Proza, Recensies

Koloniaal denken anno nu

In de wacht

Alfred Birney

Is de multiculturele samenleving in Nederland mislukt? Welnee, meent de Haagse gitaarleraar Alan Noland: ‘Nederland is veel leuker nu in multicultureel opzicht dan dertig jaar geleden’. Voordat we tevreden achterover gaan leunen: denk maar niet dat daarmee alles is gezegd. De uitspraak komt namelijk van de onversaagde cultuurcriticus die het grote publiek in 2016 leerde kennen als de-zoon-van-de-tolk-van-Java, en die onmiskenbare biografische overeenkomsten heeft met de zelfbenoemde ‘postkoloniale cultschrijver’ Alfred Birney (Den Haag, 1951). Het vertellend personage Alan Noland trad al in 1991 naar voren in Birneys proza, dat toen nog verscheen bij het kleine uitgevershuis In de Knipscheer.

Birneys nieuwe roman In de wacht ligt in het verlengde van de verhaalwerkelijkheid van De tolk van Java (2016), maar blijft ditmaal bij Alan in het hier en nu. Het geweld van de dekolonisatieoorlog in Indonesië van 1945-1949 werkt door in mentale stroomstoten, en een aanhoudend probleemveld is de hybride identiteit van de hedendaagse Indo-Europeaan (Indo) in Nederland – nazaat van zowel de gekoloniseerde als de kolonisator. Nog voordat In de wacht duidelijk maakt dat Alan net een hartstilstand heeft overleefd en momenteel in een ziekenhuis is opgenomen, lezen we hoe de protagonist stellig verklaart dat hij geen Nederlander wil zijn, liever was Alan ‘stateloos’ (oftewel No-land). Alan schuift dan ook niet zijn paspoort, maar zijn geboortecohort naar de voorgrond, door zichzelf te profileren als iemand ‘van de hippiegeneratie, babyboomers of hoe ze ons ook maar noemen’.

 

Micromaatschappij

In de wacht ontrolt zich in de tegenwoordige tijdsvorm met Alan als ik-verteller, die van dag tot dag beschrijft wat er om hem heen gebeurt en vooral ook wat er in zijn hoofd omgaat, zo plots gekluisterd aan een ziekenhuisbed. Sociaal-culturele structuren, stereotyperingen en scheidingslijnen blijken in het ziekenhuis niet anders dan in de wereld daarbuiten. Tegelijk dragen de leegte van het wachten, het overzichtelijke van deze micromaatschappij en de medische procedures eraan bij dat universele overeenkomsten tussen mensen evenzeer gemakkelijk te herkennen zijn, met als grootste gemene deler de onontkoombare sterfelijkheid.

Intussen moppert Alan wat af. Bloedserieus, maar daardoor innemend slapstickachtig, maakt hij zich druk over de aanstellerigheid van hedendaagse singer-songwriters, de overbevolking, Amsterdam, kwark, de teloorgang van ‘hemeltjelief’ ten faveure van trendy Engelstalige kreten, rollators, cyborgs, mensen met het sterrenbeeld Maagd, de medicijnenmaffia, de Nederlandse Spoorwegen (uiteraard) en jochies van nu die ‘sla mengen met noten, kaas, olijven, tomaten en het geheel overgieten met een honingdressing, geserveerd met schijven speltbrood’ en dat vervolgens kóken durven noemen!

En linksom of rechtsom, Alan weet altijd wel een bruggetje te maken naar het koloniale verleden van Nederland (en de onwetendheid daarover). Ook haalt hij een heleboel persoonlijke herinneringen op, over gekke exen en verhuizingen; van opschepperijen over ‘amourettes’ met gitaarleerlingen tot een teder ervaringsverslag van het huid-op-huid ‘buidelen’ van zijn pasgeboren zoon. Nu en dan ben je getuige van tenenkrommende litanieën over de ‘eigen volk eerst’-mentaliteit van Hindoestanen (‘misschien hebben ze dat wel van de Hollanders afgekeken’), om in andere anekdotes juist weer te bemerken dat hij stiekem zijn dankbaarheid aan het tonen is voor allerlei situaties waarin Hindoestanen hem zonder aarzeling uit de brand hebben geholpen. Grote mond, klein hartje, zou je zeggen – een hartje dat eigenlijk gespaard moet blijven van al die opwinding.

 

Met zusjes bedrijf je de liefde niet

Niet bepaald opwindend zijn de vele objectiveringen van ‘vrouwelijk schoon’ in de roman. Steevast worden de vrouwen die aan Alans ziekenhuisbed verschijnen – zorgverleners en bezoekers – geïntroduceerd met een beoordelingsscan van hun uiterlijke aantrekkelijkheid. Nou ben ik het wel gewend de wereld mee te bekijken vanuit mannelijk heteroseksueel perspectief, en het zal een ‘oude rakker’ als Alan allicht zwaar vallen dat ook zijn seksleven hier in de wacht staat. Maar stelselmatige clichéfantasieën over vrouwen van begin twintig, anno 2020? Hemeltjelief.

Deze seksualisering van vrouwen gaat bij gelegenheid hand in hand met etnische profilering, bijvoorbeeld wanneer Alan in de gemeenschappelijke televisiekamer van het ziekenhuis een vrouwelijke bezoeker van een andere patiënt observeert:

[E]en Hindoestaanse meid met lang zwart haar, mooi, als ik op de gemiddelde smaak van de Hollanders afga. Ik vind er niks aan, ik val niet op Hindoestaanse vrouwen, hoe mooi ook, het zijn net zusjes en met zusjes bedrijf je de liefde niet, je wordt niet verliefd op ze, je schopt hooguit keet met ze. Koloniale erfenis van mijn Pa.

Een paar alinea’s verderop blijkt de anti-incestlogica compleet omgekeerd, wanneer Alan terugdenkt aan zijn seksuele ervaringen met vrouwelijke Indo’s (die hij ‘Inda’s’ noemt):

Ze zijn wel lekker, onze Inda’s. Ze bewegen net als ik, we hebben eenzelfde ritme, ik kan het niet uitleggen, en ze komen allemaal vrij gemakkelijk klaar, en nog eens en nog eens, ze zijn seksueel niet moeilijk. Voor het overige zijn ze dat weer wel, ik weet niet wat dat is, misschien zijn gemengdbloedigen per definitie complex.

Is dit een grotesk antwoord op de actuele oproepen tot inclusie en diversiteit? Het heeft er namelijk alle schijn van dat Alan hier een Indische remake lanceert van de oriëntalistische seksmythe over ‘Indische meisjes’ die hardnekkig rondgaat onder witte Nederlanders (het jarentachtigsucces van Marion Bloems Geen gewoon Indisch meisje (1983) ten spijt).

 

Listig spelletje

Dit brengt me bij een ontboezeming: ik vind In de wacht een vreselijk moeilijk boek. En dan niet op de manier van De tolk van Java, waar ik nachtmerries over geweldplegingen en een masterthesis voor over had. In die vorige verhaalwerkelijkheid was Alan Noland nog een karakter waar we soepel mee konden sympathiseren – heus niet simpelweg omdat hij in de slachtofferrol zat, al speelt het kiene contrast met de andere gezinsleden ongetwijfeld mee in de leesbeleving. Nu zijn beide ouders schitteren door afwezigheid, komt er een Alan naar de voorgrond die ongefilterd discriminerend denkt en oordeelt. Via een metatekstuele opmerking wordt alvast geanticipeerd op lezers die zich afvragen: wat moet ik dáár nou mee? Alan heeft ons dan net verteld over een ‘favoriet spelletje’ van hem: etnische afkomsten raden. In een wijdlopige gedachtestroom, waarin hij een vergelijking maakt tussen ‘transraciale’ mensen ‘die weigeren te accepteren dat hun raciale komaf absoluut is’ en transgender mensen, komt Alan daar kort op terug:

Is ook wel listig, dat spelletje van me. Niet iedereen is ervan gediend. De een vindt het leuk, de ander zoekt er meteen iets achter: racisme, seksisme.

We krijgen hier een duidelijke onderkenning van het controversiële van Alans stereotyperende profileringspraktijken, en tegelijk is er de claim dat het om onschuldig spelletjes gaat; sommigen zien de humor ervan in, anderen worden acuut overdreven kritisch. Goed, wie weet bestaan ze: lezers die na dit staaltje retorica menen dat hun gefrons inderdaad te achterdochtig moet zijn geweest, om over te gaan op toegeeflijker lezen. Maar wat is daarmee gewonnen? Met deze disclaimer komen de bezwaren die ‘de ander’ kan hebben, niet in discussie (en de correlatie racisme-seksisme evenmin). Hoe dan ook maakt de opgeworpen leukheid de situatie nog een graadje moeilijker, wat mij betreft, want wat betekent het nu eigenlijk als iemand discriminerende opmerkingen maakt maar ‘het niet slecht bedoelt’? Schuilt in deze argeloosheid niet een minstens zo grote listigheid? Racisme, seksisme: dat is wat de ander erin ziet.

Een bijkomend struikelblok voor mij is dat de roman amper lijkt te voorzien in een kritische speelruimte boven de ik-verteller, waar zich een instantie bevindt die over hogere inzichten beschikt dan de personages. Bij andere ongemakkelijke ik-protagonisten uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, zoals Willem Termeer en Frans Laarmans, wéten we dat geweten wordt dat zij blinde vlekken hebben in hun beleving van de werkelijkheid. Na het lezen van Alan Nolands verhaal ben ik er nochtans niet van overtuigd geraakt dat er geen achterstellende en schadelijke ideeën worden gepromoot, ook al is dat dan misschien niet eens uit kwaadwilligheid.

Wellicht zit in het spelletje van/met de ik-figuur nou juist het vernuftige van de roman, en lacht de Tovenaar van Oz nu in zijn vuistje. Niettemin houd ik rekening met de mogelijkheid dat Alan, als het om essentiële dingen gaat, uiteindelijk goeddeels samenvalt met zijn schepper. Of het iets uitmaakt weet ik niet. De mogelijkheid lijkt in ieder geval niet ontzenuwd te worden in wat Alfred Birney elders naar buiten brengt over zichzelf en zijn blik op de wereld. Daarbij stuurt het onverholen autobiografische element in de roman – Birney spreekt zelf van autofictie of ‘factie’ – aan op een vereenzelviging, ook al draagt de protagonist een andere naam dan de auteur. Hiermee beweer ik overigens niet dat zo’n vereenzelviging inherent is aan autofictie; het spel tussen fictie en autobiografie kan immers op vele niveaus gespeeld worden. De schrijver bepaalt de dosering van de autobiografische gebeurtenissen en feiten in de narratieve vorm van fictie, en heeft aldus ook de regie over de mate waarin het ‘zelf’ van het alter ego wordt gefictionaliseerd. Hoe het ook zij, die Alan Noland is quite a character.

 

The Empire writes back?

Toegegeven, hoe stoffig Alans denkbeelden ook kunnen aandoen, de roman heeft ontegenzeglijk iets verfrissends in de keuze van personages. We maken kennis met allerlei personages uit verschillende bevolkingsgroepen in Nederland, uiteenlopend in land van herkomst, leeftijd en religie, die de dagelijkse verpleegkundige en verzorgende handelingen bij de patiënten uitvoeren. Samen vormen ze een dwarsdoorsnede van de zorgverleners die je in elk stadsziekenhuis zult treffen, en die in de literatuur doorgaans hooguit in de marge verschijnen. Deze mensen kletsen met Alan over zichzelf, over hun collega’s, over andere patiënten en over cultuureigen gebruiken. Soms leiden de gesprekjes tot een beter begrip van de ander, en ik stel me zo voor dat ze ook op de lezer zo’n uitwerking kunnen hebben, te meer omdat er subtiel allerlei culturele en historische wetenswaardigheden in zijn verweven. De uitwisselingen zijn daarmee functioneel voor de sociaal-politieke lagen van het verhaal, zoals dat bijvoorbeeld ook gebeurt bij het oeverloos familiegeroddel in Hugo Claus’ Het verdriet van België (1983). Bovendien echoot in de opvoering van deze specifieke personages het postkoloniale principe van ‘the Empire writes back’, wanneer je nagaat dat het merendeel van de verpleegkundigen in kwestie een koloniale familiegeschiedenis heeft.

Dat gezegd hebbende, door de vertelvorm blijven we bij de tegenverhalen afhankelijk van Alans selectieve representaties als ‘go-between’. Ik ben benieuwd wat het had opgeleverd als de actieve vermogens van de andere personages minder beperkt waren gebleven. We lezen nu dat ‘de flink uit de kluiten gewassen Surinaamse maaltijdverzorgster’ die altijd chagrijnig is, waarschijnlijk denkt dat Alan zwarte mensen haat. ‘Ik weet het bijna zeker. Ben ik een keertje chagrijnig, vindt ze me meteen een racist. Een nakomeling van een slavendrijver.’ Maar hij vraagt het haar niet, dus we komen niet te weten wat zij werkelijk denkt. Op een ander moment hoort Alan dat ze tegen een witte patiënt wél vriendelijk doet. Ook nu blijft hij hangen in projecties volgens het oude koloniale schema. Gekrenkt zoekt hij de verklaring voor de ongelijke behandeling in zijn eigen huidskleur, en hij vraagt de maaltijdverzorgster in gedachte: ‘Staat het archetype van de blanke koloniale meneer nog altijd hoger in aanzien dan een mulat, zal ik maar denken, madame?’ Met wat rigiditeit zou je zelfs kunnen zeggen dat de diversiteit in personages hier evengoed een individuele agenda dient: het toont dat Alan als Indo niet alleen discriminatie door witte mensen ervaart, maar ook door mensen met een donkerdere huidskleur.

En als dit een poging is tot emancipatie of agency van uiteenlopende niet-witte bevolkingsgroepen, dan is -ie op z’n minst wat naïef en niet bepaald hufterproof, vrees ik. Een eerste pijnpunt bij de nadruk op onderlinge discriminatie tussen niet-witte groepen, is uiteraard het gegeven dat deze focus doet denken aan de verdeel-en-heerstechnieken die het kolonialisme kenmerken. Ten tweede: speel je het racisme tegen mensen van kleur niet in de kaart door gelegenheid te creëren om de maatschappelijke discussie te laten stagneren bij ‘maar zij doen het ook’? Bij dergelijke vergelijkingen blijft nogal eens ongezien dat het ertoe doet dat de samenleving systemisch is ingericht op witte mensen, meestal onbewust. Op geraffineerde wijze stelt In de wacht zo’n geval van vanzelfsprekende scheefte trouwens ook ter discussie: Alan heeft vaak geen flauw idee welke dag van de week het is, behalve op zondagen, want dan hebben alle witte ziekenhuismedewerkers vrijaf.

 

Huichelende Hollanders spelen kleurenblindje

Terugkomend op het agency-aspect springt in het oog dat de zorgmedewerkers zelden een persoonsnaam krijgen; zij worden consequent aangehaald aan de hand van hun migratieachtergrond (‘de Javaanse/Chinese/Schotse/Hindoestaanse verpleegster’). Bijgevolg krijg je ook als lezer nauwelijks de kans om voorbij het niveau van etnisch profileren te komen; de personages blijven dus gevangen in een bevolkingsgroep. Alans keuze voor het benadrukken van de verschillende etniciteiten is te begrijpen als een tegenreactie op de hypocrisie die hij om zich heen ziet:

Huichelende Hollanders spelen kleurenblindje om te doen alsof kleur helemaal niks uitmaakt. Totdat ze een zwarte caissière krijgen, ze zijn dan extra vriendelijk, bang om voor racist te worden versleten.

Alan verwerpt hier het adagium van kleurenblindheid waarmee progressieve witte Nederlanders vaak denken bij te dragen aan antiracisme, zonder te beseffen dat deze houding het zicht op raciale discriminatie ontneemt en completere cultuurgeschiedenissen bemoeilijkt. Bij uitbreiding problematiseert hij ook expliciet de huidige bewoordingen ‘wit’ en ‘zwart’ (‘Geen kleurenpalet, nogal polariserend’), en dit hangt wederom samen met de tussenpositie van de Indo:

Ofwel, ik mag niet meedoen aan zwart-witdebatten, tenzij ik me blank verklaar, wat niet door elke Batavier wordt gesteund, dan wel zwart, wat weer niet door elke afroman of -vrouw wordt gepruimd. Gedoe dus. Gelukkig ben ik het mijn hele leven gewend, nergens bij horen, dat scheelt.

Fascinerend is ook dat Alan alsmaar hardop aan het zoeken is naar de juiste aanduiding voor de witte Nederlander (of ‘Hollander’). Vaak valt hij terug op de verouderde term ‘blanke’, ondanks de inmiddels bekend te veronderstellen superieure lading ervan. Op andere momenten pleit hij stoutmoedig voor het hierboven al aangehaalde ‘Batavier’ (en in vrouwelijke vorm: ‘Batavière’). Met het van stal halen van de nationalistische Bataafse mythe is eensklaps het euvel omzeild dat een Zeeuw of een Gelderlander zich niet kan identificeren met de provincie-gebonden benaming ‘Hollander’, maar de Batavierenknipoog zit ‘m natuurlijk vooral in de subversieve omkering van de macht van het hernoemen: per slot van rekening doopte de VOC de havenplaats Jacatra in 1619 officieel om tot ‘Batavia’ (het tegenwoordige Jakarta), waarmee het VOC-hoofdkwartier uitgroeide van een handelskolonie tot een vestigingskolonie.

 

Contrapunten

Voor alle duidelijkheid: het is te kort door de bocht om te stellen dat hier sprake is van opzettelijk racisme. Wel denk ik dat de overdosis raciaal profileren In de wacht buitengewoon gevoelig maakt voor deze interpretatie. In de roman komt niet goed uit de verf dat er ook een mogelijkheid bestaat dat we hier niet te maken hebben met ordinair racisme. Naar aanleiding van de boeklancering vroeg dagblad Het Parool onlangs aan Birney wat volgens hem het verschil is tussen raciaal en racistisch, waarop hij antwoordt:

Een racist kijkt neer op een ander vanwege zijn uiterlijk of afkomst. Als je kijkt met een raciaal oog, zie je wel de verschillen, maar zonder die superioriteitsgevoelens. In debatten worden die twee vaak verward, maar het opmerken van culturele verschillen is niet per definitie racistisch.

Ter aanvulling hierop is het zinvol om ook terug te gaan naar het essayistisch werk van Birney. Met name in de polemische bundel De dubieuzen (2012) wordt gereflecteerd op racisme in relatie tot koloniale literatuur. Birney stelt daarin: ‘raciaal denken ontkennen is racisme ontkennen en racisme ontkennen is racisme bestendigen’, en hij onderscheidt ‘de racistische blik’, waarin niet wordt getornd aan stereotyperingen, van ‘het raciale oog’, waarin je je weliswaar bedient van clichés in raciale afbakening, maar ‘net zo gemakkelijk contrapunten [plaatst]’. De deductie doet wat simplistisch aan, en dat is jammer bij zo’n precair en complex onderwerp. Meer nog: dat het onder ogen zien van raciale en culturele verschillen iets anders is dan een racistische blik, maakt de toepassing ervan niet vanzelfsprekend onproblematisch. Zo valt niet te verwaarlozen dat deze roman iets ongrijpbaars heeft als het gaat om het bestendigen van racisme, wat samenhangt met het gegeven dat de superioriteitsgevoelens er weliswaar niet zijn, maar wel de uitgesproken gevoelens van ‘nergens bij horen’.

Verder lijkt het me wat optimistisch te veronderstellen dat de lezer de ‘contrapunten’ even zwaar laat wegen als de clichés. Zelf zie ik in deze roman in elk geval weinig verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige uitwerking van contrapunten. Als je goed zoekt zijn ze wel te vinden, de temperingen van raciale clichés, maar heel af en toe, terloops en niet in de buurt van de geprononceerde stereotyperende uiteenzettingen die ze zouden moeten counteren. Daarbij valt dan niet te denken aan uitgesproken rectificaties van gedane etnische profileringen, maar aan een enkele gebeurtenis die op een metaniveau toont (niet vertelt) dat het, individueel genomen, in de praktijk wel meevalt met wat Alan beweert over de bevolkingsgroep in kwestie. Ik noemde eerder al de vermeende Hindoestaanse ‘eigen volk eerst’-mentaliteit. Een tweede situatie die je op deze manier wellicht als contrapunt zou kunnen interpreteren, betreft de gesuggereerde commercialistische inslag van Chinezen die Alan meermaals aandraagt, terwijl de Chinese verpleegkundige elders in het verhaal genereus trakteert op cake uit eigen keuken voor alle patiënten. Ik sluit echter niet uit dat ik nu creatief aan het hineininterpretieren ben, en daarmee is mijn punt waarschijnlijk wel gemaakt.

 

Trapjesdenken

Het is een kleine stap om het raciale motief in de roman te confronteren met het harde feit dat het koloniale discours zich vóór alles kenmerkt door rassenonderscheid en rassenongelijkheid in geïnstitutionaliseerde vorm. De roman geeft hier zelf ook aanleiding toe door de vele besprekingen van de tussenpositie van Indo-Europeanen in de koloniale tijd, en de biologische variëteiten binnen deze groep. Het afgetekende contrapunt voor wat betreft dit koloniale verhaal staat halverwege het boek, in een gesprek tussen Alan en de Surinaams-Javaanse verpleegkundige, over hun beider ingewikkelde ‘gemengdbloedige’ familiestambomen in samenhang met de koloniale geschiedenis van Nederland, en de alsmaar terugkerende vraag hoe je jezelf dan vandaag de dag moet noemen als ‘tropenkind met een Nederlands paspoort’. Alan blijkt hier indirect heel Nederland toe te spreken:

Je kunt beter stoppen met hiërarchisch koloniaal denken, je moet goed beseffen dat het eigenlijk een probleem van de Batavieren is, althans, hier in Nederland. Zij hebben een groter probleem met bruine mensen dan wij met blanke mensen. Natuurlijk ondervinden wij er hinder van, maar zij voelen zich bedreigd. Als ze aan je vragen: Waar kom je vandaan, dan zeg je: Wat doet het ertoe. Of je stelt dezelfde vraag terug. Ik bedoel: vijfennegentig procent van alle Nederlanders is niet zuiver Batavier. Het probleem is alleen dat blanken het zich niet bewust zijn of dat hoeven te zijn, en wij wel.

Door hedendaagse witte Nederlanders (mede-)eigenaar van het ongelijkheidsprobleem te maken, geeft de roman hier in feite een aanzet tot een bredere benadering, waarbij wordt gemunt dat het van belang is dat ook witte Nederlanders zich bewust zijn van noties van witheid en de invloed van het hiërarchisch koloniaal denken op henzelf, anno nu (en Alan heeft het over alle Nederlanders, inclusief diegenen die zelf geen directe koloniale geschiedenis hebben). Ondanks deze heldere probleemanalyse slaagt Alan er niet in zijn eigen advies in de praktijk te brengen; het hiërarchisch koloniaal denken in termen van afkomst gaat onverminderd door in de tweede helft van de roman.

Alles bijeen heeft het idee van een raciaal oog in de Indische context noemenswaardige parallellie met het profilerend automatisme waarover Marion Bloem het heeft in haar nieuwe boek Indo: een persoonlijke geschiedenis over identiteit (2020). Ze bespreekt hierin openlijk haar eigen ‘walgelijke’ neiging om als een ‘Indische purist’ te gaan ‘trapjesdenken’ wanneer ze andere Indische of witte mensen ontmoet. Of ze hen nu op een hogere of lagere traptrede plaatst of op gelijke hoogte met haarzelf, het gaat om vooroordelen waar ze niet aan twijfelt, en alleen al daarom beschouwt ze dit mechanisme inmiddels als problematisch. Om die reden besluit ze Indo met de verklaring dat ze niemand meer Indisch wil noemen, inclusief zichzelf. Of dit houdbaar zal zijn in haar publieke rol is een tweede, maar een statement is het zeker.

Intussen zitten wij met een moeilijke roman die er eigenlijk zelfs, afgaande op Birneys mediaverklaringen, tegen wil en dank is gekomen. Dagblad NRC kopt boven het schrijversinterview bij het verschijnen van In de wacht: ‘“Ik stop met schrijven”, zei Alfred Birney. “Nee!”, zei z’n redacteur’. En kennelijk zat Birney nog midden in zijn lichamelijke herstelproces toen het boek ineens al aangekondigd stond in de folder, waardoor hij de eindversie vliegensvlug moest schrijven. Misschien openbaart zich hierin, ten slotte, de wrange postkoloniale ironie: de Amsterdamse Geus die de Haagse Indo tot tempo dwingt… Wat zou Alan Noland daarvan vinden?

 

Recensie: In de wacht van Alfred Birney door Evelyne Shamier

De Geus, 2020

Geplaatst op 06/07/2020

Tags: agency, Alan Noland, Alfred Birney, Bataafse mythe, Evelyne Shamier, Frans Laarmans, Geen gewoon Indisch meisje, Hindoestaans, In de wacht, Inda, Indo, Indonesië, Marion Bloem, raciaal oog, The Empire writes back, Willem Termeer

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

  1. Anne Sluijs

    Boeiende en weloverwogen bespreking!

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.