Hij doet geen mens kwaad met zijn herinneringen

Dinsdag

Elvis Peeters

Als je ergens een oude man ziet lopen, zijn er grofweg drie gedachtes die door je hoofd kunnen schieten. De eerste is: wat een schattig oud mannetje. De tweede is: wat zou die ouwe knar de afgelopen driekwart eeuw hebben uitgevreten? En de derde is: ga opzij, ik heb wél haast.

Als we die derde mogelijkheid buiten beschouwing laten omdat alleen mensen die geen interesse in anderen en dus niet in literatuur hebben zo denken, houden we een intrigerende gedachte over: een schoft op leeftijd kan heel vriendelijk lijken en ook een schoft op leeftijd heeft verdriet en tedere momenten meegemaakt.

De hoofdpersoon van Elvis Peeters’ roman Dinsdag is zo’n man. Hij is 76 jaar oud, woont alleen in een buitenwijk van Brussel en heeft een dagelijkse routine die hem langs de krantenkiosk, de supermarkt en het café voert. Weinig spraakzaam en onverzettelijk in zijn overtuigingen en met zijn eigenaardigheden; niets bijzonders dus. Maar een leven van 76 jaar biedt genoeg om over na te denken.

Bijna medelijden

Dinsdag is een normale dag in het leven van deze man. Zijn uitje van de dag bestaat uit het vinden van gras dat hij kan laten drogen om de kieren in zijn dak te repareren. Hoewel zijn huis een gewone slaapkamer heeft, brengt de man zijn nachten door op de zolder, een Spartaanse ruimte waar het daglicht hem wekt. Dan begint een dag, die ondanks zijn nuchtere kijk op zijn verleden en het nut dat hij herinneringen toedicht, gevuld is met gedachten aan de tijd die achter hem ligt.

Het is geen diep overdenken, eerder het oproepen van taferelen, stemmingen, zoals je in een album bladert, het zijn geen analyses of beschouwingen, het ligt allemaal achter hem en alleen in zijn leven heeft het een rol gespeeld, niet de loop van de wereld bepaald, dat was zo van meet af aan, diepe gedachten daarover zijn verspilde energie.

En van energie verspillen houdt deze man niet, maar als je geen vrienden en kennissen meer hebt, ‘niemand die nog wat van hem verwacht’, heb je weinig anders te doen dan terugbladeren of grassprietjes zoeken.

Er valt genoeg terug te bladeren. De man heeft een woelig verleden als boerenzoon, dagarbeider in Congo, huurling in de onafhankelijkheidsstrijd aldaar, vrachtwagenchauffeur, dief, hoerenloper en tweevoudig weduwnaar. Al deze kanten van een lang leven worden op dezelfde onderkoelde, rationele manier verteld. Als hij het over zijn twee vrouwen heeft, memoreert hij de tweede vrouw (toepasselijk ‘Erna’ geheten) met ‘we hielden van elkaar en zo ging ze dood’. Zijn liefdesleven vat hij samen met dat hij ‘geen enkele liefde heeft mogen behouden’. Je zou hem bijna pathetisch vinden, bijna medelijden met dit oude mannetje krijgen, maar binnen vier regels staat er ‘[e]en groot probleem wil hij er niet van maken.’ Het is alweer over, onschadelijk gemaakt, alsof het een kwajongensstreek betrof. En zo gaat het door, op alle levensgebieden. Als hij in 1964 door de gloednieuwe Sint-Bernardtunnel tussen Italië en Zwitserland rijdt in zijn iets te hoge vrachtwagen, sloopt hij over de volle lengte van de tunnel alle lampen en creëert zo een grote verkeerschaos. Dit hilarische gegeven leent zich uitstekend voor een kolderieke beschrijving, voor wat ‘verlichting’ in een donkere tunnel, maar niets van dat: het wordt net zo rustig en afstandelijk verteld als alle andere gebeurtenissen. Het hele leven hangt van faits divers aan elkaar en het ene is niet meer de moeite waard dan het andere. Deze nivellering is kenmerkend voor de oude man: alles uit zijn verleden is niets meer en niets minder dan toevallig. ‘Ik had het gevoel dat ik precies op het juiste moment in het juiste tijdperk was gekomen en de juiste dingen deed, zonder dat ik het zelf doorhad, om er volop gebruik van te maken, er mijn voordeel meer te doen.’ Hij heeft nooit bewust iets nagestreefd en hoeft dus ook geen verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen.

Gedrogeerde, hysterische woestelingen

Er gebeurt op deze dinsdag niet veel. En de herinneringen blijven maar komen. Als dat elke dag zo is, leeft de man meer in het verleden dan hij wil toegeven. Ondanks stoere uitspraken als ‘[e]n je doet het of je doet het niet. Daar moet je achteraf niet over zeuren’ blijft dat verleden maar doorspoken. En hoewel lang niet al zijn herinneringen onprettig zijn – hoe zou dat ook kunnen met zo’n rijk verleden – is dat dan toch een vorm van boetedoen voor deze man. Niemand heeft hem ooit ter verantwoording geroepen. Alleen hijzelf kan deze gebeurtenissen dag in, dag uit ophalen, herkauwen en weer doorslikken. Korte fragmenten worden door de auctoriale verteller verteld, in de langere flashbacks gaat het perspectief over naar de eerste persoon. En nu het door de verteller en de lezer gezien is en niet onopgemerkt is gebleven, kan deze man dan nu rustig verder met vergeten? Voor een bekentenisroman is deze man veel te stil. Hij heeft ‘[n]ooit spijt gehad, of beter, het nooit tot spijt laten komen’. Zelfs in zijn herinneringen is hij stug en ondoorgrondelijk. ‘Je moet een wapen in handen krijgen en een oorlog opzoeken, en alles wat door wetten verboden was, werd weer mogelijk, je legde je eigen wetten op’, mijmert hij aan het eind. Dat klinkt dreigend; hij lijkt nog veel meer te verzwijgen dan hij heeft verteld. Misschien dat hij op woensdag verder gaat met zijn ‘je me souviens’, misschien dat hij zich dezelfde gebeurtenissen weer net iets anders herinnert. Veel concrete aanwijzingen om de herinneringen op waarde te schatten krijgt de lezer niet. Hooguit kan je je afvragen of het geloofwaardig is als een dure, blanke huurling in het heetst van de Congolese onafhankelijkheidsstrijd in 1960-1961 maandenlang wordt uitgezonden om in een scheepje op het Kivumeer te patrouilleren. ‘Terwijl overal in het binnenland werd gevochten en gemoord, leefde ik als een visser op het water.’ En over zijn tijd bij de Simba’s, die door David van Reybrouck in zijn geschiedenis Congo ‘gedrogeerde, hysterische woestelingen’ worden genoemd, licht hij precies één voorval uit. En dat schetst hij op zo’n harde en kille manier dat het niet het enige gruwelijke voorval geweest kan zijn. Er staat zelfs een groot deel in de irrealis, omdat hij op dat moment niet kon zien wat zijn patrouilleleden daadwerkelijk uitspookten, maar hij denkt dat het zo gegaan is, want ‘ik kende hun wreedheid.’ Dan vermoed ik meer bloed aan zijn handen dan op deze doordeweekse dag op komt borrelen.

Impulsgestuurde rasopportunist

Want wat nog achter deze opgerakelde gebeurtenissen verscholen zit, is dat je een eenzijdig beeld krijgt, alleen door de kippige ogen van een oude man. Al vroeg in de roman noemt de man zijn eigen mijmeringen ‘ongeordend, onoverzichtelijk en oncontroleerbaar’. Iets verderop heet het ‘vergeten maakt deel uit van het ritueel’ en op driekwart van het boek begint Peeters een hoofdstuk met de alinea ‘Af en toe dwaalt hij, dwaalt hij af, denkt dingen die hij had willen doen alsof hij ze werkelijk gedaan heeft. En op andere dagen corrigeert hij het weer zoals het geweest moet zijn.’ Is deze dinsdag een dag waarop hij dingen denkt die hij had willen doen (maar niet gedaan heeft) of is deze dinsdag een dag waarop hij zijn leven herinnert zoals het geweest moet zijn (wat nog iets anders is dan hoe het was)? Is hij geloofwaardig als hij beweert niet te weten of hij ooit iemand heeft doodgeschoten? Of als hij zegt van zijn twee vrouwen te hebben gehouden? Is deze man zelfs in zijn herinneringen niet nog gewoon de impulsgestuurde rasopportunist, de sjacheraar, de schoft die hij soms uit zijn verleden ziet opduiken? Maar Peeters laat consequent alle vluchtwegen open: de lezer krijgt geen zekerheid. Dat maakt dit boek een intrigerend labyrint van vermoedens, alternatieve waarheden en wantrouwen. Maar de consequent doorgevoerde kale en neutrale verteltoon werken ook onverschilligheid in de hand. Niet zozeer onverschilligheid ten opzichte van de gebeurtenissen van vroeger, maar ten opzichte van de morele aspecten van dit verleden en hoe de oude man daar nu mee omgaat.

Waar Elvis Peeters in zijn vorige roman, Wij (2009), het ongemakkelijke gevoel uitwerkte dat in iedere puber een levensgevaarlijk ontsporende gek schuilt, zo daagt hij in dit boek de gedachte uit dat ieder sympathiek ogend oud mannetje een oorlogsmisdadiger kan zijn. In theorie dus een logische opvolger, maar de impact van deze roman is veel kleiner en dat heeft te maken met een romanexterne werkelijkheid. Want door Peeters’ zuinige manier van vertellen, krijg je alle kans te fantaseren hoe het verder gaat. In het geval van Wij levert dat angstaanjagende beelden op, want de personages staan aan het eind van het boek nog maar van het begin van een criminele loopbaan, of liever: ze moeten nog volwassen worden. In Dinsdag is dat anders: alle liefde en dood zijn al lang verleden tijd. Er schuilt geen gevaar meer in deze man. Je kan je aan het eind van het boek twee dingen afvragen: hoe lang zou de man nog zelfstandig in zijn huis kunnen wonen (iets wat hem veel bezighoudt)? En komt er mogelijk een vervolg op zijn eigen opmerking ‘ik heb nergens voor geboet’ (wat de rest van de maatschappij zou moeten bezighouden)? Eigenlijk wordt het antwoord in de roman al gegeven, aangezien de enige bemoeienis van de buitenwereld de sociale dienst is, die het op zijn huis heeft voorzien en niet op zijn verleden. Er is ‘niemand die nog wat van hem verwacht’. Vergeleken met de vlijmscherpe melktandjes van Wij is dit een kunstgebit. Knap gemaakt en fijn dat het past, maar het bijt met moeite door en voor het slapen gaan dompel je het in een glaasje water en, nu ja, dat is dat.

Links

Podium, Amsterdam, 2012
ISBN 9789057595158
176p.

Geplaatst op 08/06/2012

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.