Proza, Signalement

Glad ijs

Land van dadels en prinsen

Frank Nellen

Frank Nellen debuteerde najaar 2019 met de roman Land van dadels en prinsen. De naam van deze auteur doet waarschijnlijk geen belletje rinkelen: in tegenstelling tot veel andere debutanten van tegenwoordig kwam hij niet op de literaire radar via zomerkamp, residentie of schrijfwedstrijd, maar werd het manuscript van deze jurist en wetenschapper door uitgeverij Hollands Diep in de slush pile ontdekt. Mogelijk vanwege een gebrek aan bekendheid van de auteur via dit ‘voorcircuit’ (zoals Gaea Schoeters het in een artikel op rekto:verso noemde) werd Land van dadels en prinsen tot voor kort nog nauwelijks opgemerkt. Dat kan er ook gewoonweg mee te maken hebben dat dit boek de plank nogal misslaat.

De roman opent met twee zware motto’s. Het eerste is van dr. Rudolph Jarriers uit Sozialphilosophische Überlegungen zur organischen Existenz (1927), een obscuur proefschrift dat Nellen naar eigen zeggen bij toeval ontdekte in een antiquariaat. Het citaat luidt: ‘De mensheid is een aan een plaag grenzend natuurverschijnsel wier bestaan eventueel gerechtvaardigd kan worden door de spaarzame momenten waarop liefde – échte liefde – opflakkert in haar gelederen.’ Het tweede citaat is een stuk bekender en komt uit Orientalism (1978) van Edward Said: ‘From the beginning of Western speculation about the Orient, the one thing the Orient could not do was to represent itself.’ Verbind deze twee motto’s aan het onderwerp van het boek – de fatale vriendschap tussen de Franse Simon en Algerijnse Youssef – en je begrijpt: de auteur begeeft zich op glad ijs.

We hebben hier immers te maken met een Westerse, meer specifiek Nederlandse, auteur zonder ogenschijnlijke migratieachtergrond, die volgens het omslag met Land van dadels en prinsen een verhaal geschreven heeft ‘over vriendschap en verraad, over terrorisme, over de tijd waarin we leven en de ongemakkelijke verhouding die mensen met een migratieachtergrond vaak hebben met het land waarin ze wonen’. Hoe verhoudt dit gegeven zich tot waar de geciteerde Said juist kritiek op had, namelijk het onderwerpen van de Ander aan Westerse representatie, alsof de Ander zichzelf niet zou kunnen (re)presenteren? Nog zonder aan het boek te zijn begonnen, zit ik vol vragen over de keuze voor juist dit motto. Tijdens het lezen blijft echter onduidelijk wat de auteur er nu echt mee wil zeggen. Het boek laat me in verwarring achter.

Het verraad

Eerst het verhaal. Dat begint in Parijs, 2019, bij het personage Tulard. In zijn functie van gerechtspsychiater wordt hij opgeroepen vanwege een aanslag. Het Franse hoofd terrorismebestrijding, luitenant Doriot, is doodgeschoten door een ‘dader met een Algerijnse achtergrond’. Aan Tulard de taak hem te verhoren en een psychiatrisch rapport op te stellen. Zodra hij de jongen in kwestie ziet, herkent hij hem: het is Youssef, die hij slechts kent van een foto, gevonden in de studentenkamer van zijn zoon Simon die zichzelf vier jaar eerder verhangen heeft. Op de foto heeft Simon een arm om Youssef heen geslagen. Tulard weet verder niets over hem of de vriendschap tussen de twee jongens – de relatie tussen vader en zoon was afstandelijk.

De lezer komt meer over de vriendschap tussen Simon en Youssef te weten via de hoofdstukken die zich afspelen in 2015 en verteld worden door Simon. Hij zet zijn zomer met Youssef van tien jaar daarvoor op papier voordat hij zelfmoord pleegt. De bekentenis zal hij naar de hoofdcommissaris sturen in de hoop dat die Youssef, die hij na die bewuste zomer niet meer gezien heeft, zal opsporen. De twee jongens ontmoetten elkaar bij toeval in Clichy, waar Simon, op dat moment vijftien jaar oud, wegens ruzie met zijn vader bij zijn oom verblijft. Leeftijdsgenoot Youssef nodigt Simon om onduidelijke redenen uit om samen de daken van Parijs op te gaan: hun samenzijn bestaat uit klimmen en klauteren op weg naar mooie uitzichtpunten en slaapplekken, ondertussen op zoek naar openstaande deuren die uitnodigen tot het stelen van eten en drinken.

Over zijn nieuwe vriend schrijft Simon: ‘Wie was deze jongen in godsnaam? Ik bestudeerde hem, zijn donkere haar en bruine huid, en pas op dat moment stond ik erbij stil dat hij een Noord-Afrikaans uiterlijk had. Het was gek dat me dat nog niet eerder was opgevallen.’ Door dit soort opmerkingen lijkt Simons verslag gaandeweg aan te tonen dat hun achtergronden geen rol spelen. Simon merkt op hoe ze steeds meer op elkaar gaan lijken doordat hijzelf bruinverbrand raakt door de zon op de daken. Zonder dat de verteller zich er van bewust lijkt te zijn, is hij zich tegelijkertijd juist overbewust van Youssefs uiterlijk, dat in stereotype termen wordt beschreven: hij heeft donkere ogen met een ‘flikkering’, een warm lichaam, is mysterieus en zwijgzaam, onbeschaafd en dierlijk (brult ‘als een leeuw’, balanceert op het dak ‘als een ooievaar’, beweegt op een katachtige manier, heeft ‘de blik van een stervend dier’…).

Steeds meer wordt Youssef daarnaast afgebeeld als een held, een redder, een onvoorwaardelijke vriend, terwijl Simon vaststelt dag hijzelf een ‘onbestemde valsheid’ in zich heeft: ‘Het was een grondlijn in mijn karakter, een weeffout die scherp afstak tegen Youssefs goedaardigheid.’ De functie van Simons hoofdstukken in het boek lijkt het belichten van de goede kant van deze Algerijnse jongen. ‘Voor zover ik wist deed Youssef geen slechte dingen.’ De lezer weet ook niet meer: Youssef is in geen van de hoofdstukken de verteller of focalisator.

Tussen de in literair opzicht oninteressante beschrijvingen van deze zomerdagen door, maakt Simon overdadige toespelingen op het ‘grote verraad’ dat hij tweemaal zal plegen tegenover zijn nieuwe vriend. Zijn eerste misstap: uit jaloezie op Youssefs klimtalenten laat hij zijn vriend opbiechten dat hij analfabeet is. Het tweede verraad vindt plaats na een bizarre scène waarin de jongens mishandelde duiven redden uit een duiventil en het ding vervolgens in brand steken. Ze worden gearresteerd en achter slot en grendel gezet door de politie. De brigadier van dienst, van wie later duidelijk wordt dat hij luitenant Doriot is, spoort Simon aan te bekennen dat de misdaad Youssefs schuld was: ‘Waarschijnlijk was dit alles het idee van die Noord-Afrikaan. Of niet?’ Simon beaamt dit uit zelfbehoud direct, waarna Youssef in de gevangenis wordt vastgehouden – een overigens zeer ongeloofwaardige passage waarin hij naakt en mishandeld in een cel, zonder licht, water of brood, opgesloten zit, in Frankrijk anno 2005 – terwijl Simon vrijuit gaat. Diens schuldgevoel hierover is tien jaar later nog zo groot dat hij voor zelfdoding kiest.

Medelijden voor de goedaardige migrant

In de bekentenis van Simon wordt Youssef kortom afgeschilderd als altruïst en slachtoffer van racistische opvattingen van de politie, iemand met wie de lezer medelijden zou moeten hebben. De hoofdstukken vormen een contrast met die waarin Tulard aan het woord is. Hij geeft een totaal ander beeld van migranten zoals Youssef. De lezer komt gaandeweg te weten dat deze gerechtspsychiater uit fascinatie voor de hoge criminaliteitscijfers onder Noord-Afrikaanse migranten het boek De Arabier in Frankrijk heeft geschreven, waarin hij aan de hand van cijfermateriaal en statistiek aantoont dat ‘de Arabier’ in psychologisch opzicht een fundamenteel ander wezen is dan ‘de Fransman’. Een niet bepaald subtiele vorm van oriëntalisme dus. Het is Youssef die Tulard tijdens zijn verhoor moet vertellen dat de moeizame integratie van veel niet-Westerse migranten aan discriminatie en ongelijke kansen ligt. Dat kan Tulard echter niet geloven. In zijn overtuiging dat Youssef verantwoordelijk is voor de dood van zijn zoon, wurgt hij de jongen tenslotte, waarmee het boek eindigt.

Van belang is het motief van Youssef om de aanslag te plegen. ‘Ik heb luitenant Doriot vermoord vanwege je zoon,’ vertelt hij Tulard tijdens het verhoor. Meer informatie krijgt de lezer niet, maar het bevestigt de karakterisering van Youssef uit Simons bekentenis: hij is een onbaatzuchtige, trouwe vriend die zijn vrijheid en uiteindelijk zijn leven opgeofferd heeft om wraak te nemen voor een jongen die hem nota bene verraden heeft. Youssefs woorden in het verhoor ondermijnen de representatie die Tulard van ‘de Arabier’ schetst door er met argumenten tegenin te gaan, maar de representatie die Simon van hem geeft niet. Daardoor lijkt de simplistische en schadelijke interpretatie waartoe de lezer zou moeten komen dat het verkeerd is om slecht gedrag van migranten te duiden als inherent aan hun wezen omdat het personage Youssef laat zien dat er ook ‘goeien’ bij zijn. Het doet me denken aan het goedbedoelde maar pijnlijke opiniestuk van D66-politici Rob Jetten en Jan Paternotte die stelden dat Nederlanders minder vooroordelen over Marokkanen moeten hebben omdat hun integratie ‘een doorslaand succes’ is.

Hoe verhoudt Land van dadels en prinsen zich nu tot Saids kritiek? Het boek wijst wel degelijk de extreme opvattingen en acties van Tulard af, maar Frank Nellen zet daar een nieuwe vorm van Westerse representatie voor in de plaats. Op enkele uitspraken tijdens het verhoor na, krijgen we Youssefs verhaal niet te horen. Zo lijkt Land van dadels en prinsen het eigen motto gek genoeg te bevestigen. Een hoogst ongemakkelijk boek.

Recensie: Land van dadels en prinsen van Frank Nellen door Anne Sluijs.

Hollands Diep, Amsterdam, 2019
ISBN 978 90 488 4867 6
202p.

Geplaatst op 18/03/2020

Tags: 2019

Categorie: Proza, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.