Poëzie, Recensies

Immigrant in dromenland

wie was ik: strafregels

Alfred Schaffer

De dichter is een dagdromer, zo beweerde Sigmund Freud in ‘Der Dichter und das Phantasieren’ (1908). Wie zich met poëzie inlaat, creëert volgens de grondlegger van de psychoanalyse een fantasiewereld waarin de wetten van de rede tijdelijk zijn opgeschort, zodat de dichter-annex-dromer allerlei verdrongen verlangens en verborgen fantasieën via de verbeelding kan botvieren. De dichtkunst, aldus Freud, lijkt in die zin veel op kinderspel, waarin het kind de wereld herschept en naar zijn hand zet: ‘Ieder spelend kind gedraagt zich als een dichter, in die zin dat het zijn eigen wereld schept, of, beter gezegd, de dingen van zijn wereld herschikt in een nieuw, hem welgevallige orde.’

Die relatie tussen de dichter en het kind is volgens Freud méér dan een parallel. De scheppende fantasie van de dichter grijpt volgens hem ook terug op de kindertijd, om vanuit daar drie verschillende temporaliteiten aan elkaar vast te knopen. Vanuit een wens of ambitie die zich in het heden manifesteert, grijpt de dichter terug op een herinnering aan een vervuld verlangen uit de kindertijd en schept op basis daarvan een toekomstig scenario waarin het huidige verlangen wordt bevredigd. Opmerkelijk is dat in deze visie op de poëtische fantasie de aangename, bevredigende kant van de droom en de verbeelding voorop staat: nachtmerries of angstvisioenen spelen geen rol. De dichtkunst is bij Freud louter individuele Wunscherfüllung, of anders gezegd: hoogstpersoonlijke expressie van hoogstpersoonlijk escapisme.

In het openingsgedicht van de nieuwste bundel van Alfred Schaffer, wie was ik: strafregels, lijkt ook via de droom een verlangen te worden vervuld. Een ik-figuur van kinderleeftijd (‘beer onder mijn arm geklemd’) wordt midden in de nacht wakker, loopt ‘in het pikkedonker naar de keuken’, alwaar twee figuren aan het aanrecht staan: ‘een witte schaduw en een zwarte. / bezig aan de afwas.’ De twee spreken het kind liefdevol aan (‘lieve jongen’, ‘kom eens hier’): een droom blijkt hem uit de slaap te hebben gehaald. Het slot van het gedicht werpt echter de vraag op of de ik-figuur niet nog steeds aan het dromen is:

ik droomde dat ik jullie in mijn eentje moest begraven

zeg ik niet terwijl ik in mijn ogen wrijf.

 

klopt toch ook we zijn morsdood

er is niets aan de hand

 

ga maar weer lekker slapen.

De scène heeft veel weg van een dichterlijke droom van Freudiaanse snit. Verlangen naar de overleden ouders roept een herinnering uit de kindertijd op, toen deze het bange kind nog ’s nachts konden troosten; en die herinnering biedt voeding aan een fantasie die in een gedicht wordt uitgesponnen: even zijn de ouders weer in leven. Maar toch logenstraft het gedicht Freuds voorstelling van dichtkunst als Wunscherfüllung: hier is poëzie allerminst een aangename dagdroom, maar eerder een pijnlijk confronterende nachtmerrie. Die nachtmerrie is des te beangstigender omdat ze de grens uitwist tussen droom en waken en tussen tekort en vervulling. Wakker droomt het kind nog steeds – en de weer tot leven gekomen ouders zijn naar eigen zeggen ‘morsdood’.

Het gedicht zet de toon voor de rest van deze duistere bundel en is te lezen als een poëticale tekst: Schaffer, in wiens werk dromen een belangrijke rol spelen, verzet zich tegen de visie op de dichtkunst als persoonlijke wensvervulling en presenteert in plaats daarvan een poëzie van spookbeelden en angstvisioenen. Bij het lezen van wie was ik: strafregels moest ik vaak denken aan de treffende (en herkenbare) karakterisering van nachtmerries in Niña Weijers’ roman Kamers antikamers (2019): ‘Wie zulke nachtmerries niet kent zal nooit begrijpen hoe ze blijven hangen als een dichte mist over de dag die volgt, hoe ze je in tweeën splijten, hoe een deel van jezelf altijd achterblijft in het duister en zich pas uren, soms zelfs dagen later, weer bij je voegt.’ Wie Schaffer wil lezen, zal bereid moeten zijn om precies die ervaring te ondergaan: tijdelijk een deel van jezelf kwijtraken in een vervreemdende droom. Duiding van die droom kan de lezer dan ook niets leren over zichzelf, laat staan over de identiteit van de dichter: de verleden tijd in de vraag ‘wie was ik’ impliceert immers ook dat de ‘ik’ er niet meer is. Maar in die onpersoonlijke duisternis van de nachtmerrie valt er wel degelijk iets te ontdekken – en juist dat is wat de poëzie van Schaffer zo spannend maakt.

Dagdromen huiveren als vanouds

Schaffers fascinatie voor (dag)dromen valt uit elke bundel die hij publiceerde af te lezen. Zo opent Definities en hallunicaties (2003) met een veelzeggend motto van de Zuid-Afrikaanse auteur Breyten Breytenbach: ‘Nou kan ek niks voor my oë vasthou / en ek het gedroom ek slaap in afsondering’ [Nu kan ik niets voor mijn ogen vasthouden / en ik droomde dat ik in afzondering sliep]. Het openingsgedicht van Geen hand voor ogen (2004) eindigt met de regels: ‘Al die achterdocht om niets, gekneed uit / het soort stof waar, in een uiterst verleden, dromen van werden gemaakt.’ ‘Mijn dagdromen huiveren als vanouds’, zo kunnen we vervolgens lezen in Schuim (2006); en de bundel Mens Dier Ding (2014) wordt doorschoten met een veertigtal gedichten die telkens de titel ‘(dag)droom’ dragen. Toepasselijk is in dat verband dat critici die de kwaliteiten van Schaffers bundels omschrijven dat regelmatig doen in termen van dromen. Zo stelt Piet Gerbrandy dat Geen hand voor ogen ‘eindigt als een boze droom’ en constateert Han van der Vegt dat de gedichten in Mens Dier Ding ‘droomachtig van sfeer’ zijn. Victor Schiferli schrijft in vergelijkbare bewoordingen dat de lezer van Kooi (2008) zich bij de lectuur van de bundel het beste kan ‘laten meeslepen als in een droom, een nachtmerrie wellicht zelfs, waarbij de kracht van de suggestie zo groot is dat je niet langer let op de logica van de gebeurtenissen’.

Inderdaad gaat Schaffers poëzie niet alleen vaak óver dromen, zijn gedichten hebben ook een sterk droomachtig karakter – met een onduidelijke setting, discontinue scènes, schimmige personages en vage, maar in elk geval onheilspellende symboliek. In wie was ik: strafregels keert de droomsequentie als thema én als techniek nadrukkelijk terug. Gedichten dragen (opmerkelijk lange) titels als ‘Zo’n droom die zich voltrekt terwijl ik bij bewustzijn ben en aan mijn hele hebben en houwen geen enkele boodschap heeft’ of ‘Een droomfragment waarin u mij luid en duidelijk kunt horen terwijl u mij noch hoort noch ziet de stukken ten enenmale op het bord verzettend’ – en dan hebben we het alleen nog maar over de titels. Ook de sfeer die de bundel oproept heeft veel weg van dromen: de gedichten presenteren flarden van herinneringen, grille gedachtesprongen en een veelheid van moeilijk te identificeren karakters.

In feite zijn bloedeigen moeder

Toch brengt wie was ik: strafregels niet slechts nóg meer dromen, maar iets heel nieuws. Meer dan ooit cirkelen Schaffers gedichten, hoe ze ook onderling verschillen van vorm en insteek, om een biografische kern. Centraal staat een zwart personage, een moederfiguur met een Antilliaanse achtergrond. De dichter belicht haar verhaal van verschillende kanten: soms is ze zelf aan het woord in korte, lyrische monologen, dan weer in uitgesponnen, sterk metareflexieve dialogen met een radio-interviewer die ook haar zoon lijkt te zijn – en in weer andere (proza)gedichten wordt ze opgeroepen door een ik-figuur die op zoek is naar haar, de ‘vrouw op wie ik in de verte lijk’. Een volledig portret wordt het nooit, maar een paar biografische brokstukken vormen samen de contouren van een individueel leven: herinneringen aan een jeugd op Aruba, een relatie met een witte man, twee kinderen (waarvan ééntje jong sterft), een immigratie naar Nederland, een opleiding tot verpleegster, talrijke ervaringen met racisme. Als de lezer niet al op basis van de biografie van Schaffer (zoon van een Limburgse vader en een Arubaanse moeder) in het centrale personage de overleden moeder van de dichter zélf herkent, dan zijn er nog genoeg vingerwijzingen in de bundel zelf die uitnodigen tot zo’n interpretatie, zoals deze:

(okay u speelt een mens die zijn dode omgeving leven

in wil blazen. in feite zijn bloedeigen moeder. in de vorm van

een praatje, een podcast die ú presenteert

[…] en u daar, u speelt die moeder. begin maar.)

 

(hallo dit is de eerste en laatste aflevering van over de doden

niets dan enzovoorts waarin ik onmogelijke gesprekken voer

met bijzondere gasten. deze keer een wel heel speciale gast.

 

een gast op wie ik zo mijn best heb gedaan dat ze haast al

naast me zit terwijl ze eerst nog een glas water pakt […]

Het is bijgevolg aanlokkelijk om wie was ik: strafregels te lezen als een poging van Schaffer om een stem te geven aan zijn overleden moeder, of, met andere woorden, als een uitgesponnen Wunscherfülling, waarin de dichter teruggrijpt op herinneringen en die met behulp van zijn fantasie herschikt tot ‘een nieuw, hem welgevallige orde’. De ‘Verantwoording’ achter in de bundel zet verder aan tot die lezing: Schaffer schrijft daar dat hij zich voor wie was ik: strafregels heeft laten inspireren door ‘privédocumenten’ en ‘oude, gedigitaliseerde exemplaren van Amigoe di Curaçao’, de oudste Nederlandstalige krant van Curaçao. Het verleden reconstruerend en herschikkend, zo lijkt het, slaagt de dichter er toch in een beeld op te roepen van de ‘vrouw op wie ik in de verte lijk’. Schaffer zelf heeft zich ook in die geest over de bundel uitgelaten in een vraaggesprek met de Nederlandse schrijver en dichter Roelof Ten Napel, waarin hij het project dat resulteerde in wie was ik: strafregels beschrijft als ‘intiem’ en ‘persoonlijk’.

Veel lezers hebben deze bundel inderdaad zo geduid en de dichter om dat ‘persoonlijke’ karakter ervan geprezen. ‘Schaffer, die eerder vooral bekend was vanwege zijn talige en conceptuele gedichten […], schreef met wie was ik: strafregels een verhalende en persoonlijke bundel’, meent bijvoorbeeld Diewertje Mertens, en ze stelt vast: ‘Deze nieuwe toon past hem heel goed.’ In haar eveneens lovende recensie voor NRC oppert Maria Barnas in soortgelijke termen dat Schaffer ‘het masker van het lyrisch ik’ heeft afgeworpen om ‘tot zijn afkomst door te dringen’; de dichter probeert volgens haar aan ‘zijn Arubaanse moeder een stem te geven’ en ‘zich te presenteren zoals hij is’. Het meest uitgesproken is het oordeel van de jury die Schaffer voor deze bundel beloonde met de Herman de Coninckprijs 2021: zij spreekt van ‘een persoonlijke bundel die je diep raakt’ vanwege de indrukwekkende ‘reflectie van zijn eigen moeder’ en prijst ‘de inspanning van de dichter’ om ‘aan deze vrouw, aan deze herinneringen (van hemzelf en van haar) uitdrukking te geven. Je voelt de kwelling en de liefde die hier samenkomen’. Uit deze oordelen spreekt een freudiaans aandoende redenering. De verbeelding van de verlangende dichter, zo is de suggestie, grijpt terug in het verleden en ‘(her)schept een papieren moeder’, zoals Mertens schrijft. Het resultaat is ‘intieme’ poëzie: hier krijgt de lezer blijkbaar inzicht in de diepste verlangens van Schaffer zélf.

Ik ben hier niet

Maar zo’n lezing is te oppervlakkig. Ze reduceert Schaffers poëzie tot een biografisch project, terwijl wie was ik: strafregels een veel ambitieuzere bundel is: in deze gedichten probeert de dichter te laten zien dat individuele kwellingen en liefdes fundamenteel onpersoonlijk van aard zijn – dat ze gevormd worden door tijd, plaats en gemeenschap. Niet voor niets doorrijgt Schaffer zijn teksten met zinnetjes als ‘dit ben ik niet. ik was hier niet’ of ‘ook dit gedicht is niet van mij / want aan niemand in het bijzonder / stel ik geen vragen’. Deze ‘ik’ laat zich zelfs spottend uit over de teksten ‘geschreven door mijn zoon’, want ‘wat hij schreef / dat was ik niet, kijk hem zwoegen op mijn stem mijn dode / stem die je alleen kunt horen als je heel goed luistert / met een stethoscoop ofzo. of als je niet goed snik bent’. De dromen en herinneringen die de dichter verwerkt, zijn dan ook allerminst eenduidig terug te voeren tot specifieke individuen; eerder dan de stem van een identificeerbare ‘ik’ klinkt in de gedichten een taal die van iedereen en niemand tegelijkertijd is.

Het is vooral de doordachte compositie van de bundel die dit effect bewerkstelligt. De kortere, lyrische gedichten waarin een ik-figuur spreekt, worden structureel afgewisseld met andersoortige teksten: dialogen, prozagedichten en zelfs e-mails. Het titelgedicht bestaat uit 100 genummerde regels, waarvan het leeuwendeel begint met ‘ik was’. Schaffer manipuleert ook de lay-out: in één gedicht worden smalle, rechts uitgelijnde strofes afgewisseld met breed over de pagina uitwaaierende, lichtgrijs afgedrukte citaten die uit een medisch-opvoedkundig handboek lijken te zijn genomen. Het geheel geeft aan de bundel een versplinterd karakter; soms leidt die versplintering zelfs tot teksten die bijna volledig uit losse lettergrepen bestaan: ‘ik. ben. een. ri. vier. zwart. als. een. scheur. ben. ik. niet. wijs en niet. van. mij. ik. stroom. op een ei. land. slaat het. ner. gens op. ri. vier. te. zijn’ – enzovoorts, alsof de dichter een fragmentatiebom onder de taal heeft laten ontploffen.

Door die fragmentatie slaagt de dichter erin om af te rekenen met de illusie van een centrale, identificeerbare ‘ik’, die met één stem in deze bundel zou spreken. De taalbrokstukken maken namelijk duidelijk dat de ik-figuur samengesteld is – of, de bundeltitel indachtig, beter nog: samengesteld was – uit verschillende, elkaar soms radicaal tegensprekende stemmen. Uit de gedichten klinkt de stem van het kind en de moeder, maar ook van formele instanties (‘indien u meer weet van de verdwijning wordt u dringend gevraagd contact op te nemen’), populaire cultuur (‘in mijn hart moet ik huilen maar ik doe nonchalant’, ‘ik ben het paard in de gang / ja ja een paard in de gang’) of wetenschappelijke autoriteit (‘de fase waarin diep geslapen wordt heet de non-remafase’). Het is onmogelijk te benoemen waar de ene stem overgaat in de andere, maar dat is in feite ook bijzaak: in deze poëzie is het niet zozeer de vraag wie er spreekt, maar vooral wat er aan het woord komt.

Dat in de eerste plaats ‘iets’ begint te spreken in Schaffers gedichten, laat zich het beste illustreren aan de hand van de curieuze e-mails die in de bundel opgenomen zijn, compleet met afzender, datum, en onderwerpsregel. Eén van die berichten, verstuurd door ‘gdq hired killers hiredkillers@abgpropslogistics.com’, begint als volgt:

iemand die dichtbij u stond betaalde mij om aan u een einde te maken als u houdt van uzelf blijf dan met uw tengels uit de snoeppot van uw aangelegenheden u heeft 48 uur om mij veel geld te betalen onthoud dat ik naar u kijk en iedere beweging die u maakt en waag het niet de politie in te schakelen […]

Het gedicht is deels een readymade: de tekst varieert op de maar al te bekende spamberichten en het genoemde e-mailadres is zelfs letterlijk overgenomen uit een bestaande scamzaak. In de frase ‘blijf dan met de tengels uit de snoeppot van uw aangelegenheden’ lijkt iemand aan het woord te komen die de dichter waarschuwt voor de mogelijke risico’s van zijn gegrasduin in het verleden; tegelijkertijd klinkt in het kinderlijke ‘tengels’ en ‘snoeppot’ juist weer een jeugdherinnering door. De onduidelijkheid over wie in deze regels het woord komt, is natuurlijk kenmerkend voor dit type spamberichten: het punt is immers dat de (kwaadwillende) spammer zonder traceerbare identiteit moet blijven, wil het bericht zoveel mogelijk druk uitoefenen. Zo bezien, komt er dus vooral ‘iets’ aan het woord in dit citaat, namelijk een ongrijpbare dreiging of een alomtegenwoordig onheil – iets dat zich niet laat vastpinnen maar ons gedrag of humeur wel degelijk beïnvloedt. Het is precies de werking van dat soort onpersoonlijke en onzichtbare krachten, méér dan de leefwereld van een individuele moeder, die Schaffer in woorden weet te vangen. Zijn poëzie laat zien hoe zulke krachten vormgeven aan onze identiteit: als anonieme stemmen, afkomstig uit een collectief onbewuste, spreken ze door ons heen.

Is mijn huidskleur een zegen of een vloek

De stemmen die Schaffer op deze manier in wie was ik: strafregels hoorbaar laat worden, zijn vaak pijnlijk en confronterend: de taal van koloniale onderdrukking en alledaags racisme treedt sterk in de gedichten op de voorgrond. Er wordt expliciet gesproken over ‘de kolonisator en zijn lachwekkende familieproblemen’ en over ‘postkoloniale aanlegsteigers’. Andere regels roepen de blijvende mentale littekens van de slavernij beeldend op: ‘zoals de slavernij niet leidde tot het einde van de slavernij / maar tot een groepje voorouders dat elke nacht opnieuw / de wirwar van plantages blijft ontvluchten’. Uit fragmenten van herinneringen wordt duidelijk hoe de koloniale verhoudingen zijn geïnternaliseerd door de gekoloniseerde, die zich is gaan gedragen naar de beelden en verwachtingen van de kolonisator:

ik wist alles al. hoe wij waren veroverd gedrild en verbeeld.

hoe je cocktails moest maken wondjes genezen domino spelen.

een kreeft schoon moest maken, praten met wit-roze mensen (blik

 

gericht naar de grond, goed ar-ti-cu-le-ren)

Eén van de vele verhaallijnen in de bundel draait om de migratie van de moederfiguur naar Nederland, alwaar ze als verpleegster van witte patiënten het projectiescherm wordt van racistische denkbeelden en angsten. ‘Wie ziek is / schrikt niet van een beetje dienstbaarheid die roept gewoon / wat ben jij zwart’, zo luidt een veelzeggende regel; en elders: ‘ze lispelde u // mag mij niet verzorgen uw handen geven af […] blijf met uw gore poten van mij af zwarte hoer’. ‘Ik kan mijn vergissen maar nederland was geen / dromenland’, zo constateert de ik-figuur met een understatement, maar het structurele racisme slaat wel degelijk diepe wonden. Alle aanpassingen ten spijt (‘het bleke gezicht op mijn eerste gezicht plakte slecht’) brengt de zwarte huidskleur voor de ik-figuur een existentiële onzekerheid met zich mee, die tot zelfs in het onbewuste leven van de droom doordringt: ‘is mijn huidskleur een zegen of een vloek. / een vraag die ik onderhand kan dromen. // maar wat is het antwoord.’

De thema’s van kolonialisme en racisme staan dusdanig op de voorgrond in wie was ik: strafregels dat het in bevreemdend is dat ze niet een centralere rol hebben gespeeld in de receptie. Intrigerend genoeg blijkt bij nader toezien dat de dichter zelf achterin zijn bundel indirect een verklaring opwerpt voor die tendens – een verklaring die teruggaat op zijn eigenzinnige visie op de droom. In de ‘Verantwoording’ vermeldt Schaffer namelijk dat Frantz Fanons Zwarte huid, witte maskers (1952) behoorde tot de ‘achtergrondlectuur’ tijdens het schrijven van de bundel. Een overeenkomst tussen Schaffer en Fanon die onmiddellijk in het oog springt is hun kritische houding ten opzichte van een traditioneel-Freudiaanse droomopvatting. Afzetpunt voor Fanon in het vierde hoofdstuk van zijn boek is een studie van de psychoanalyticus Octave Mannoni, die dromen van inwoners van het gekoloniseerde Madagascar analyseert om inzicht te krijgen in het onbewuste van de individuele Malagassiër. Fanon is fel tegen die insteek, die volgens hem depolitiserend werkt: wie de droom benadert als toegang tot het individuele onbewuste, ontkent dat de droominhoud uiteindelijk afhangt van de algemene sociale, economische en politieke omstandigheden waaronder de dromer leeft. Fanon benadrukt daarom dat ‘op bepaalde momenten de socius belangrijker is dan de mens’: ‘Het gaat erom dat de droom wordt gesitueerd in de tijd’, zo schrijft hij, ‘en dat de droom wordt gekoppeld aan de plaats.

Toegepast op de receptie van wie was ik: strafregels, biedt Fanons kritiek ook een verklaring voor de weinig politieke, nauw-biografische interpretatie die de receptie van deze bundel heeft gedomineerd. Door de zoektocht naar de moeder centraal te stellen, brengen lezers Schaffers gedichten terug tot manifestaties van een individuele wensvervulling en daarmee tot particuliere kwesties: verhouding tussen zoon en moeder, een verloren kind, hechtingsproblematiek, enzovoorts.

Maar zoals blijkt geven Schaffers poëtische dromen geen uitdrukking aan wat er zich afspeelt in zijn binnenwereld. Sterker nog, ‘door wat in het wilde weg te dromen / moeiteloos mijn buitenwereld voor een splinternieuwe ingeruild’, zo valt te lezen in wie was ik: strafregels: deze dichtkunst wil juist stemmen uit de buitenwereld binnenhalen. In interviews heeft de dichter zelf ook al vaker aangegeven dat poëzie wat hem betreft niet gaat om de identiteit van individuen, maar om de ‘ruis van taal’ die door ons heen spreekt: ‘Misschien dat dat ook wel is hoe ik de werkelijkheid ervaar’, zegt hij in het eerder aangehaalde interview met Ten Napel: ‘Al die stemmen die je elke dag hoort, meningen, opvattingen, mails, al die ruis van taal en van stemtonen, en voertalen – Afrikaans, Engels, Xhosa – daar is ook niet altijd een identiteit bij betrokken.’

Dat de dichter een dromer is, kortom, daar is in het geval van Schaffer veel voor te zeggen, maar dan wel een dichter die niets moet hebben van intieme verlangens of hoogstpersoonlijk escapisme. Integendeel: met wie was ik: strafregels presenteert Schaffer een onthutsende, magistrale bundel, die de lezer laat ervaren hoe het is om elke dag opnieuw in een collectieve nachtmerrie wakker te worden.

Een recensie door Gaston Franssen over de poëziebundel wie was ik: strafregels door Alfred Schaffer.

De Bezige Bij, Amsterdam, 2020
ISBN 9789403183107
109p.

Geplaatst op 17/07/2021

Tags: Aruba, Freud, Identiteit

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.