Leven schenken aan een omroepstem

Het station

Joris van Casteren

God was niet langer de baas van de mensen, maar in elk geval nog van de treinen. Daar was ik als kind van overtuigd. Tijdens zijn terugtocht uit de wereld was God blijven steken onder de overkapping van het Centraal Station. Die paar keer per jaar dat we met de trein reisden, was ik diep onder de indruk van de alwetende stem die uit de hoogte op ons neerdaalde. Vertragingen werden tot op de minuut nauwkeurig meegedeeld, spoorwisselingen kregen we foutloos door. En altijd gebeurde dat op de kalme maar gezaghebbende toon van een opperwezen. Wel vond ik het raar dat de stem van God een beetje blikkerig klonk. Alsof Hij in een koektrommel was gestopt.

Later verdween dat idiote idee, zoals de meeste idiote ideeën verdwijnen wanneer je ouder wordt, maar de omroepstem op treinstations bleef me fascineren. Is het nou een bandje dat wordt afgedraaid? Of een computer die spreekt? Niet altijd, want soms hoor je de stem haperen of zich verspreken. Wie zijn de mensen die alle wijzigingen doorgeven? Waar in het station zitten zij? En wat doen ze de hele dag? Stationsomroeper, dat is toch geen beroep?

Dat is het dus wel, weet je na lezing van Het station, het nieuwe boek van Joris van Casteren (1976). Het station waarover het in dit boek gaat is het Centraal Station van Amsterdam. En de omroepers van dienst heten Gerard en Netty. Ze doen dat werk al vijfentwintig jaar. Gerard drinkt kruidenthee met honing, Netty eet drop. ‘Want niets is erger dan hoesten in de microfoon.’ Zomaar iets roepen, mogen ze niet. De tekst moet eerst worden voorgelegd aan het landelijk verkeerscentrum in Utrecht. Je hoort Gerard en Netty trouwens alleen na vertragingen die langer dan vijftien minuten duren. Alle vertragingen die binnen het kwartier vallen zijn voor de stemcomputer, ingesproken door Tuffie Vos, dochter van voormalig televisiepresentatrice Tineke de Nooij. Daar is, al met al, weinig goddelijks aan.

Van Casteren is een Nederlandse journalist met een literaire pen. Je zou hem een Gonzo-journalist kunnen noemen à la Hunter S. Thompson, alleen is de stijl van Van Casteren radicaal anders: onderkoeld, afgemeten, observerend. Op zijn beste momenten doet hij aan de vroege Gerard Reve denken. Van Casteren werd bekend met zijn reportages voor De Groene Amsterdammer, en werkt onder meer voor De Correspondent en de Volkskrant. Zijn boek Lelystad (2008), over zijn jeugd in de Flevopolder, werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Met zijn vorige worp, Het been in de IJssel (2013), sleepte Van Casteren een nominatie voor de Bob den Uyl-prijs in de wacht.

Het station verschijnt naar aanleiding van het 125-jarig bestaan van Amsterdam Centraal, ontworpen door architect Pierre Cuypers. Het gebouw is naast doorgangsplaats nog altijd een toeristische attractie van formaat. Voor Het station, uitgegeven door Bas Lubberhuizen, een in de stad Amsterdam gespecialiseerde uitgeverij, nam Van Casteren een kijkje achter de schermen van het Centraal Station. Het resultaat is een karakterstudie van een beroemd gebouw in 160 pagina’s.

In die studie richt de aandacht van Van Casteren zich slechts in beperkte mate op het gebouw zelf en zijn rijke historie. Een hoofdstuk, ‘D’Eenhonderd Roe’, is gereserveerd voor de ontstaansgeschiedenis van Amsterdam Centraal. Ook maakt Van Casteren een verkenningstocht door de ingewanden van het station, begeleid door ‘locatiemanager’ René Wubs. In de catacomben onder het station stuit Van Casteren op een meer dat wordt gebruikt om de sprinklerinstallaties van water te voorzien:

We komen in een vierkante kamer met muren van baksteen. In een van de muren is op borsthoogte een opening uitgespaard. Naast de opening zie ik, vreemd genoeg, twee roeispanen staan. Wubs helpt mij op een spekgladde verhoging onder de uitsparing en voor mij zie ik iets wat lijkt op een onderaards meer. Het meer is rimpelloos, aan de oever ligt een plastic bootje.

Zo heeft Amsterdam Centraal nog meer geheimen onder en achter haar monumentale voorgevel. Maar de aandacht van Van Casteren gaat vooral uit naar de mensen die Amsterdam Centraal bevolken. In het eerste hoofdstuk beschrijft de journalist de verwondering die hij voelde toen hij voor het eerst op Amsterdam Centraal aankwam vanuit het keurig geordende Lelystad waar hij, zoals gezegd, opgroeide.

Een groot blauw bord in de centrale hal met wegklepperende bestemmingen. Duizenden schoenen – tikkend, schrapend, piepend – hondengeblaf, snerpende fluitjes. Tegen de pilaren, dat herinner ik mij scherp, een legertje haveloze figuren: halfdoden uit een mij onbekend schemerrijk.

Amsterdam Centraal is in alles het tegendeel van de klinische stad waar Van Casteren vandaan komt. Het station is een chaotische en imponerende plek vol rafelige levens. ‘Dit leek geen station maar een kerk. Een kerk waar een uiterst merkwaardige eredienst werd opgevoerd.’

Het gaat Van Casteren om de deelnemers aan die vreemde eredienst: de reizigers en de medewerkers. Niet voor niets citeert hij Joseph Mitchell: ‘I enjoyed observing them and I enjoyed listening to them. They were like actors in a play, only the play was real.’

Veel van de acteurs op Amsterdam Centraal spelen noodgedwongen een droevige rol. Zoals de vele daklozen, junks en dealers. Voor hen lijkt Van Casteren een zwak te hebben. Aan een van de daklozen, Franz, geeft Van Casteren een slaapzak. Franz is een 44-jarige Duitser die nog niet zo lang op Amsterdam Centraal rondhangt. Hij is een punker, maar zijn legerkisten zijn gestolen zodat hij rondloopt op een paar gezondheidsslippers die iemand hem cadeau deed. ‘Ik schaam mij kapot,’ zegt Franz tegen Van Casteren, ‘een punker op gezondheidsslippers!’ De Duitse man heeft longkanker en rookt hasj tegen de pijn in zijn borst. Veel van zijn tijd brengt hij op en rondom het station door. ‘Weet je hoeveel mensen hier per uur langslopen?’ vraagt hij. ‘Meer dan tienduizend, ik heb het geteld.’ Slapen doet hij achter het station, onder de potons bij de veerboten.

Van Casteren tekent ook verhalen op over zwervers die zijn verdwenen of overleden, zoals meneer Geurtjes (‘te vies om aan te raken’) en Opa Jozef (‘zo mogelijk nog smeriger dan Geurtjes’). En er was Kontakis de Griek, die plastic zakken om zijn voeten droeg. Toen hij op een dag mee moest naar het bureau en de zakken van zijn voeten haalde, bleken die in staat van ontbinding te zijn.

Amsterdam Centraal is een plek waar levens makkelijk kwijtraken. Ook de medewerkers van wie Van Casteren de verhalen optekent lijken vaak wat verloren rond te dolen op het station. Zoals Widia Smeenk, eigenaresse van de openbare toiletten op spoor 2b. Smeenk leerde het werk eind jaren zeventig van haar oma, die als toiletjuffrouw werkte op Amsterdam Centraal. In 1986 nam ze de ruimte over. In de loop der jaren werd het werk steeds anoniemer. Er werden betaalpoortjes geplaatst en een glazen loket waar ze in moest zitten. Volgens Smeenk is het contact met de reiziger verdwenen. Als Van Casteren op een avond bij haar langsgaat treft hij een eenzame vrouw aan. ‘Smeenk zit achter het glas in haar hokje. Ze rookt een elektronische sigaret en speelt een potje poker op haar telefoon. Af en toe stopt ze een afgekoelde kipnugget in haar mond.’

Ook een actie tegen zwartrijders eindigt in een ietwat doelloos avontuur. Samen met een aantal NS’ers van Veiligheid & Service kamt Van Casteren treincoupés uit. Ook moeten ze alert zijn op andere criminelen. ‘Railsafe,’ heet de actie. Het loopt op niets uit. Zwartrijders worden niet gevonden, onschuldige mensen worden per ongeluk aangehouden en weer vrijgelaten. Een kort moment lijkt er serieus werk aan de winkel:

Terug op Amsterdam Centraal bereikt ons het bericht dat er een trein uit Maastricht aan zal komen waar zich een grote groep zwartrijders in zou bevinden. Met Frans en de NS’ers ren ik naar het perron waar de betreffende trein zal arriveren. Dan deelt de meldkamer mee dat er sprake is van een misverstand; de situatie is reeds opgelost.

Het station schetst een kleurrijk en veelzijdig beeld van Amsterdam Centraal. Maar het beeld dat na lezing blijft overheersen is dat van een ietwat treurige plek, een opslagplaats voor verloren levens, die altijd in de schaduw staan van treinen en vertrektijden.

Het Centraal Station is een plek waar mooie reizen aanvangen, maar ook een plek waar hopeloze levens eindigen. Een plek die bestemmingen bereikbaar maakt maar eveneens, ruw en onbarmhartig, eindbestemmingen markeert. Als je niets meer hebt is dit de eindhalte, een veilige luwte waar je, ogenschijnlijk, tamelijk ongezien kunt zijn.

Daarmee is Het station een typisch Van Casteren-boek geworden, waarin vergeten levens door de schrijver met een ingetogen pen worden gerestaureerd. Eerder ontfermde Van Casteren zich al over vergeten schrijvers in Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf (2006) en over vergeten dichters in In de schaduw van de Parnassus (2002). En in Het been in de IJssel (2013) gaat hij op zoek naar de onbekende eigenaar van een aangespoeld onderbeen. Het lijkt Van Casterens drijfveer te zijn, als schrijver en journalist, om licht te werpen op wat normaal ongezien blijft. Vaak brengt dit hem naar ietwat troosteloze plekken waar het leven weinig heroïsch wordt geleefd. Van Casteren prefereert de kleine mislukking boven de grote overwinning. Daarin schuilt tegelijkertijd ook zijn grote kracht.

Het station is een kleinood in Van Casterens oeuvre. Niet zijn opzienbarendste publicatie, maar nog altijd een genot om te lezen. Tegelijkertijd is het een mooi standbeeld voor alle levens die dagelijks onopgemerkt Amsterdam Centraal doorkruisen. Leven schenken aan een omroepstem, dat kan alleen Van Casteren.

Links

Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2015
ISBN 9789059373969
160p.

Geplaatst op 08/03/2015

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.