Kapitaal in de negentiende eeuw

De pop

Bolesław Prus (vert. Karol Lesman)

Op de gevel van een herenhuis in wat volgens de lokale Monopoly een van de duurste straten van Warschau is, prijkt sinds jaar en dag een gedenkplaat met de volgende tekst:

Op deze plek stond het huis waar in de jaren 1878-1879 Stanisław Wokulski woonde, een personage dat door Bolesław Prus tot leven werd geroepen in zijn roman De pop. Deelnemer aan de opstand van 1863, gewezen balling in Siberië, gewezen koopman en burger van de hoofdstad Warschau. Filantroop en geleerde, geboren in 1832.

Het bord zegt niet alleen iets over de manier waarop literaire fictie kan ‘inbreken’ in de werkelijkheid, het getuigt meteen ook van de iconische status die Bolesław Prus (1847-1912) sinds de publicatie van zijn magnum opus verworven heeft in zijn thuisstad Warschau. Magnum opus mag in dit geval vrij letterlijk worden genomen: meer dan 900 pagina’s lang volgen we de handel en wandel van de verarmde Warschause edelman Stanisław Wokulski, die zich als jonge student aan de wetenschap wijdt, vervolgens meedoet aan een opstand tegen de Russen en verbannen wordt naar Siberië, om na jarenlange omzwervingen weer in Warschau terecht te komen. De gewezen romanticus en opstandeling ‘verkoopt’ zich dan door in het huwelijk te treden met de weduwe van zijn voormalige baas en erft diens galanteriewinkel als de (oudere) vrouw onverwachts sterft.

Wokulski’s leven neemt een cruciale wending als hij in de ban raakt van Izabela Łęcka, een ongemeen knappe, maar wereldvreemde en hooghartige aristocrate van wie de familie op de rand van het bankroet balanceert. De extradiëgetische verteller die Prus in De pop aan het woord laat, getroost zich veel moeite om de manipulatieve trekjes van deze femme fatale in de verf zetten:

Als ze luisterde, leek ze de ziel van de verteller te willen leegdrinken. Haar ogen konden omhelzen, strelen, huilen zonder tranen, branden en bevriezen. Soms kon je de indruk hebben dat ze haar armen dromerig om iemand heen zou slaan en haar hoofd op diens schouder zou laten rusten, maar als de gelukkige dan smolt van genot, kon ze plotseling een beweging maken die duidelijk maakte dat ze ongrijpbaar was, omdat ze hem ofwel ontglipte, ofwel hem afstootte, ofwel een huisknecht simpelweg de opdracht gaf haar aanbidder de deur uit te zetten…

De in amoureuze aangelegenheden anders zo nuchtere en beredeneerde Wokulski blijkt Łęcka’s subtiele charmes niet te kunnen weerstaan. Om haar aandacht (en die van haar berooide vader) te wekken, besluit de daadkrachtige koopman ‘va banque’ te spelen. Mede dankzij enkele risicovolle, maar lucratieve handelstransacties (als wapenleverancier tijdens de Russisch-Turkse oorlog) slaagt Wokulski erin om zijn bescheiden kapitaal op korte tijd te verveelvoudigen en weet zo door te dringen tot de Warschause beau monde.

De risicokapitalist Wokulski wordt zo al snel the talk of the town (of, in Prus’ woorden, ‘een voorwerp van algehele belangstelling’): zijn naam brandt op ieders lippen, iedereen in Warschau – van arbeider tot aristocraat – is gefascineerd door zijn steile gang op de maatschappelijke ladder en door de niet altijd doorzichtige amoureuze en zakelijke belangen die hem drijven. Ook voor Łęcka, die de man aanvankelijk afwijst als een ongemanierde parvenu, blijft Wokulski een enigma. Prus formuleert het als volgt:

Het was absoluut niet mogelijk om hem [Wokulski] in één zin te omschrijven, zelfs niet in honderd zinnen. Hij leek op niemand en als je hem al met iets kon vergelijken, dan waarschijnlijk met een bepaalde omgeving waar je de hele dag doorheen reisde en waar je in aanraking kwam met laagvlakten en bergen, bossen en weiden, water en woestijn, dorpen en steden.

Honderden pagina’s lang volgen we het theater van maatschappelijke conventies dat zich voor Wokulski’s ogen ontspint. We zien ook het schimmenspel in zijn hoofd dat hem, rationalist en romanticus tegelijkertijd, steeds radelozer maakt en hem tot op de rand van de afgrond drijft. Niet alleen het financiële, maar ook het emotionele huishouden van Prus’ hoofdpersonage beleeft de nodige ups-and-downs (of, om in diens economische jargon te blijven, ‘Het in jaren opgepotte kapitaal van gevoelens betaalt zich nu uit met rente’).

Als we de Poolse setting en de vele Poolse realia buiten beschouwing laten, dan laat De pop zich lezen als een universeel verhaal over een onmogelijke en onbeantwoorde liefde, een zogeheten mésalliance die wordt gefnuikt door onoverbrugbare klassenverschillen en sociale conventies. Prus’ boek is daarnaast een door en door negentiende-eeuwse Europese roman: De pop beschrijft een lang vervlogen wereld waarin personages van stand zich in hun salons plegen neer te vlijen op chaises longues, waarin nobele heren met elkaar duelleren om de goede naam van al even nobele dames en waarin de opkomende spoorwegindustrie onvermoede perspectieven biedt voor romanpersonages met liefdesverdriet en suïcidale neigingen.

Tezelfdertijd is De pop ook een panoramische roman die een rijk geschakeerd beeld ophangt van een land dat in de negentiende eeuw de facto niet bestond, verdeeld als het was over drie vijandige mogendheden. Prus’ personages hebben het daarom vrijwel steeds over ‘ons ongelukkige land’ (aangezien het toponiem ‘Polen’ voor de tsaristische censoren niet door de beugel kon). De pop laat daarbij een samenleving zien die niet zozeer met de externe vijanden (dat wil zeggen Rusland, Pruisen en Oostenrijk), maar vooral met zichzelf in de knoop ligt. De Poolse adel cultiveert de mythe van het roemrijke Polen van weleer, maar wordt verteerd door egoïsme en morele degeneratie (met een taalgebruik dat door de verteller wordt omschreven als ‘een met Franse woordjes doorspekt Pools dat daardoor steeds meer was gaan lijken op een mensengezicht met huiduitslag’). De opkomende bourgeoisie raakt steeds meer gedesillusioneerd en vervalt in inertie, terwijl het gewone volk in ellende leeft en het slachtoffer is van de zelfingenomenheid van de hogere maatschappelijke klassen. De Joden tenslotte, die in het laatste kwart van de negentiende eeuw zowat een derde van de Warschause bevolking vormen, worden geconfronteerd met frequent geweld, vervolging en discriminatie en raken slechts moeilijk ingeburgerd.

Joodse personages spelen een weliswaar beperkte, maar niettemin markante rol in De pop. Frappant is enerzijds de schijnbare achteloosheid waarmee Prus’ verteller verslag doet van antisemitische oprispingen in het laatnegentiende-eeuwse Warschau (als waren dergelijke voorvallen de normaalste zaak van de wereld). Zo maakt hij op zeker ogenblik melding van ‘een groepje schattige kleuters […] die zich op een heuveltje langs de kant van de weg hadden opgesteld en stenen naar passerende Joden gooiden’. Anderzijds worden Joodse personages ook ingezet om de nodige kritiek te ventileren op het mercantiele karakter van de monogame romantische relatie (en bij uitbreiding het ‘Poolse systeem’ waarin die zit ingebed): ‘Jullie zogenaamde ridderlijk-kerkelijk-romantische liefde is in feite een walgelijke ruilhandel, gebaseerd op bedriegerij die zeer terecht gewroken wordt met levenslange galeistraf, ook wel het huwelijk genaamd.’

Terwijl de tot over zijn oren verliefde Wokulski er hooggestemde opvattingen over vrouwen op nahoudt (‘De lamp waarvan de lichtstralen de weg van de civilisatie vergulden, dat is de vrouw. Zij ook is de onzichtbare springveer van daden waarvoor een ongewone geestkracht is vereist’), lopen er voor het overige behoorlijk wat misogyne personages in De pop rond. Prus’ roman bevat dan ook een hele reeks vrouwonvriendelijke statements die tegenwoordig de toets van de politieke correctheid niet zouden doorstaan. Zo laat Wokulski’s naaste vriend Ignacy Rzecki zich het volgende ontvallen over diens love interest: ‘Mejuffrouw Łęcka is mooi, omdat ze mooi is, maar meer dan een vrouw is ze niet’. Elders heet het dan weer, in Prus’ typische kapitalistische jargon, dat ‘van alle spaarbanken [de vrouw] de minst betrouwbare [is]’.

Omdat het dagelijks leven in de Poolse metropool met veel zin voor detail en precisie wordt beschreven, is De pop ten slotte ook een echte stadsroman, die zich laat lezen als een kroniek van Warschau in de tweede helft van de negentiende eeuw. Enig naturalisme is Prus daarbij niet vreemd. De Poolse stad wordt meer dan eens voorgesteld als een broeierige mestvaalt bevolkt door runderen en zwijnen. Het detaillistische karakter van de roman werkt af en toe echter ook storend, zeker als het gaat om Prus’ neiging om zoveel mogelijk narratieve eindjes aan elkaar te knopen. Voor een al bij al klassieke roman als De pop geldt het bekende principe dat als er ergens een spreekwoordelijke mus van het dak valt, die mus ergens in het verhaal nog wel eens zijn rentree zal maken. Het is pas aan het einde van de roman dat Prus de narratieve teugels wat laat vieren en de nodige ‘Leerstellen’ in zijn vertelling toelaat. Als het grootste deel van de roman cirkelt rond de vraag ‘Wie is Wokulski?’, dan draaien de laatste hoofdstukken rond de kwestie ‘Waar is Wokulski gebleven?’. Het (relatieve) gebrek aan closure komt prominent tot uiting in de woordloze titel van het slothoofdstuk: ‘…?…’.

Dat de lezer in het ongewisse blijft over de verdere lotgevallen van Prus’ held, blijkt uiteraard ook uit de eerder vermelde gedenkplaat, die weliswaar Wokulski’s geboortedatum en diens Warschause woonplaats preciseert, maar niets zegt over een sterftejaar.

Tot slot, en bij wijze van postscriptum: op de plek waar Wokulski’s huis en galanteriewinkel moeten gestaan hebben, bevindt zich tegenwoordig – geheel toevallig, maar niet geheel ongepast – een kantoor van een van Polens grootste commerciële banken (opgericht vlak na de val van het communisme). De schrijver zelf huist tegenwoordig enkele tientallen meters verder, aan de overkant van diezelfde straat, in de grootste (en naar hem vernoemde) academische boekhandel van de Poolse hoofdstad.

L.J. Veen Klassiek, Amsterdam/Antwerpen, 2015
ISBN 9789020414523
926p.

Geplaatst op 25/12/2015

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.