeft pret om niks, als een soort sexy Rafiki. Het scheelt weinig of hij was letterlijk magisch geweest.

Maar Daniel bleef achter haar staan, en opeens begon hij haar schouders en nek te masseren. Ze wilde spontaan omdraaien, zeggen dat het niet nodig was, maar zijn greep was sterk en hij hield haar in dezelfde positie. Hij kneedde en wreef daar waar alle spanning verzameld zat, net langs haar schouderbladen. En zij liet het gebeuren. Ze sloot haar ogen en vergat dat ze zweette, dat ze eenenzeventig was, dat er een vorig leven bestond, een ander leven. Elke keer als ze dacht dat hij op zou houden, ging hij door. En zij werd weer jong en onbreekbaar.

Magic hands,’ zei ze, toen hij haar weer overeind trok. ‘Magic woman’, antwoordde hij, en hij legde een hand over haar gezicht.

Oh.

Alles wat we over Daniel leren, bevestigt datzelfde beeld: dat van de magische zwarte man, die alles in zijn leven opzij zet om de emotionele sores van een witte hoofdpersoon op te lossen. In de filmwetenschappen wordt dit personage de magical negro genoemd, hoewel die meestal alleen advies geeft. Maar het past dat Daniel ook verliefd wordt op de hoofdpersoon: het is immers een melodrama. Hij is de nobele wilde die de hoofdpersoon verlost van haar kille, witte, dode man. Misschien is het bedoeld als een anti-racistisch verhaal, maar het enige wat Op de Beeck doet, is overcompenseren voor de koloniale geschiedenis: in plaats van een woeste inboorling is Daniel een perfecte, zwoele man. Vroeger hadden Belgen misschien een hekel aan Afrikanen, maar zo is Op de Beeck niet. Zij is juist gek op Afrikanen.

De romance tussen Olivia en Daniel neemt grofweg de eerste helft van het boek in beslag. In de tweede helft reizen ze terug naar België, waar Olivia’s dochter Roos zonder pauze haar racistische verdenkingen over Daniel uitstort. Zelfs voordat Daniel verschijnt, moeten we Roos al zien als de antagonist: ze is dwingend, gemeen, manipulatief en egoïstisch. Het racisme lijkt daar bijna logisch uit voort te komen.

Het conflict tussen moeder en dochter is daarmee een van duidelijke uitersten: er is de milde, barmhartige Olivia, die alleen maar liefde wil, tegenover de bitchy, discriminerende Roos, die vooral haar moeder lijkt te willen dwingen zo lang mogelijk in de rouw te blijven. Het is niet bepaald een complex moreel vraagstuk. Olivia, die op geen enkele manier afhankelijk is van haar dochter, wijst haar de deur, en daarmee komt het verhaal ongeveer tot een einde. De vrienden van Olivia zijn stuk voor stuk gecharmeerd door Daniel en er staat ze niks in de weg om samen gelukkig te worden. Zodra Roos wordt weggestuurd, impliceert het boek, is het racisme over.

Net zoals alles aan Daniel perfect is, wordt Roos alleen opgevoerd om hatelijk te zijn – iets waardoor ik haar bijna reflexmatig sympathiek ga vinden. De tekst is echt ondubbelzinnig over wat een vreselijk mens ze is. Als ze tijdens een Skypegesprek Daniel ziet rondlopen in de tent van haar moeder zegt ze direct: ‘Voor zo’n man is dat natuurlijk de ideale prooi, een weduwe uit het Westen. Een kwetsbare, verse weduwe dan nog.’ Als hij naar België komt, vraagt ze of hij getest is op ziektes. Ze beschuldigt hem recht in zijn gezicht ervan alleen maar met haar moeder te zijn om het geld (dit tegen een man die is geboren in het koloniale tijdperk – het is een wonder dat hij haar niet aanvalt). Als Daniel haar vergoelijkt tijdens de daaropvolgende ruzie en zegt dat ze het vast niet zo meent, roept Roos ‘But I mean it well!’

Dat is de zin waar het hele boek op kantelt. Na dat gesprek krijgt Olivia eindelijk genoeg van haar. Op de Beeck wil het duidelijk een komisch moment maken – Roos die zo overweldigd wordt door rassenhaat dat haar taalbeheersing ervan breekt – maar de implicatie hier is dat racisme en slecht Engels een connectie hebben. Moeten we denken dat Roos lager opgeleid is, of slecht Engels spreekt? Beide invullingen zorgen voor een afstand tussen Roos en haar moeder, de hoofdpersoon, die wel goed Engels spreekt, om zo het conflict nog zwart-witter te maken.

Dat is wat Gezien de feiten zo dubieus maakt: de dubbele implicatie dat zwarte mannen allemaal schattige teddyberen zijn, los van enige geschiedenis, en dat racisme vooral een gebrek is in persoonlijkheid en onderwijs. Terwijl Roos toch echt door Olivia is opgevoed. Welke rol haar moeder in haar racistische wereldbeeld kan hebben wordt niet bestudeerd.

Ik neem het Griet Op de Beeck op zich niet kwalijk dat ze dit soort dingen denkt. Toen ze werd geboren was Congo pas dertien jaar onafhankelijk en het is niet haar schuld dat ze is opgegroeid met bepaalde ideeën over de wereld. Wat ik haar kwalijk neem, is dat ze een opdracht kreeg om een boek te schrijven met een oplage waar de meeste auteurs van zouden dromen en haar manuscript vervolgens aan niemand heeft laten lezen die iets afwist van de complexiteit van representatie. Ik neem de uitgever en het CPNB kwalijk dat ze met hun enorme budget niet in hun enorme netwerk hebben gezocht naar iemand die hierover zou kunnen adviseren.

Wist je dat Gezien de feiten een oplage van 686.305 exemplaren had? En Op de Beeck hoefde zich niet eens zorgen te maken over de verkoopcijfers, aangezien ze al betaald was (en, vermoedelijk, geboekt voor allerlei optredens) voordat ze het manuscript had ingeleverd. Met die opdracht in haar achterhoofd heeft ze alleen rekening gehouden met een wit lezerspubliek – of nauwer nog, mensen die op haarzelf lijken – in plaats van dit verhaal, dat zou worden uitgedeeld, zo te schrijven dat het voor al haar lezers betekenisvol zou kunnen zijn. Het is prima dat ze de liefdeslevens van oudere vrouwen bespreekbaar wil maken, maar taboes doorbreken over de ruggen van andere gemarginaliseerde groepen is niet radicaal. Het is narcisme vermomd als feminisme.

Receptie

Toen het boek verscheen zijn er vier recensies van gepubliceerd die nu nog te lezen zijn, drie lange en een kortere. De lange gaan alle drie in op het racisme van Roos, maar geen ervan merkt iets op over hoe het boek zelf met ras omgaat. Dit is hoe Guus Bauer de passages met Roos omschrijft op Tzum:

Olivia neemt het heft in eigen handen en nodigt Daniel uit zonder Roos iets te vertellen. Een kus, karaoke, ‘een vrouw vol hunker die ze nooit had mogen zijn’ en dan tonight is the night. Uiteraard komt bordkartonnen Roos samen met haar omzichtige Sander [echtgenoot, mu] verhaal halen. ‘Is hij getest op ziektes?’ laat Op de Beeck haar vragen. Heeft die Roos dan werkelijk geen enkele andere kant? Ietsepietsie nuance? Op de beginnende verontschuldiging van Daniel, ‘I didn’t mean to…’, laat Op de Beeck Roos dreigend zeggen: ‘But I mean it well!’ Dat is niet eens grappig, dat is werkelijk ver over de grens.

Het is onduidelijk of Bauer hier bedoelt dat Roos over de schreef gaat of dat het boek haar te eenzijdig neerzet. Bauer is wel de enige die naast Roos ook ingaat op Daniel:

Het wordt er allemaal niet beter op wanneer Olivia in den vreemde de vijfenzestigjarige zéér begripvolle zwarte Daniel ontmoet, een engel gelijk. De redder in nood, de ‘schrijver’ van haar zelfhulpscenario. Zijn ‘magic hands’ masseren op een gegeven moment de ‘magic woman’. De manier waarop dit meisje-ontmoet-jongen-verhaal wordt ingebracht is met recht bejaard. Op de Beeck laat het cliché nergens ook maar een tikkeltje kantelen. Bij een uitje komt Olivia achter op de brommer terecht bij een stoere inheemse bink. Bezorgde, lieve Daniel neemt achter haar plaats op de buddyseat. Zo belandt Olivia toch nog in de sandwich. Wijlen haar man en haar dochter zouden wanneer ze het wisten een rolberoerte krijgen. Nou, nou. Spannender wordt het voorlopig niet. Zonder zelfs maar een echte kus vliegt Olivia huiswaarts naar haar kneuterige dochter.

De ‘magic hands’ worden genoemd, maar Bauer lijkt vooral te vallen over hoe zoetsappig dat detail is als deel van hun romance. Hoewel hij zowel Daniel als de ‘inheemse bink’ expliciet racialiseert, gaat hij er niet op in wat hun zwartheid precies betekent voor hoe Op de Beeck ze neerzet.

In de NRC gaat Thomas de Veen meer in op Op de Beecks oeuvre. Hij stelt dat ze maar één thema heeft: authentiek leven. Zijn kritiek is dat de auteur dit laat zien door haar hoofdpersonen altijd volkomen gelijk te geven in hun zoektocht naar zelfrespect.

Je gaat de liefde [tussen Daniel en Olivia, mu] dan alsnog wantrouwen – je ziet als lezer óók de feiten, met als alarmerendste feit dat de wereldproblematiek roet in het eten gooit, een gegeven dat Op de Beeck overigens weer niet erg subtiel of elegant in het verhaal dropt. Maar feiten of niet, het verhaal lijkt de vermetele Olivia gelijk te geven. Twijfel en argwaan blijven voorbehouden aan haar racistische, behoudzuchtige kinderen, dus je kijkt als lezer wel uit.

De Veen maakt hier een kleine vergissing: hij noemt Roos en haar echtgenoot Stefan de kinderen van Olivia, hoewel alleen Roos haar kind is. Hij is wel de enige die laat zien hoe Op de Beeck racisme narratief inzet: als een obstakel dat Olivia moet overwinnen. Maar vervolgens lijkt hij te zeggen dat Roos ergens wel een punt heeft met haar argwaan over Daniel – een personage dat in de tekst zelf letterlijk geen fouten heeft. Er zijn maar twee redenen dat hij als lezer zou kunnen twijfelen aan Daniels intenties: door te denken dat het verhaal gaat over bedrog, wat hij kan ontkrachten door het einde te lezen, of door te denken dat enig argwaan richting Afrikanen gerechtvaardigd is. De Veen benoemt de onsubtiliteit van Olivia’s zogenaamde anti-racisme, maar het verbluft me dat hij zich vooral stoort aan het feit dat ze niet genoeg naar haar dochter luistert.

In zijn bespreking voor De Groene Amsterdammer begint Christiaan Weijts met de geschiedenis van het Boekenweekgeschenk, dat volgens hem steeds slechter is geworden sinds ze in opdracht worden geschreven. Dit in tegenstelling tot de tijd dat teksten anoniem werden ingestuurd, wat leidde tot zulke charmante boekjes als ‘Twee n***rpopjes (1948)’. In deze trant gaat hij verder door even verderop te noemen dat Op de Beeck vaak ‘modieuze thema’s’ aansnijdt, zoals ‘het racisme’:

Griet Op de Beeck zal de komende week in allerlei zaaltjes gaan vertellen dat ze een taboe heeft aangesneden, dat van de bejaarde weduwe die een tweede jeugd krijgt wanneer haar man eindelijk uit de weg is. Dat van de bejaarde weduwe die gepassioneerde seks heeft met nota bene een donkere man, want zo is het ook nog eens. En haar dochter en schoonzoon reageren daarop met het typische onderhuidse racisme, van je mag het eigenlijk niet zeggen, maar ‘die Afrikanen zijn toch…’ Dochter Roos wordt zo een pathetische karikatuur, van wie we de achterlijkheid flink ingewreven krijgen, bijvoorbeeld als ze Engels probeert te praten met Daniel: ‘“Shut up about my dad.” “I didn’t mean to…” “But I mean it well!” riep ze, zij liet zich niet hinderen door grammatica. Haar lip begon te beven. (…) “You seem a very nice man”, zei Sander die duidelijk ook geen avondklassen Engels had gevolgd, “but it’s so soon, you know?”’

Twee dingen. Weijts noemt Roos een karikatuur, maar niet waarvan. Waar ik me vooral niet overheen kan zetten is de frase ‘het typische onderhuidse racisme’. Dit gaat over iemand die aan haar moeder vraagt of haar zwarte vriend wel is getest op ziektes. Je vraagt je af wanneer racisme niet meer als ‘onderhuids’ geldt voor Weijts – een witte kap en een brandend kruis?

Kritische verantwoordelijkheid

Dit alles is niet bedoeld als hitpiece op de bovenstaande recensenten. Er is niets unieks aan hoe ze ras bespreken in hun kritieken, en dat is wat me zorgen baart. Niet alleen dat het CPNB een boek heeft uitgegeven met een zwaar ge-exotiseerd personage waar niemand blijkbaar vraagtekens bij zette, maar dat het korps professionele literatuurcritici die kanttekening ook niet heeft geplaatst.

Het hoeft niet nog een keer te worden gezegd dat de Nederlandstalige literaire wereld spierwit is, of dat diversere redacties leiden tot andere soorten besprekingen. Laten we vooral meer recensenten van kleur aan het woord laten. Maar geeft dit ons, witte critici, niet ook een te makkelijke uitweg? We hebben zelf ook een verantwoordelijkheid om dit aan te kaarten. Op de Beeck is echt niet de enige die over zwarte personages schrijft. Wat veel vaker voorkomt dan dit soort magical negroes zijn plots waarin de witte hoofdpersoon een zwart personage iets gruwelijks aandoet, puur om de morele verworpenheid van de hoofdpersoon te demonstreren. Zie bijvoorbeeld Fort Europa (2005), Wij en ik (2013) en De Literaire Kring (2007, hoewel hierin het slachtoffer op het einde een stem krijgt). Idem voor racistische uitspraken. En behalve op platforms als OneWorld, die specifiek zijn gericht op lezers van kleur, worden auteurs hier zelden op aangesproken.

Dit heeft deels te maken met het ongemak van witte mensen om een gesprek over ras te beginnen, helemaal omdat iemands werk racistisch noemen vaak wordt gelezen als een beschuldiging van de auteur. En als witte recensenten hebben we altijd de optie om het onderwerp te negeren. Terwijl critici van kleur veel meer te verliezen hebben door dit aan te kaarten: voor je het weet wordt ze verweten alleen met politiek bezig te zijn, drammerig te zijn, of boeken alleen te toetsen aan een politieke agenda.

Iets benoemen als racistisch zonder de auteur te willen affikken is oprecht overal moeilijk. Toen Nam Chi Nguyen in ultraprogressief Perdu iets opmerkte over de woordkeuze van Jeroen Mettes, lanceerde ze een golf van essays in nY over representatie versus repetitie. Maar dat is de verantwoordelijkheid die we hebben als critici, al is het maar uit eerlijkheid richting de mensen die ons werk lezen. Als we beweren dat we namens hen boeken beoordelen, moeten ze erop kunnen vertrouwen dat wij opmerken wat zijzelf ook op zouden merken. Nu is het alsof we Game of Thrones bespreken en over het hoofd zien dat er draken in voorkomen.

Recensie: Gezien de feiten van Griet Op de Beeck door Max Urai.

CPNB, Amsterdam, 2018
ISBN 9789059654334
94p.

Geplaatst op 10/03/2020

Tags: 2018, Boekenweek, Boekenweekgeschenk, CPNB, Griet Op de Beeck, Max Urai, racisme

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.