Het rode geslacht van ons denken

Zoo van het denken

Peter Verhelst

Het is niet gemakkelijk om een werk van Peter Verhelst te blijven lezen. Dat zeg ik niet om me aan te sluiten bij critici die zijn boeken als onleesbaar beschouwen, of zijn voorkeur voor uitwaaierende teksten kinderachtig vinden. Het gaat me erom dat ik als lezer telkens het idee heb dat de ‘ware’ betekenis van het boek niet op de pagina’s, maar erbuiten te vinden is. De auteur verwijst naar romans, poëzie, mythen, schilderijen, videoclips, popliedjes.

Wie zijn dichtbundel Alaska (2003) openslaat, wordt eerst naar Verhelsts eerdere bundel Verhemelte (1996) verwezen, krijgt vervolgens een werk met citaat van Marcel Duchamp te zien, daarna een soort gedicht-in-morsevorm, en daarna de afdeling ‘Hotelrooms’, die opent met citaten van The Pixies en fotograaf Duane Michals. Wie tegen die tijd het boek nog niet heeft weggelegd (‘pretentieus!’) kan een prachtige bundel verwachten. Overigens verwijst het boek vanaf de eerste regel ook nog eens terug naar Verhelsts novelle Memoires van een luipaard (2001).

Vergeleken bij dit intertekstuele geweld doet de opening van Zoo van het denken opvallend ‘autonoom’ aan. De nieuwe dichtbundel begint ogenschijnlijk zonder één enkele verwijzing naar een ander kunstwerk: we stappen meteen in de afdeling ‘Ladies and gentlemen, the zoo is burning’. Maar wil die titel ons niet op het spoor zetten van Ladies and gentlemen, the Bronx is burning, de titel van een boek uit 2005 van Jonathan Mahler, dat ook weer verbonden lijkt aan het vrijwel gelijknamige televisiedrama uit 2007 en een documentaire uit 1972, die op zijn beurt…? Ook in Zoo van het denken benadrukt Verhelst dat een werk per definitie een netwerk van sporen en verwijzingen is.

Die stelling mag sinds het ingeburgerd raken van postmoderne schrijfpraktijken in Nederland en vooral Vlaanderen niet nieuw meer heten. Wie echter denkt dat de intertekstuele schrijfpraktijk van Verhelst ‘schon Dada gewesen’ is, moet beslist Zoo van het denken lezen. Deze lijvige bundel bewijst op een krachtige manier dat Verhelsts schrijven (nog altijd) belangrijke vraagstukken behandelt. Deze nieuwe bundel laat zien hoe de fascinatie voor het (on)begrijpelijke werkt.

Vuur van het denken

In Zoo van het denken krijgt het eeuwigdurende debat over de verhouding tussen lichaam en geest een mooie wending. Het gedicht ‘Komodovaraan (Varanus komodoensis)’ bijvoorbeeld stelt de scheiding tussen beide entiteiten zó definitief voor, dat het denken een zelfstandig personage wordt:

Uit de zoo van het denken loopt als de rode gevorkte tong
uit de bek van de varaan
het vuur van het denken, de lava
die stolt en pas jaren later een pels zal krijgen.

Dan gaat het denken op handen en knieën gezeten
ons over de schouder aankijken.

(…)

We gaan op de knieën voor onszelf zitten, buigen voorover,
vuur knisperend door de lont van het ruggenmerg.
We schuiven onze lippen over en over het rode geslacht van ons denken.

Het denken heeft een eigen lichaam gekregen en gaat in een dierlijke houding ‘op handen en knieën gezeten / ons over de schouder aankijken’. Terwijl de seksuele ondertoon in het eerste deel van het gedicht nog impliciet is, worden we in de laatste strofe op een staaltje autofellatio getrakteerd. Hebben ‘wij’ in dit gedicht een zo flexibele ruggengraat of zo’n groot ‘geslacht van het denken’ gekregen dat we onszelf kunnen pijpen, of zijn we in staat om buiten onszelf te treden en ‘op de knieën voor onszelf’ te zitten? Hoe het ook zij, denken is hier een kwestie van zelfbevrediging geworden.

Waarom bezorgt dat denken ‘ons mensen’ (want in deze bundel is voortdurend vanuit een ‘wij’ geschreven) zoveel seksueel plezier? Misschien omdat het ons macht geeft: de mens verbeeldt zich graag dat hij de enige is die kan denken en daarmee het recht heeft de natuur te overheersen. In veel van de gedichten zien we hoezeer mensen verlangen hun wereld te ordenen en op die manier onder controle te krijgen. Zo beschrijft de uitgebreide afdeling ‘Zoo van het denken’ de tragische reis van Robert Falcon Scott naar Antarctica. Het was een poging om een van de laatste witte plekken op de landkaart in te vullen. Scott wilde, net als Roald Amundsen die (zonder dat Scott het wist) korte tijd eerder de Pool had bereikt, bijdragen aan de menselijke kennis over de natuur. Tijdens zijn reis raakte hij echter volledig de controle over zichzelf en zijn gedachten kwijt. De poollucht en de onbegrijpelijke eentonigheid van het landschap laten de reizigers al snel hun verstand verliezen. In november springt het eerste bemanningslid overboord, op 8 december is de reis in een koortsdroom veranderd met opnieuw erotische implicaties:

In de immer donkere kajuit komt waterkers geel
uit het zaad en smaakt naar zwavel – een roodharige vrouw
met onmogelijk bleek vel, uit een jurk van ijs hurkend
op mijn tong van ijs.

We willen de onherbergzame Zuidpool begrijpen om hem te kunnen overheersen, terwijl we door zijn onbegrijpelijkheid verleid worden. In die beweging van begrijpen naar niet begrijpen, van controleren naar gecontroleerd worden, schuilt volgens deze bundel een sublieme ervaring. Ook onze fascinatie voor dieren komt voort uit het feit dat we ze wel en niet kunnen beheersen. We sluiten dieren graag op in de dierentuin van ons denken, zoals de gewoonte om hen te determineren aangeeft. Tegelijk verlangen we naar de ongeremdheid en het gebrek aan systematiek dat we met het dierenrijk associëren. Dieren symboliseren het niet-rationele, of zelfs de pure geilheid. Dat lezen we in een gedicht waarin een wapitihert door een groep jagers wordt omsingeld: ‘We strelen het gewei, / een met dons bekleed kruis. / We willen het altijd bij ons hebben.’ Dieren houden de hoop levend dat we ooit uit de kooi van ons denken kunnen breken.

Stroom van het denken

Zoo van het denken is een tegelijkertijd begrensde en onbegrensde bundel. Hij fungeert aan de ene kant als een kooi waarin beelden blijven rondspoken. Zo duikt in een groot aantal gedichten de ceder op, het gewei, het verlangen, de vulkaanuitbarsting of de gehalveerde bol. Maar de bundel overschrijdt ook zijn eigen grenzen: hij staat weer vol met verwijzingen naar liedteksten, gedichten, en schilderijen. Wanneer Verhelst citeert, benadrukt dat hij de betekenisstroom niet wil indammen, maar juist de vrije hand wil geven. Citaten onderstrepen niet alleen dat er een wereld buiten de tekst bestaat, maar ook dat die buitenwereld altijd invloed blijft uitoefenen op de manier waarop we de tekst begrijpen. Dat is één van de effecten van de vele verwijzingen en allusies binnen de bundel: dat de lezer onwillekeurig zaken met elkaar gaat associëren.

Een lezer die (sommige van) de vele intertekstuele bronnen in deze bundel kan thuisbrengen, zal zich daar onbewust misschien goed over voelen. Het streelt het ego als je in de afdeling ‘Heraldiek’ de schilderijen van Rogier van der Weyden voor de geest kunt halen. Heel wat minder spannend is het misschien om een schilderij als ‘Annunciatie’ te moeten opzoeken, maar ook dat geeft nog de ervaring dat je je kennis hebt eigengemaakt. Maar dan begint het probleem pas, want Verhelst brengt een bijna eindeloze keten associaties en verwijzingen op gang. Zo zijn alle schilderijen in ‘Heraldiek’ in hun titel met een uitgestorven dier verbonden: ‘Annunciatie/Caracara’ bijvoorbeeld, of ‘Portret van een vrouw/Sabeltandtijger’. De verbinding tussen kunstwerk en dier ligt meestal niet voor de hand; uiteraard is er op ‘Annunciatie’ geen caracara te bekennen.

Toch wordt ten minste één kenmerk van de diersoorten op de schilderijen overgedragen: de ‘eeuwige’ kunst van Van der Weyden wordt er sterfelijk en breekbaar door. De associaties met sterfelijkheid zetten zich door wanneer de lezer even later bij de afdeling ‘Strange fruit’ belandt, waar over een reeks jonggestorven kunstenaars wordt verteld, onder wie Rainer Werner Fassbinder, Sylvia Plath en Romy Schneider. Ook zij worden met dieren of planten geassocieerd in gedichten met titels als ‘Bidsprinkhaan Rainer Werner’ of ‘Romy’s anemoon’. Het verband tussen ‘Heraldiek’ en ‘Strange fruit’ doet zich onwillekeurig aan mij als lezer voor: de zelfmoord of gewelddadige dood van twintigste-eeuwse iconen uit de kunstwereld wordt vergeleken met het uitsterven van iconische diersoorten als de sabeltandtijger. En wat betekent het dat deze afdeling de titel ‘Strange fruit’ heeft meegekregen, de titel van een huiveringwekkend jazznummer dat vooral bekend is geworden in de uitvoering van Billie Holiday? Deze aanklacht van het racistische geweld in het Amerikaanse Zuiden gebruikt de metafoor van ‘vreemd fruit’ om de lichamen van opgehangen zwarte Amerikanen te beschrijven. Moeten we dit geweld vergelijken met het geweld dat blanke filmsterren en schrijvers zichzelf in de twintigste eeuw aandeden?

New Sincerity

Deze bundel zet de lezer over belangrijke en grote vraagstukken aan het denken, zoals de afdeling ‘Strange fruit’ wel laat zien. Het past in Verhelsts recente poëtisch werk, dat minder speels is dan de eerdere bundels tot aan Verhemelte (1996). Die waren nog doordrenkt van een ironische en zelfreflexieve toon en ze waren bedoeld om de poëzie en de poëtische pretenties kapot te schrijven, zoals Thomas Vaessens liet zien in een mooie analyse. Na Verhemelte was de poëzie voor Verhelst niet dood, maar kwamen Alaska (2003), Nieuwe sterrenbeelden (2008) en nu Zoo van het denken. Drie bundels die met het eerdere werk wel de intertekstuele aanpak gemeen hebben, maar waaruit toch een heel andere stem opklinkt. Het lijkt wel alsof ook Verhelst, één van de vaandeldragers van het Nederlandstalig postmodernisme, zich beweegt in de richting van een new sincerity, zoals dat de laatste jaren in de internationale literatuur(kritiek) de gewoonte is geworden.

Dat betekent niet dat Verhelst zonder voorbehoud over politieke kwesties schrijft of dat zijn poëzie eenduidig is geworden. Nog altijd staat het esthetische en de verbloemde beschrijving bij hem voorop. Wel lijkt het erop dat de poëzie toegankelijker en misschien wel emotioneler is geworden. Beweerde Verhelst rond de uitgave van Verhemelte nog dat hij de pathetiek verafschuwde die eigen is aan poëzie, zijn laatste bundel laat zien dat hij de poëtische taal zonder schroom inzet. Het boek bevat ontegenzeggelijk esthetische, op het randje van het sentiment balancerende gedichten, zoals de liefdesverzen in de afdeling ‘Kraanvogel’. Maar juist de combinatie van deze ‘mooie’ poëzie met de wrange verzen in ‘Strange fruit’ bepaalt de kracht van Zoo van het denken.

Links

Prometheus, Amsterdam, 2011
ISBN 9789044617573
120p.

Geplaatst op 13/04/2011

Reacties

  1. Dirk De Troyer

    Waarom niet ’s een lezenswaardige bespreking gewijd aan Nolens’ laatste bundel? Ik hou enorm van Verhelst, maar nog heel wat meer van Leonard Nolens. En, o ja… ik hou ook enorm van Cohen en Cioran. Hoe een dichter en lezer mekaar toch kunnen ontmoeten, door de poëzie!
    Prachtig vind ik dat!

    Vriendelijke groet

    Dirk De Troyer

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.