Geschiedenis, Recensies

De onconventionele levens van vier zussen  

Nobele wilden

De Oliviers: vier vrouwenlevens

Sarah Watling

Dat deze biografie van vier onbekende vrouwen geboren in de negentiende eeuw juist nu verschijnt, is tekenend voor de huidige tijd waarin, door de invloed van feministische en anti-koloniale bewegingen, vrouwen en mensen van kleur hun plek claimen in de geschiedenisboeken. De Britse historicus Sarah Watling sluit zich hierbij aan met het verhaal over het leven van de vooruitstrevende zussen die de geschiedenis zijn ingegaan als figuranten van de vermaarde Bloomsbury-groep, een groep schrijvers en kunstenaars aan het begin van de twintigste eeuw in de Londense wijk met die naam. In Nobele Wilden. De Oliviers: vier vrouwenlevens stelt Watling de levens van de zussen centraal en maakt van hen protagonisten. Ze schetst in haar boek een fascinerend beeld van de maatschappelijke (on)mogelijkheden voor vrouwen in de eerste decennia van de twintigste eeuw.

Legendevorming

Over het leven van de zussen Olivier was weinig bekend totdat Sarah Watling zich in hun bestaan verdiepte. In de inleiding van de biografie, die in het Engels is getiteld Noble Savages. The Olivier Sisters (2019) en door Mariella Duindam werd vertaald, schrijft Watling dat het niet eenvoudig was om het leven van deze vrouwen uit de vergetelheid te ontrukken. Gedetailleerde getuigenissen van hun bestaan waren er niet. Ze leefden een teruggetrokken leven en waren geen publieke figuren. Watling kwam de zussen op het spoor door een anekdote over Christopher Hassall, de biograaf van de dichter Rupert Brooke. Rupert correspondeerde tot aan zijn vroege dood in 1915 met de jongste zus, Noel, voor wie hij een obsessieve en onbeantwoorde verliefdheid koesterde. Hassall had in de jaren zestig tevergeefs geprobeerd Noel te bewegen deze brieven af te staan voor zijn biografie over Rupert. In 1991 werd de correspondentie tussen Noel en Rupert alsnog uitgegeven door de kleindochter van Noel. Watling legde voor haar biografie contact met haar en de andere nazaten van de zussen en kreeg van hen toestemming om gebruik te maken van privédocumenten, waaronder dagboeken en brieven.

Door de levens van de zussen Olivier te reconstrueren en hun maatschappelijke omstandigheden te belichten, toont Watling aan welke mogelijkheden vooruitstrevende Engelse vrouwen uit de hogere klasse in de eerste decennia van de twintigste eeuw hadden en welke obstakels zij bij het opbouwen van een eigen bestaan tegenkwamen. Met haar keuze om over de vier zussen gezamenlijk een biografie te schrijven houdt Watling het beeld van ‘de Oliviers’ als viereenheid in stand. In hun jeugd en tijdens hun studietijd brachten de vier zussen veel tijd samen door. Twee van hen studeerden in Cambridge en sloten ze zich daar aan bij een vriendengroep, die de Neo-Pagans werd genoemd en een voor die tijd opmerkelijk vrije levensstijl had. De levens van hun vrienden als Rupert Brooke, David Garnett, Lytton Strachey en Virginia Woolf werden later veelvuldig beschreven in biografieën. Deze Bloomsbury-leden waren in hun tijd al publieke figuren in tegenstelling tot de gezusters Olivier, die slechts ter loops in de correspondentie tussen deze vrienden ter sprake kwamen. Later in hun leven begaven de zussen zich weliswaar niet meer in het vooruitstrevende artistieke milieu van de Bloomsbury-groep, maar hun levens geven daarentegen wel een beeld van de maatschappelijke veranderingen voor vrouwen in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Idyllische jeugdjaren

Margery, Brynhild, Daphne en Noel Olivier werden geboren aan het eind van de negentiende eeuw. Om de drukte en stank van Londen te ontvluchten, vertrok het excentrieke gezin naar het graafschap Surrey. Al snel volgden de familievrienden, zoals het echtpaar Garnett. Met hun zoon David zou Noel haar leven lang contact blijven houden. In de gepubliceerde jeugdherinneringen van David spelen de zussen Olivier een prominente rol. David was als kind diep onder de indruk van hun wilde spel en noemde de zussen ‘nobele wilden’. Zij kregen, zoals in die tijd gebruikelijk in de hogere middenklasse, thuisonderwijs, waarvoor zelfs een docent natuurkunde aan het University College London werd aangetrokken. Hun vader Sydney was een prominent lid van de Fabian Society, een gezelschap van intellectuelen met reformistische en socialistische ideeën. Daarnaast was hij lid van de Labour Party. Hij maakte carrière in diplomatieke dienst en verbleef een aantal malen voor langere tijd in het buitenland.

De jeugdjaren van de zussen speelden zich af in de Edwardiaanse tijd, die eindigde met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In die periode was het Verenigd Koninkrijk een wereldmacht. Er heerste bij de hogere klassen, waartoe het gezin behoorde, optimisme en een sterk geloof in vooruitgang. In gezelschappen werd gediscussieerd over de emancipatie van vrouwen en het invoeren van algemeen kiesrecht. De zussen werden door hun ouders aangemoedigd om zich intellectueel te ontwikkelen en in hun omgeving waren vrouwen die een academische opleiding hadden gevolgd. Zoals Constance Garnett, de moeder van David en vertaler van Russische literatuur, die had gestudeerd aan Newnham College in Cambridge. Ook Margery en Daphne studeerden aan dit college, dat in 1871 was opgericht voor uitsluitend vrouwelijke studenten. Veertig jaar nadat Cambridge de eerste vrouwelijke studenten had toegelaten, werden ze nog steeds niet beschouwd als volwaardige studenten, aldus Watling. Zo golden in die tijd voor vrouwen in Cambridge andere voorwaarden en regels dan voor mannen. Vrouwen kregen na een succesvolle afronding van hun studie geen academische graad. Het beroepsperspectief voor vrouwelijke academici was teleurstellend. Na het afronden van haar studie economie in 1911 merkte Margery, die in haar studententijd net als haar vader politiek actief was in de Fabian Society, dat het voor haar onmogelijk was om in het verlengde van deze studie een baan te bemachtigen.

Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kregen vrouwen meer kansen om zich maatschappelijk te ontwikkelen. Door de afwezigheid van de mannen die vochten aan het front, werden traditioneel mannelijke beroepen toegankelijk voor vrouwen. In haar biografie maakt Watling echter ook duidelijk dat ondanks hun vooruitstrevende opvoeding en de mogelijkheden om te studeren het voor de oudste twee zussen onmogelijk bleek om een eigen leven op te bouwen. Margery kampte na de afronding van haar studie met blijvende psychische problemen. Zij moest worden opgenomen en zou als langstlevende van de zussen nooit meer buiten de muren van een kliniek wonen. Brynhild heeft een bestaan als kunstenaar niet kunnen verwezenlijken. Ze trouwde en werd moeder, maar haar leven zou tot haar vroege dood allesbehalve rooskleurig verlopen.

De jongste twee zussen konden dankzij hun opleiding en met veel doorzettingsvermogen een zelfstandig bestaan opbouwen. Daphne kwam na haar talenstudie aan Newnham College in de jaren twintig in aanraking met de antroposofie en werd een toegewijde volger van de Oostenrijkse esotericus, schrijver en pedagoog Rudolf Steiner (1861-1925). Ze vertaalde zijn werk en speelde daarmee een belangrijke rol in de verspreiding van zijn ideeën in de Engelstalige wereld. Daarnaast richtte Daphne samen met haar echtgenoot de eerste vrije school van Groot-Brittannië op. Noel had het geluk om geneeskunde in Londen te studeren in een tijd dat de beroepsperspectieven voor vrouwelijke artsen beter werden. Zij specialiseerde zich als kinderarts en schreef daarnaast een opvoedkundig handboek voor jonge moeders. Zij zette als getrouwde vrouw en moeder haar medische loopbaan voort, wat zeer ongebruikelijk was.

De keerzijde van de bronnen

Watling maakt in deze biografie inzichtelijk dat een vooruitstrevende opvoeding en toegang tot een prestigieuze universiteit voor vrouwen niet vanzelfsprekend leidden tot een succesvol maatschappelijk bestaan. In haar reconstructie van het leven van de zussen verschaft Watling zich veel vrijheid door hun gedrag te interpreteren en gevoelens toe te kennen aan de personen die zij beschrijft. Over de studententijd van Margery schrijft Watling in haar biografie bijvoorbeeld:

Cambridge was voor Margery een openbaring gebleken. Hier had ze de kans om haar vleugels uit te slaan, los van haar vroegwijze jongere zussen, van wie ze wel veel hield maar die, zo vreesde ze, veel aantrekkelijker waren dan zijzelf. In Cambridge kon Margery, die inmiddels drieëntwintig was, zich onderscheiden; ze voelde zich geïnspireerd en bevrijd door alle nieuwe denkbeelden, maar kon tegelijkertijd voortbouwen op haar ongetwijfeld prettig vertrouwde fabianistische achtergrond.

Uit bovenstaand citaat komt een storend aspect van de biografie naar voren; in navolging van haar bronnen legt Watling in haar beschrijvingen een grote nadruk op de schoonheid van de zussen. Niet terloops, maar nadrukkelijk en voortdurend. Zoals in de passage over de ontmoeting van Brynhild met Rupert, waarvan het tweede deel van de zin mijns inziens overbodig en zelfs denigrerend is: ‘Brynhild werd eind 1907 tijdens een skiuitje aan Rupert voorgesteld en maakte veel indruk op hem; zij was een van de weinige mensen wier schoonheid net zo opvallend was als die van hem.’ De correspondentie van anderen over de zussen werkte de mythevorming over hun uiterlijk in de hand. In haar biografie maakt Watling niet van de gelegenheid gebruik om daaraan tegenwicht te bieden en dat is een gemiste kans. Deze biografie bevestigt juist de fascinatie voor het uiterlijk van de zussen en dit wordt nog verder versterkt door de keuze van de foto op de voorzijde van het boek. Werd voor de Engelse editie nog gekozen voor een foto van de vier zussen gezamenlijk tijdens een picknick, op de Nederlandse editie staan vier aparte portretfoto’s van de zussen als jongvolwassenen.

In de delen van de biografie over het latere leven van de zussen blijft Watling sterk gericht op uiterlijke schoonheid, zoals wanneer ze schrijft over het moederschap van Brynhild: ‘Bryn had in juni een dochtertje gekregen dat ze Anne hadden genoemd, en dat naar verluidde het geluk had op haar moeder te lijken.’ Ook hier had de biograaf er mijns inziens beter aan gedaan om het tweede deel van de zin weg te laten. Dit citaat valt onder ‘small talk’, iets wat bekenden tegen elkaar zouden zeggen. Daarbij komt dat bij deze zin en bij veel andere passages die lijken te zijn gebaseerd op brieven, geen bronvermelding vermeld staat. Wie achter het ‘naar verluid’ schuil gaat, blijft voor de lezer een raadsel.

De biografie had aan kracht gewonnen als Watling zich bewust was geweest van haar bijdrage aan de mythevorming over de zussen en zich kritischer had betoond bij het citeren van fragmenten uit de correspondentie. Door deze aanpak ontbeert de biografie een laag die het boek interessanter had gemaakt; een kritische reflectie op het grote belang dat ook in die tijd werd gehecht aan schoonheid en jeugd. Alle vooruitstrevende idealen ten spijt, de werkelijkheid was weerbarstig voor de zussen die opgroeiden in een milieu waarin gelijke rechten voor vrouwen en mannen belangrijk waren. In de afgelopen honderd jaar hebben vrouwen meer mogelijkheden gekregen om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Desalniettemin toont deze biografie aan dat onder de oppervlakte hardnekkige gendermechanismen zijn blijven bestaan, zoals de nadruk op het uiterlijk van vrouwen.

Een ander storend aspect komt voort uit de wijze waarop de biograaf de bronnen gebruikt. Zo komen de meeste beschrijvingen in de eerste helft van de biografie rechtstreeks uit brieven van jongvolwassenen aan elkaar. Dat is weliswaar vermakelijk om te lezen, maar hun belevingswereld is beperkt en door veelvuldig te citeren uit de correspondentie kent de biograaf hieraan onevenredig veel belang toe. Het geroddel, breed uitgesponnen voorvallen en de wat onbenullige wederwaardigheden over uitjes ontnemen het zicht op de uitzonderlijke situatie waarin deze geprivilegieerde jonge mensen zich in die tijd bevonden. Watling had er beter aan gedaan juist deze uitzondering te benadrukken. De biografie was sterker geweest als de biograaf hun verhaal had gesitueerd in de tijd, waarin van jonge vrouwen werd verwacht zich voor te bereiden op een bestaan als ‘the angel in the house’ en geen zelfstandige maatschappelijke loopbaan na te streven.

Watling, die zelf ook studeerde aan Newnham College, maakt zich in haar nawoord sterk voor een geschiedschrijving waarin ook voor de levens van vrouwen een rol van betekenis is weggelegd. Daarbij komt haar kennis over tal van historische onderwerpen van pas, zoals de progressieve bewegingen in de Edwardiaanse tijd, de vernieuwing in het onderwijs, de toegang tot de medische beroepsgroep voor vrouwen, de behandeling van psychiatrische patiënten en de beperkte mogelijkheden voor vrouwen om een universitaire studie te volgen. Ze heeft bij de reconstructie van hun levens de persoonlijke verwikkelingen van deze vrouwen verweven met maatschappelijke ontwikkelingen van die tijd. Dat maakt de biografie over deze vier zussen ook vanuit historisch oogpunt de moeite waard. Daarbij is Watling een bevlogen biograaf. Ze beschrijft haar verbijstering toen ze zich ging verdiepen in de maatschappelijke opvattingen die een zelfstandig leven voor vrouwen honderd jaar geleden in de weg stonden. Zo beweerden medici in de Victoriaanse tijd dat de intellectuele ontwikkeling van jonge vrouwen leidde tot gezondheidsrisico’s. Om hun intellectuele capaciteiten te kunnen benutten, moesten vrouwen in die tijd weerstand bieden aan psychische druk en maatschappelijke minachting. Tijdens het schrijven van de biografie realiseerde Watling dat vrouwen nog steeds worstelen met een erfenis waarvan ze zich wellicht niet eens bewust zijn.

Een recensie over Nobele wilden. De Oliviers: vier vrouwenlevens van Sarah Watling (vertaald door Mariella Duindam) door Lenny Vos.

Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Mariella Duindam
ISBN 9789025312183
448p.

Geplaatst op 16/06/2021

Tags: Bloomsbury, Olivier, zussen

Categorie: Geschiedenis, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.