Poëzie, recensie

Kleurrijk overzicht van veelzijdig stadsdichterschap

Het stad in mij

Maud Vanhauwaert

In stilte

Maud Vanhauwaert (1984) begon haar stadsdichterschap van Antwerpen in stilte. Hoewel: ze startte met haar openingsrede, die een stilte inluidde. Dat was haar eerste cadeau aan de stad: een gedicht getiteld ‘Witruimte’, dat de luisteraar naar eigen inzicht mocht interpreteren als poëzie over ‘de oningevulde dagen in een agenda, over de optelsom van alle kleuren, over de ruimte voor verbeelding, over een onbetreden, nog in zichtzelf gekeerde sneeuwvlakte, over de stilte nog voor iets werd gezegd en de stilte nadat alles is gezegd’. Ze voerde het op voor een select gezelschap van vrienden, familie en stadsprominenten, die zwijgend naar haar keken terwijl zij evenmin de stilte vulde. Dat wat poëzie tot poëzie maakt – de mogelijkheid de pagina wit te laten – maakte Vanhauwaert tot hoofdrolspeler van haar openingsvoordracht. Ze wenste zichzelf te presenteren als een onbeschreven blad, waarop de stad zichzelf mocht projecteren.

Er zouden vele cadeaus volgen. Het stad in mij – een verwijzing naar ’t stad, een bijnaam van Antwerpen – doet verslag van de projecten die Maud Vanhauwaert twee jaar lang uitvoerde – in opdracht of uit eigen beweging, alleen of in samenwerking, met veel of weinig publiek, maar altijd met de stad Antwerpen als achtergrond. Het is de plek waar de dichter zich het woord eigen maakte: eerst, als negenjarige, als deelnemer aan de Nationale Voorleeswedstrijd, vijftien jaar later als student Woordkunst aan het Antwerps Conservatorium. Ze bleef er en oogstte succes met haar bundels Ik ben mogelijk (2011), waarvoor ze de Vrouw Debuut Prijs in ontvangst nam, en Wij zijn evenwijdig (2015) (voluit Wij zijn evenwijdig_ Raken elkaar in het oneindige_ En we rennen_), die werd bekroond met de Herman de Coninckprijs Publieksprijs en de Hugues C. Pernath-prijs.

Ontboezemingen en opstandigheidjes

Van januari 2018 tot januari 2020 volgde het stadsdichterschap. De dikke bundel Het stad in mij geeft een overzicht van de ‘wederwaardigheden, onomstootbare conclusies, dwalingen, ontboezemingen, opstandigheidjes en fratsen’ waarmee Vanhauwaert de stad poogde te verrijken. Niet alleen zijn haar teksten te lezen: ook van de weg naar die teksten toe maakt zij ons deelgenoot, inclusief haar ambities en onzekerheden. Met dank aan paginagrote foto’s en QR-codes worden haar projecten tot leven gebracht, zodat ook zij die niet al haar performances en installaties hebben kunnen bewonderen, er gevoelsmatig toch een beetje bij zijn geweest.

Een stadsdichter van Antwerpen wordt in principe enkel gevraagd op jaarlijkse basis zes gedichten af te leveren. Meer is voor het vervullen van die rol niet nodig. Vanhauwaert maakte er, zo blijkt al gauw, een intermediaal spel van, waarbij zij, zo laat zij in de inleiding van de bundel weten, wilde onderzoeken ‘hoe je poëzie kunt losweken van het blad papier, welke vormen ze kan aannemen in een stedelijke context en hoe je, vanuit ontmoetingen met andere kunstdisciplines, haar voortdurend kunt herdefiniëren’.

Ze kwam haar woorden na. Tijdens haar ambtsperiode werden haar gedichten gedrukt op kerktorens en scheepscontainers, op sandwichborden en spandoeken; ze kregen de vorm van een speurtocht, een hinkelspel, een parkeerschijf, een trouwboekje, een kleurboek en een woordzoeker. Al die tijd baadde Antwerpen in Vanhauwaerts poëzie.

De wens om al die initiatieven samen te brengen werd niet alleen geboren uit het stadsdichterschap, maar ook uit het feit dat Vanhauwaert na tien jaar dichterschap de behoefte had terug te blikken. Sinds haar debuutbundel Verenigde straten (2009), die in zeer beperkte oplage werd uitgegeven en later een plek kreeg in Wij zijn mogelijk, pakte zij meer projecten op die de grenzen van de klassieke poëzie overschrijden – projecten die misschien weinig samenhang lijken te vertonen, maar die in Vanhauwaerts ogen wel degelijk een overkoepelend verhaal vertellen: dat we elkaar in onze sprakeloosheid soms het best verstaan.

Perfecte kandidaat

Vanhauwaerts vorige bundel, Wij zijn evenwijdig, was in feite de perfecte sollicitatie voor het stadsdichterschap: daarin doet ze in een stroom van korte strofen verslag van een onafgebroken hedendaagse stadswandeling vol ontmoetingen en indrukken. Voor Vanhauwaert is de verbintenis tussen poëzie en de stad een vanzelfsprekende, legt ze in Het stad in mij uit: ‘Steden zijn gedichten met veel lagen, met hier en daar een doodlopende steeg. Gedichten zijn steden, met regels waartussen je wel eens verdwaalt.’ Tel daarbij haar uitstekende staat van dienst als performancekunstenaar op – niet voor niets stond ze in 2012 in de finale van het Wereldkampioenschap Poetry Slam en in 2014 in die van het Leids Cabaret Festival – en het wordt volstrekt voorstelbaar waarom men Vanhauwaert voor deze taak vroeg.

Wie door Het stad in mij bladert, krijgt de indruk dat zij de hooggespannen verwachtingen volledig heeft waargemaakt. Al lezend, kijkend en luisterend begin je je stilletjes aan af te vragen waarom je gedichten hemelsnaam ooit nog op papier zou presenteren, of dat nu is in de vorm van een bundel of een krantenpagina – eens te meer omdat poëzie zich lang niet altijd in woorden laat uitdrukken. Zo trok Vanhauwaert in mei 2018 de Antwerpse winkelstraten door met een polonaise van onbedrukte borden, als reactie op de dood van een tweejarig Iraans-Koerdisch meisje, dat werd neergeschoten tijdens een politieachtervolging in Bergen. Voor haar was dit de enige manier waarop ze op dit nieuwsfeit kon reageren, de enige manier die recht deed aan haar worsteling met de taal die zij moest gebruiken om deze gebeurtenis in woorden te vatten.

IJsberen door de winkelstraat

Hoewel Vanhauwaert aangeeft zich te hebben voorgenomen geen expliciete politieke standpunten in te nemen in haar stadsdichterprojecten, is het niet lastig deze alsnog uit haar gedichten te filtreren. Zo sprak ze zich uit tegen het schrappen van zestig procent van de Belgische projectsubsidies voor cultuur en plaatste ze in oktober 2018 als reactie op de gemeenteraadsverkiezingen gigantische opblaasletters op een Antwerps plein, die samen het woord ‘macht’ vormden. Hun opblazen en leeglopen kon worden gelezen als een metafoor voor de gebakken lucht die de woorden van machthebbers soms zijn. Op 25 juli 2019, de warmste dag van dat jaar, hees de dichter zichzelf in een ijsberenpak en ijsbeerde ze zwijgend door winkelstraat de Meir, ‘flikkerend uithangbord van het kapitalisme’. Net als in poëzie is het vaak niet nodig je al te expliciet uit te spreken; soms zeggen weinig of geen woorden precies genoeg.

In haar periode als stadsdichter vertelde Vanhauwaert niet alleen haar eigen verhaal; ze vertelde vooral het verhaal van de inwoners van Antwerpen. Bijvoorbeeld met haar project You’ll Never Guess Who, een moderne variant van het jeugdspelletje Wie is het?, dat ieder weldenkende speler begint met de vraag ‘Is het een man of een vrouw?’ Vanhauwaert ontwikkelde een LGBTI+-proof versie, met foto’s van mensen die zich minder gemakkelijk in een hokje laten duwen. Ook maakte ze een kleurboek met tekeningen van Antwerpse oma’s en opa’s, vergezeld van verhalen verteld door hun kleinkinderen. Samen met vrijwilligers van zoveel mogelijk nationaliteiten bouwde ze een Toren van Babel, opgetrokken uit bamboe en hout, waar zij met dichters, muzikanten, dansers, academici en buurtbewoners in gesprek ging.

Taal van de stad

In Het stad in mij vinden we gedichten waarin we de hand van Vanhauwaert gemakkelijk herkennen. Die van een gezamenlijke eerste persoon meervoud, bijvoorbeeld, die ook al in de titels van enkele van haar vorige dichtbundels verscheen, en die we nu onder andere opnieuw vinden in ‘Gebed na de canon’, onderdeel van het jeugdprogramma Kleurenknoop:

Mogen wij voor altijd de onbestaande dieren.

Mogen wij voor altijd de uithoeken van het wit.

Mogen wij voor altijd de dikke stippen op de vlinders.

Mogen wij voor altijd het slappe kasteel, met de vodderige wachters.

Mogen wij voor altijd de uitwaaierende pauwenveren.

Voor altijd de zonnen met korte dikke stralen.

Een gedicht van Vanhauwaert zou ook niet compleet zijn zonder neologismen, die ze ditmaal niet alleen in haar poëzie gebruikt, maar ook in de toelichtingen op hun ontstaansgeschiedenis: ‘gruflen’ lijkt haar bijvoorbeeld een uitstekend woord om te beschrijven dat je beseft ‘dat het onverantwoord is om je kapot te ergeren wanneer je in een file staat, omdat je zelf onderdeel uitmaakt van die ergernis’, ‘fjonken’ dekt wat haar betreft de lading van het gevoel van ‘overmand worden door een gevoel van schaamte wanneer je een geschenk krijgt’ en ‘jliefwee’ lijkt haar geschikt om het verlangen te beschrijven ‘om later te sterven dan iemand die je lief is, omdat je niet wilt dat de persoon lijdt onder het verlies van jou’.

Dicht daartegenaan schuurt het veelvuldig gebruik van spreektaal en dialect – voor een buitenstaander soms moeilijk van nieuw verzonnen woorden te onderscheiden, en voor een stadsdichter natuurlijk de ultieme methode om de stem van de inwoners onderdeel te maken van de poëzie. En zo blijken meer eigenschappen van Vanhauwaerts poëzie ultiem geschikt voor deze rol: haar toegankelijke woordspelingen bijvoorbeeld (‘Hij zette de haven naar de hand, de zee naar het land’), haar voorkeur voor persoonlijke thema’s – zo nam ze in deze bundel onder meer een gedicht op gericht aan haar moeder, aan haar pasgeboren kind en aan moeders die een kind verloren – en de behoefte in haar gedichten de verbinding op te zoeken (‘het stad is open nu, regels zijn vrij’).

Met humor

Vanhauwaert vervulde haar taak bovendien met humor, die ze ook in dit boek verwerkte. Zo nam ze in Het stad in mij alvast fictieve positieve én negatieve recensies van de bundel op (‘Als dit boek al een ster krijgt, dan een in de vorm van een aars’) en verzorgde zij een optreden voor twee man en een paardenkop, laatstgenoemde toeschouwer gekocht in een feestwinkel. Ook neemt ze ons – en daar wordt het misschien nog wel het interessantst – mee in de kwesties die zich in de coulissen van het stadsdichterschap afspelen. Welke opdrachten neem je tijdens zo’n periode bijvoorbeeld wel en niet aan? Wat te denken van het verzoek een afscheidsgedicht te schrijven voor een pensionerende havenschepen, een soort ‘burgemeester van de haven’? Moet je zo’n opdracht afwimpelen, een hulde aan een man die je niet persoonlijk kent en die bovendien een politiek mandaat had? Of moet je je gevleid voelen door zijn liefde voor poëzie?

De belangrijkste vraag die in alle keuzes doorklinkt die Vanhauwaert maakte, is: hoe bereik ik zoveel mogelijk inwoners met deze poëzie? Het is een vraag die zij met verve heeft weten te beantwoorden. In Het stad in mij geeft Vanhauwaert schoorvoetend toe dat zij zich op een gegeven moment realiseerde dat ze graag kiest voor een zo origineel mogelijke vorm omdat ze daarmee half bewust de aandacht probeert af te leiden van de inhoud, mocht die niet aan de verwachtingen kunnen voldoen. Naast al die indrukwekkende vormen die zij vond, was echter ook de inhoud twee jaar lang bewonderenswaardig: ze schreef de toegankelijke, invoelende, tastbare poëzie die we van haar gewend zijn, en die zich vanwege de exact juiste verhouding tussen het persoonlijke en het universele perfect leent voor het stadsdichterschap. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘wij. hier. nu. ja’, dat zij voor op het Antwerpse trouwboekje schreef, dat iedereen die in die stad de komende paar jaar in het huwelijksbootje stapt, zal ontvangen, en dat zij zelf aan haar partner voordroeg alvorens haar ten huwelijk te vragen:

en ach, misschien zullen er ooit bergen rijzen

valleien splijten tussen ons in, zullen wij

met rookpluimen moeten seinen: weet je nog

 

daar. toen. wij. toch

 

maar zolang we niet vergeten dat er een moment

was in ons leven waarop we dachten

dit en voor eeuwig, dit heden is een eden

 

vinden wij ons wel weer in elkaar

en zal ik denken aan wat je ooit onbewaakt

tegen mij zei, je had het in oude psalmen gelezen

 

aan u gebonden ben ik vrij

In de bundel vinden we ook teksten die Vanhauwaert in de periode voorafgaand aan de publicatie van het boek schreef, maar die officieel geen onderdeel zijn van haar stadsdichterschap. Verreweg de meeste daarvan zijn geslaagd, al onderbreken sommige op een hinderlijke manier het ritme van het project. Neem bijvoorbeeld de ‘restjes’ poëzie die Vanhauwaert de afgelopen jaren in haar opschrijfboekje neerpende. Die hadden daar in de meeste gevallen beter kunnen blijven: ze bieden ons platgeslagen zinnen als ‘ik zal je zomer zijn / een zomer aan zee in een huis met bloemen’ en ‘de dood, deadline die we allemaal halen’.

Het zijn slechts kleine smetjes op een prachtig vormgegeven verslag van een bewonderenswaardig veelzijdig stadsdichterschap. In die korte tijd leerde Vanhauwaert de stad Antwerpen met andere ogen naar poëzie te kijken: als een manier om te verschonen, te verwonderen en te verbinden. Het legt de lat voor haar opvolger hoog.

Recensie: Het stad in mij van Maud Vanhauwaert door Anne van den Dool.

Das Mag, Amsterdam, 2020
ISBN 9789493168091
357p.

Geplaatst op 04/10/2020

Tags: Antwerpen, Maud Vanhauwaert, stadsdichter

Categorie: Poëzie, recensie

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.