Luisterend vertellen

De verhalen

Willem Brakman

Willem Brakman (1922-2008) was een verwoed lezer voor hij een verwoed schrijver werd. Misschien kwam het door die lectuur dat hij laat debuteerde. Bijna veertig was hij toen hij in 1961 zijn eerste roman, Een winterreis, liet verschijnen. Nog datzelfde jaar volgde zijn tweede roman, Die ene mens, en in 1962 verscheen de eerste verhalenbundel, De weg naar huis. Hoewel er een duidelijke evolutie aan te wijzen valt in het oeuvre van Brakman – hoe zou het anders kunnen met meer dan 50 titels in 45 jaar? – had dat werk vanaf het begin een eigen toon en stijl. Dat blijkt uit De weg naar huis. Vier van de vijf verhalen uit deze bundel gaan over de jongen die in alle werken van Brakman opduikt: een dromerig kind dat er niet bij hoort, dat observeert in plaats van participeert, dat diep in zichzelf en in de wereld kijkt en zo met spijt én trots ontdekt dat hij noch van zichzelf noch van die wereld kan houden.

Gouden jeugd

Ergens anders zijn en iemand anders zijn, het is een verlangen dat alle hoofdfiguren van Brakman koesteren én vervloeken. Het jongetje uit De weg naar huis heeft een hekel aan zijn succesvolle leeftijdsgenoten, de voetballers, de patsers. Maar hij imiteert ze ook, op zoek naar ‘groot succes, instemming, bewondering, bijval’. Dat mislukt en zo wordt hij steeds meer de outsider die alleen in zijn binnenwereld leeft. Tijdens zijn puberjaren wordt dat nog verergerd door zijn ontluikende seksualiteit. Ook die wordt gekoesterd én vervloekt; ze vervult hem tegelijkertijd met plezier en schaamte. Hij vreest dat hij abnormaal is en dat iedereen hem op elk moment kan ontmaskeren:

Die andere jongens, dat was altijd wel het punt waarbij zijn schaamte ontstond, hij kon zich eenvoudig ook niet voorstellen dat de zwetende, stampende en hijgende voetballers aan zoiets zouden denken, door dat tumult droeg hij altijd een brekelijk, zorgelijk hoofd, vol schemerlicht en fantasieën, en de razernij en vernedering die ontstond bij een klap of een bal tegen dat hoofd, opschrikkend gebrul of gejoel, droeg altijd het karakter van betrapping, bespotting. […] daar was zijn moeder in tekortgeschoten, alles vertellend aan zijn vader, tot zijn nachtelijke fantasieën toe, tot die hem bij de arm greep – ‘luister jij eens, jongen… jij bent niet als de andere jongens, jij hebt een hoofd met lamplicht, een hoofd met een fluittoon, daar heeft je lieve moeder veel verdriet van, jij zondert je af met dat hoofd onder de dekens, ik heb eens onder die dekens gekeken, jongen… wat doe jij daar… dom op school… geen vrienden…

Opsommingen (van karakteristieken maar ook van onderdelen) en beelden (bijvoorbeeld van het hoofd vol lamplicht) vormen vanaf het begin de spil van Brakmans beschrijvingskunst. En het object par excellence dat via die opsommingen en beelden beschreven wordt, is het lichaam, vooral het lichaam in verval. Zo wordt de grootmoeder van het jongetje beschreven in ‘Bij hoog en bij laag’:

Een lichaam van doekjes, watjes, lucifertjes, kammetjes en bakjes lauw water met zeepschuim, een nog maar nauwelijks te redden of in toom te houden lichaam, waar de twee tantes de hele dag stommelend mee bezig waren. Hij vreesde, een heel jaar aftakeling aan dit beeld toevoegend, het weerzien meer dan wat ook.

In Brakmans wereld is de mens een samenraapsel van delen die van meet af aan niet bij elkaar passen, die gaandeweg samenklonteren en dan weer uit elkaar drijven. De jonge arts Wunnemeiden, de enige volwassen hoofdfiguur in De weg naar huis, denkt na over de wereld voor hij, Wunnemeiden, er was:

Nergens is Wunnemeiden, angstig idee is dat… Nergens, in geen huis en op geen weg… maar hij komt. Magnesium, kalium, zuurstof, bladeren, regenwater en wind in de bomen… het waait, sijpelt en krioelt naar elkaar toe. Nog duizend jaar tot Wunnemeiden… nog honderd… nog vijf… en daar ís Wunnemeiden en God mag dan weten waarom.

Wunnemeiden en de jongens die hem in de verhalenbundel voorafgaan, zoeken ‘de weg naar huis’, maar verder dan zoeken en onderweg zijn, komen ze niet. Hun verlangen naar huiselijkheid, warmte en lamplicht zal alle latere Brakmanfiguren vergezellen, in verschillende verhoudingen van weemoed en trots.

De terugkeer van vergelijkbare figuren, verlangens en beschrijvingen doet vermoeden dat veel van Brakmans werk autobiografisch is. Dat geldt zeker voor De weg naar huis, dat volgens Brakmanbiograaf Gerrit Jan Kleinrensink niet enthousiast onthaald werd door de familie Brakman, die zich in niet al te flatterende vormen herkende in de bundel. Gaandeweg zal Brakman zijn autobiografie steeds meer mythologiseren, maar de fundamenten blijven dezelfde, net als de cruciale figuren die uit Brakmans leven geplukt zijn. Zo is er al in de eerste bundel sprake van meester Besteman, buurvrouw Paap, de dikke Boender, die in de sluis sprong en verdronk. Scheveningen en Den Haag vormen het vaste decor, zelfs in deze vroege verhalen, die af en toe in Zeeland gesitueerd zijn omdat de familie van het jongetje daar vandaan komt. Het realistische decor maakt soms plaats voor dromerige scènes, bijvoorbeeld aan het eind van de bundel wanneer Wunnemeiden zich inbeeldt dat hij zijn dode vader (in realiteit is de man ziek, maar niet gestorven) ‘een eenmansbegrafenis’ geeft. Dergelijke overstapjes van realiteit naar verbeelding zullen bij Brakman steeds frequenter en verregaander worden.

In Water als water, oorspronkelijk verschenen in 1965, zit de eenheid niet langer in terugkerende figuren en decors, maar in de beeldende stijl, de ironische en melancholische toon, de aandacht voor lichamelijk verval en vooral: het brede vertellen. Het korte slotverhaal is helemaal gebouwd rond het beeld van een man die in een boot op het water drijft, ‘zo’n beeld had zijn eigen wil, ja die beelden hebben een willetje…’ Het jongetje van de debuutbundel treedt hier alleen in het titelverhaal op. Tegen zijn broer vertelt hij dat hij bij de padvinders wil gaan. Maar zijn uiteenzetting meandert, hij stapt van het ene verhaal en beeld naar het andere en de lezer moet volgen. Op die manier ervaart die de breedte (het ene verhaal naast het andere) en diepte (het ene verhaal ingebed in het andere) van Brakmans verhalen. Of de verteller betrouwbaar is, valt te betwijfelen. Zo zegt hij over een Indisch jongetje op school:

Hannie Schoneberg heette het knaapje, en tussen de pieken van zijn achterhoofd weefde de cosmetica roze vliezen in de zon. Het was een bijzonder plat achterhoofd, dat weet ik zeker, maar soms denk ik opeens dat het juist een bijzonder sterk naar achteren hangend achterhoofd was, zo’n geweldige bubbel zoals dat wel kan voorkomen, zonder dat zo’n jongen daarom nu beter leren kan. Belangrijk is deze twijfel niet, maar het blijft vreemd.

Aan het eind van het verhaal, waarin de jeugd een mythe wordt, het knippen van amandelen een rituele moord en de jeugdbeweging een geheim genootschap, zegt de jongen: ‘In het spoor van ziekten, epidemieën en pest wandelt het bijgeloof, maar ik dacht toch dat het zo geweest is, anders heb ik het mij verbeeld en zou ik het verder ook niet meer weten, want men moet het toch beleefd hebben om erin te geloven.’

Het openingsverhaal van de bundel gaat over een juffrouw die oudjes begeleidt op een uitstapje naar de speeltuin, waar hun verval contrasteert met de energie van spelende kinderen. ‘Boer’, het tweede verhaal, gaat over Koelle, een wandelaar die op het platteland allerlei beelden van dood en vruchtbaarheid door elkaar ziet lopen. De beeldspraak suggereert dat hij in zijn eigen hoofd rondwandelt: ‘Zo cirkelde hij iedere avond door zichzelf en wandelde alles aan elkaar wat struik, steen en boom voor hem hadden bewaard.’ Zijn wereld is één grote opsomming van wat aan zijn oog voorbijtrekt. Meestal gaat het om gehate wezens, ‘gezichten in alle verschieten: de levenden, de energieken, de smalvoorhoofdsbeenderigen, de breedkakigen, de bolnekkigen, de glanslozen, de koudogigen.’ Daartegenover staat de goddelijke vrouw, ‘geheel uit witte armen opgebouwd’, moederlijk maar onbereikbaar. Ze maakt Koelle ‘misselijk van aanbidding en vernedering’.

In ‘Herfstmaneuver’, het derde en langste verhaal van de bundel, gebruikt Brakman voor het eerst een ik-verteller die schijnbaar over een ander praat – de in zichzelf gekeerde Carp, die als reservist weer ‘onder de wapenen’ moet komen – maar in feite voortdurend zichzelf onder de aandacht brengt. Daarbij spreekt hij vaak tot de lezer, want hij vreest dat die niet zal luisteren – al is dat nog niet het ergste: ‘Het is ergerlijk en teleurstellend wanneer er niet wordt geluisterd naar wat men zegt, maar nog ergerlijker is het wanneer men niet eens datgene zeggen kan waarnaar niet wordt geluisterd.’

Dat zal de typische Brakmanverteller worden, uitweidend en ontwijkend, iemand die na vijf pagina’s gedetailleerde, beeldende beschrijvingen zegt: ‘Nog steeds heb ik niet verteld hoe onze held er uit ziet, dat wil zeggen, ik heb geen rekening gehouden met de slechte lezer’. Die slechte lezer beseft niet dat alles in de verhaalwereld van Brakman in beelden te zoeken is: het uiterlijk en innerlijk van de personages, de gebeurtenissen en de plot, de verhaalontwikkeling – alles wordt samengehouden doordat het ene beeld het andere oproept. Traditionele verbanden als oorzaak en gevolg worden zeldzaam. Brakman lezen wordt verbanden zoeken. En vaak verrast worden.

Bij de onvoorspelbaarheid past ook de humor van Brakman, die steeds de verwachtingen van de lezer onderuithaalt. Zo spreek je iemand moed in: ‘“De tijd slijt alles op,” troostte Carp de man, “u zult zien, over een poosje zult u er weer verdriet van hebben.”” Zo vraag je naar het onbekende: ‘Wanneer is de volkomen onverwachte alarmoefening?’ En zo begin je een gesprek met een onbekende:

Waar over te spreken viel wanneer men elkaar niet kende en niets te zeggen wist? Dat was eenvoudig. Over alles. Carp overwoog zelfs een ogenblik de borst tegen de tafelrand te gooien, armen met een smak op tafel, handpalmen naar boven gekeerd: ‘Vader! kan men de dood overleven?’ Een vreemde vraag, zeker, want de dood kan men niet overleven, maar indien gesteld met borst, handen en armen dan viel daar toch zeker over te praten, een eten lang.

De verteller gebruikt Bijbelse en ouderwetse taal (‘Ge zult zeggen..’), maar wie verwacht dat die deftige taal over fatsoenlijke dingen spreekt, komt bedrogen uit. Een psalm die God looft, eindigt met ‘poep / overste / man van landwegen, prenten, geur van lampoverstoven karpetten’.

Ondanks alle samenhang blijft Carp, net als alle Brakmanfiguren, een buitenstaander: ‘Hoofdzaak blijft de oninvoegbaarheid, de buitenstaander die men is te erkennen als een door de Here meegegeven stempel van verafschuwde en begeerde ellende, te weten dat men door granieten wet is voorbeschikt om te kijken, een goddelijk oog rond te dragen in een introvert hoofd’. De aalmoezenier omschrijft die outsider als ‘de eenling, de in geen enkel groepsverband meer te plaatsen eenling, of het moest de groep zijn van de in geen enkel verband meer te plaatsen eenlingen.’

Oud goud

Wanneer Brakman eind jaren zeventig kort na elkaar twee verhalenbundels publiceert, is hij geen beloftevolle debutant meer, maar een gevestigd en gewaardeerd auteur. Voor Zes subtiele verhalen (1978) krijgt hij de F. Bordewijk-prijs; in 1980 ontvangt hij de P.C. Hooft-prijs. De zes verhalen zijn, zoals de titel suggereert, ingehouden en relatief sober van stijl. De bundel begint met de beschrijving van een ‘subtiele’ foto van Brakmans ouders, ‘Maria Leuntje de Broekert en Hendrik Brakman’. Ook elders is de autobiografie niet ver weg. Zo is er het verhaal van oom Henk, militair en typograaf, bij wie het jongetje zich veilig voelt. De blik van de jongen is bekend:

Het moet gezien zijn om het zich te kunnen voorstellen, maar dan gezien met de ogen van een onthutste, geschrokkene en verzaligde, de ogen van een ongelovige, vervoerde en vreemdeling op aarde. Het moet gezien zijn om het zich te kunnen voorstellen, maar dan gezien met de ogen van een onthutste, geschrokkene en verzaligde, de ogen van een ongelovige, vervoerde en vreemdeling op aarde.

Ook Brakmans geëmigreerde broer, Jack alias Sjaak, krijgt een verhaal, waaruit blijkt dat die man, in tegenstelling tot de hoofdfiguur zijn jeugd allang achter zich heeft gelaten. De schilderende hoofdfiguur (alweer een biografisch gegeven; Brakman was een dubbeltalent) heeft het begrepen: ‘Ik leerde al iets van de gruwelijke waarheid kennen van de kunstenaar: “wat me niet buitensluit is de moeite niet waard”’. Het verlangen iemand anders te zijn wordt letterlijk genomen in ‘Een zeker onbehagen’: de hoofdfiguur neemt de plaats in van zijn buurman Koos en keert in de armen van diens vrouw terug naar het paradijs van zijn kinderjaren.

Maar de hoofdfiguur wordt ouder, zijn jeugd steeds meer een mythe. Daardoor wordt het heden, net als de rite, een heropvoering van die mythe, en zo wordt de verhaalwereld van Brakman een toneelruimte. Wat de hoofdfiguur doet, wordt beschreven als een ‘optreden […] van een nobele regie.’ Het decor wordt steeds meer een geestelijke ruimte, ‘geest, dacht hij, deernis, fijne essentie die zich meedeelde aan wang, oog, rug en hem.’ De buitenwereld valt steeds meer ten prooi aan afbraak en commercie, bijvoorbeeld in het verhaal ‘Engel’, waar de titelfiguur een gevallen reclameartiest blijkt.

Het slotverhaal, ‘Karels dwaling’, is uitzonderlijk omdat het een historisch verhaal is (Brakman had net zijn historische roman De blauw-zilveren koning voltooid), maar het is ook typisch omdat de koning een figuur is als zovele Brakmanfiguren, een dromer, een moederminnaar (hier de mythische Moeder Kerstin Bure) en een verhalenverteller, die op weg naar de oorlog beweert dat hij op weg is ‘naar de verhalen in de verhalen.’ Dat blijkt te kloppen, want leugen en waarheid, fictie en realiteit, hallucinatie en waarneming zijn in dit verhaal nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Het apocalyptische einde met een brandstapel vol lijken zou wel eens alleen in het hoofd van Karel kunnen bestaan: ‘Binnen in zijn schedel tierde eenzelfde vuur, diep en ver in zijn herinnering, maar machtig uitwaaierend tegen deze hemel met geschreeuw.’

Door het ouder worden contrasteert de binnenwereld, die de jeugd nog bewaart, steeds scherper met de buitenwereld, die helemaal in het teken van dood en verval komt te staan. Zo is er de bejaarde man die na een attaque verzorgd wordt in ‘Oorsprong en doel der geschiedenis’, een verhaal uit Vijf manieren om een oude dame te wekken (1980). De man vraagt ‘met een tien jaar oud stemmetje’ of iemand hem wil voorlezen. Het conflict tussen buiten en binnen wordt exemplarisch verwoord in een van de bekendste verhalen van Brakman, ‘Het kind dat wij waren’ uit dezelfde bundel. De titel verwijst naar het klassieke gedicht van E. du Perron en wordt bij Brakman een symbool voor het wonderlijk begaafde kind dat verscholen zit in de steeds verder afstompende volwassene. Holm, ‘een hoffelijk man van middelbare leeftijd’, hoort een kind huilen, het kind dat hij zelf ooit geweest is. Hij neemt een jongetje mee naar het Veen, maar dat loopt slecht af.

Wat geweest is, valt immers niet te herstellen – tenzij misschien in verhalen, beelden en liedjes die zich niet al te veel aantrekken van traditionele geloofwaardigheid. Dat wil zeggen: van het realistische herstel van wat voorbij is. Zo tovert de hoofdfiguur van ‘Liefde als amore’ de onbereikbare geliefde, de dode moeder en het kinderlijke paradijs tevoorschijn uit de ether. De radio laat de sopraan Haydn Assrani horen: ‘“Ik hou van u,” zong ze, “alleen van u, moedertje is niet dood, God bestaat, de engelen ook, heus, alles is vree.”’

In ‘Bedlam’, het meest fantastische en beeldende verhaal uit de bundel – en in die zin het nauwst aansluitend bij de late Brakman – vormen kinderboeken de wankele, papieren basis waarop de ouder wordende hoofdfiguur zijn verloren paradijs probeert te reconstrueren. Schenk, een psychiater-arts, lijkt een geavanceerde versie van Wunnemeiden. De instelling, gemodelleerd naar het Leidse Endegeest, waar Brakman als coassistent werkte, én naar het schilderij ‘Endegeest’ van Floris Verster, wordt langzamerhand een inferno. De geest verliest zijn huiselijkheid: ‘Substantie ging verloren, maar de geest woekerde.’ In die woekering duiken verhalen uit sprookjes en jongensboeken op als verre reddingsboeien. Zo meent Schenk in het verhaal van de drie biggetjes beland te zijn:

Maar boven het tumult uit was het hoge jammeren te horen van de biggen, klagende telefoonstemmetjes, een driestemmige doodsangst, aah… ooh… oeh… Schenk, beklemd en bedrukt, meende zelfs even de letters scherp en zwart boven de struiken te zien zweven.

De verhaalwereld wordt een theatrale en hallucinante opvoering van teksten uit de jeugd, en bij die teksten hoort de wonderlijke versmelting van geluk en angst, van gezelligheid en huiver. Het hoeft niet steeds om jeugdboeken te gaan, wel om boeken van vroeger. In ‘Portret van een dame’, het lange slotverhaal van Vijf manieren om een oude dame te wekken, probeert de hoofdfiguur zich te redden door alles in zijn wereld te zien als de strak geregisseerde opvoering van verfijnde verhalen uit de late negentiende eeuw, genre The Portrait of a Lady (1881) van Henry James. Vandaar zinnen als: ‘Ik was bereid haar conform de verhalen een uitzonderlijke vrouw te vinden’, of:

Helmich beloofde ons een mythologisch licht over de Vecht, vleugjes Camera obscura met snufjes theekoepels, verstilde hekken en oprijlanen, God weet hadden enkele parken wel grondmist. Hij herinnerde zich van de heenreis huizen als uit een verhaal, die wilde hij weerzien, en zijn anders zo dreigende herfstmelancholie zou nu zeker geen enkele kans krijgen.

Naar het eind van zijn leven zou Brakman meer dan eens zeggen en schrijven dat hij eigenlijk in de negentiende eeuw thuishoorde.

Goud papier

De twee laatste verhalenbundels van Brakman zijn zelfbewuste, beeldrijke en uiterst virtuoze uitwerkingen van alles wat in de vorige bundels aan bod kwam. Het vertellen van verhalen wordt steeds meer becommentarieerd, de wereld wordt nadrukkelijker een papieren ruimte waarin oude verhalen met veel ironie en ritualisering opgevoerd worden. Dat moet de wonderlijke ervaring van het kind oproepen. Het jongetje, met zijn dubbelzinnige moederliefde, zijn haat en bewondering voor zijn oudere broer, krijgt een hoofdrol in ‘Het Mariabeeld’, het voorlaatste verhaal uit Een familiedrama (1984). Hij gaat op bezoek bij een dik, katholiek meisje en haar familie. Zo leert hij wie God is in de ogen van haar vader: ‘Je moet dan weten dat Hij als een steenpad is door bloeiende oleanders omzoomd, diep rood, roze en wit. Hij is als het water in de bergdalen, hel en blauwgroen als het ochtendlicht…’ Dergelijke beelden, die zich niet laten parafraseren, worden schering en inslag in de late verhalen. Ze laten het realistische verhaal ver achter zich en scheppen een parallelle, soms groteske wereld. Als de moeder na allerlei liefdesperikelen van haar twee zonen ineenstort en lijkt op te zwellen, zegt de dokter: ‘Ik ken het verschijnsel eigenlijk alleen als metafoor.’ Het jongetje beweert dat zijn broer gestorven is: ‘“Haar enig kind,” zei hij, “ik ben de andere zoon.”’ Het huwelijk van de succesvolle broer wordt beschreven als de begrafenis van de moeder.

Het spreken in metaforen wordt gethematiseerd in ‘Het evangelie van Chabot’, waar het Bijbelse vertellen (‘Ik zal u erover vertellen in gelijkenissen’) de inzet wordt van een duel tussen een oude en een jonge preker. De ruimte lijkt een opvoering van de schilderijen van Hendrik Chabot, de gesprekken en monologen zijn een verbastering van Bijbelse teksten, hilarisch maar vol melancholie: ‘Wie mij volgt zal in de duisternis niet stommelen. Ik hou wel van water, niet van zwemmen, maar van erin staan en dan wat rimpelen.’ Alles wat in dit verhaal gebeurt, vindt plaats ‘bij wijze van spreken’, een spreken dat alle tegenstellingen in één groot gebaar samenneemt: ‘Zijn hart zwol van hunkering naar lijden, offer, ondergang en bloei, en opeens alles samenballend: koorknapen, kerk en hemel, mompelde hij: “En nu koffie, nu een sterke bak leut.”’

Ook in ‘Rendez-vous in de dierentuin’ worden teksten opgevoerd en ironisch vervormd. Zo spreekt de leraar De Haas met de heilige Antonius over flaubertiaanse bekoringen terwijl een stoet helse schimmen voorbijkomt. Goden en heiligen voeren een toneelstuk op dat met vele knipogen naar min of meer herkenbare teksten de bekende Brakmanthema’s vormgeeft. Arthur-legenden vormen dan weer de basisstof van het historische verhaal ‘Artorius’, waarin Merlijn als verhalenverteller verantwoordelijk is voor de ontmoeting tussen de toekomstige vader en moeder van Arthur. Soms lijkt het verhaal een sprookje, soms een biecht, soms een Bijbels tafereel rond Judas en de kruisiging. Maar steeds blijft de grondtoon (melancholie en humor) herkenbaar, net als het brede stilistische palet vol beelden, opsommingen, uitweidingen en inbeddingen. Een goede prater blijft een goede luisteraar: ‘“Ik ben een hoorder,” moet u weten,” zei Merlijn, “ik kan een streep hoopvol licht aan de horizon horen.”’

In Een jongensboek (1987) keert Brakman terug naar het jongetje uit de eerste bundel, maar met behoud van alles wat in de tussenliggende bundels aan bod kwam: de beeldspraak, het zelfbewuste vertellen, de opvoering van teksten als basis van de narratieve realiteit. Zoals de titel suggereert, liggen jongensboeken aan de basis van de verhaalwereld waarin het jongetje drie ooms voorstelt: Izak, Henk en Anton. Zo voert ‘Oom Henk’ De club uit Rustoord op en gedraagt de man zich volgens het script van andere jeugdboeken:

Daar legde hij tot mijn ontsteltenis een brede, onrustige hand op mijn schouder als in het boek Eind goed, al goed. Hij leek nu totaal verward; met een akelige, nergens op terug te voeren glimlach drukte hij mij vast tegen zich aan, iets wat ik me nergens uit kon herinneren, hoogstens uit De zilveren schaatsen in de waanzinscène aan het vuur, indien zeer nauwkeurig gelezen.

Maar ook werken als Historiën en mystieke verhalen worden met veel overtuiging opgevoerd door de personages. Natuurlijk mag ook de Bijbel niet ontbreken, ‘dat prachtige jongensboek, waarin de lijdende hoofdfiguur er op alle platen en plaatsen van is vervuld dat iedere stand of handeling die niet is doordrongen van God een misdaad is.’ Elke houding of handeling is een rituele opvoering van teksten die samenhangen met de mythische kindertijd.

Wat de gezonde mens vrijheid zou noemen, is hier verdwenen. Maar daar staat tegenover dat de Brakmanfiguur op deze manier wél deel kan hebben aan het leven, namelijk het leven van papier, het bestaan in verhalen. In ‘Oom Henk’ probeert de jongen Willem van Akijne (de naam komt uit de eerste twee romans van Brakman) ‘zijn belevenissen in het vertellen zelf te vinden en zich in deze zin verre te houden van wat hij echt had meegemaakt.’ De echte trauma’s van de buitenstaander worden vervangen door het opgenomen worden in de verhaalwereld. Dat is het geluk dat Brakmans figuren in het late werk vinden en dat ze willen behouden door steeds opnieuw verhalen te verzinnen en te vertellen. Het is geen wonder dat Brakman na Een jongensboek geen afzonderlijke verhalenbundels meer publiceerde: de verhalen werden ondergebracht in de romans, die in de laatste fase van Brakmans ontwikkeling zowel op een collectie korte verhalen leken als op een verzameling lyrische schetsen. De roman als verhalenbundel én als poëzie, dat is de late Brakman.

Zochten Brakmans figuren in het vroege werk nog naar een vereniging tussen binnen- en buitenwereld, dan beseffen ze later dat ze zich alleen kunnen verzoenen met de wereld van papier en verhalen. Opgaan in de ruimte van verhalen, dat is de inzet van het hele oeuvre van Brakman, die ondanks zijn ironie altijd gericht bleef op meeslepend vertellen. Daarvoor had en heeft hij goede luisteraars nodig, het type lezer dat Brakman zélf was, ‘want er is geen verteller of hij komt wel uit een luisteraar.’ Misschien zorgt deze nieuwe editie van Brakmans verzamelde verhalen voor die begenadigde luisteraars. De inleiding van Arjan Peters doet alvast het nodige om de belangstelling te wekken. Het valt te hopen dat het oeuvre van Brakman, dat nu alleen als e-book te verkrijgen is, binnen afzienbare tijd weer op papier verschijnt. Want dát is de wereld van Brakman.

Links

Querido, Amsterdam, 2013
ISBN 9789021449715
696p.

Geplaatst op 15/04/2014

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.