Recensies, Samenleving

Woorden worden daden. Of niet?

Opspraak. Verslagen van de twintigste eeuw

Harry Mulisch

In de jaren zestig zwoer Harry Mulisch de fictie af en vond zijn heil in het schrijven van enkele reportageboeken over maatschappelijke tendensen en gebeurtenissen. In Opspraak. Verslagen van de twintigste eeuw werden er daarvan zes verzameld: De zaak 40/61 (1962) over het proces van de nazi-beul Adolf Eichmann, Bericht aan de rattenkoning (1966) over de Amsterdamse provobeweging en de ordeverstoringen in de periode 1965-1966, Het woord bij de daad (1968) en het nawoord Over de affaire Padilla (1971) over de Cubaanse revolutie onder leiding van Fidel Castro, Het seksuele bolwerk (1973) over de krankzinnig gestorven psychoanalyticus Wilhem Reich, en De toekomst van gisteren (1972) over een mislukt fictieproject en onder andere de Franse mei ’68-revolutie.

Mulisch mag zichzelf dan opwerpen als een verslaggever, uit de schriftuur spreekt ook een direct politiek engagement. Hij spreekt meerdere malen zijn visie uit op wat hij in dat laatste boek ‘drie ongelijkwaardige systemen’ noemt: ‘communisme, kapitalistisch-democratische en kapitalistisch-fascistische’. Daarbij doet Mulisch geen enkele moeite om zijn linkse sympathieën onder stoelen of banken te steken. Meer zelfs: sommige passages zijn te lezen als een afrekening met een (Amerikaans) liberalisme, andere als een openlijk pleidooi voor een (revolutionair) communisme.

Het is dan ook een raadsel waarom de flaptekst poneert dat Mulisch’ ‘conclusies visionair’ zijn, of nog: ‘ze blijken weinig tot niets aan actualiteit te hebben ingeboet.’ Dat zou misschien waar zijn als Mulisch iets als de val van de Muur zou hebben voorspeld en de absolute hegemonie van het kapitalisme, maar dat is allesbehalve het geval. De flaptekst vermeldt verder twee (positieve) recensiefragmenten per boek, en met die luttele informatie moet de lezer het doen. Waarom er bijvoorbeeld precies voor deze zes boeken is geopteerd, wordt nergens gemotiveerd. Dat is des te merkwaardiger omdat er wordt gerept over een periode van ‘twintig jaren’ waarin Mulisch ‘op alle mogelijke manieren zijn visie op onze wereld uiteenzette’, terwijl de geselecteerde teksten verschenen zijn in een tijdspanne van ongeveer tien jaar. Dat zou nog te begrijpen zijn, als De Bezige Bij deze bundel zou hebben voorgesteld als het eerste deel van Mulisch’ verzameld non-fictiewerk, maar dat lijkt niet het geval.

Van volledigheid is geen sprake. Teksten als Wenken voor de jongste dag (1967; Mulisch’ persiflage op een brochure van de overheid die gezinnen tijdens de Koude Oorlog informeerde over hoe ze zich moesten voorbereiden op een fall out), of Meningen in marstempo (1970; een rede die Mulisch uitsprak tijdens een anti-Vietnam betoging in het Amsterdamse Frascate-theater) hadden evenzeer in dit rijtje teksten gepast. Het heeft er dus alle schijn van dat de uitgeverij munt wilde slaan uit de aandacht die rond Mulisch’ dood is ontstaan. Misschien is het dan ook hoog tijd voor een studie- en documentatiecentrum dat de literaire nalatenschap van Mulisch veilig stelt voor het nageslacht en ons van een dergelijk haastwerk behoedt.

Defictionalisering en engagement

In de jaren zestig bestond er een wantrouwen tegen het traditionele verhaal. Dat zou de werkelijkheid niet waarheidsgetrouw representeren, maar ze vervormen en onderwerpen aan een moralistisch patroon. Onder de term ‘defictionalisering’ werden de vele uiteenlopende wegen bewandeld waarop het conventionele proza werd verlaten. Een daarvan was het politieke engagement: schrijvers sloten in hun reportages, documenten, dossiers aan bij politieke en sociale processen in de samenleving en wilden op die manier iets aankaarten. Hiertoe moeten de in Opspraak verzamelde werken van Mulisch worden gerekend. Dat blijkt bijvoorbeeld al uit de ondertitels die Mulisch aan zijn boeken meegeeft: hij spreekt onder andere over een reportage (Eichmann), een bericht (provo) en een getuigenis (Cuba).

In deze context sprak Mulisch ook volgende bekende zinnen uit: ‘Het is oorlog. En in oorlogstijd moet men zich niet bezig houden met het schrijven van romans. Dan zijn er echt wel belangrijker dingen te doen’. Mulisch sprak deze woorden uit tegen Fernand Auwera in diens interviewboek Schrijven of schieten (1969). Die titel maakt duidelijk waar het hier om gaat: woorden of daden. De houding van Mulisch hierin is op zijn minst ambigu te noemen.

In hetzelfde interview met Auwera ziet Mulisch zichzelf duidelijk als iemand die voor het ‘schieten’ heeft gekozen. Toch ziet hij zijn positie vooral in de schaduw van de gebeurtenissen: het is zijn taak om ‘op de uitkijk te staan en te waarschuwen voor aanvallen in de rug’. Ten tijde van de provo’s ging hij eigenhandig een door vele intellectuelen ondertekende advertentie tegen de Nederlandse ‘kastenjustitie’ in Den Haag afgeven, maar ook deze ‘daad’ bestaat in sé uit woorden. Stenen heeft hij nooit geworpen naar de Amsterdamse politie, en in 1968 weigerde hij om de Carré te bezetten tijdens een ‘politiek concert’ aldaar – hij houdt het bij zijn politieke toespraak. Hij mag dan wel de Cubaanse revolutie bezingen, uiteindelijk blijft hij de bourgeois-intellectueel aan de zijlijn die zelf geen spade ter hand neemt om het land te bewerken.

Dat Mulisch nooit fysieke daden heeft gesteld, heeft hem vaak het verwijt van hypocrisie opgeleverd. Maar volgens Mulisch zou juist een dergelijk activisme hem onschadelijk maken. Zou hij stenen werpen, of Carré bezetten, dan zou dat slechts persberichten opleveren over het vandalistische karakter van linkse groeperingen. Legt hij de pen neer en mengt hij zich onder de Cubanen of het proletariaat, dan verliest hij de sociaal-culturele positie van waaruit hij kritiek kan leveren en invloed uitoefenen. ‘Er zijn in de loop van de geschiedenis al heel wat schrijvers afgemaakt, maar dan om wat zij schreven, niet omdat zij de arbeider uithingen’, luidt Mulisch’ repliek.

Enerzijds heeft Mulisch hierin gelijk: wie zich volledig inkapselt in een maatschappelijke massagroep kan als individu geen enkele kritische rol vervullen. Anderzijds is het natuurlijk zo dat in de jaren zestig een schrijver nog wel een gevangenisstraf riskeerde vanwege zedendelicten, maar het gevaar van de doodstraf dreigde niet. De onderdrukking van de kritische stem gebeurt in een ‘vrije’ Westerse samenleving deels doordat de media, afhankelijk van het geld en de belangen van hun (kapitalistische) adverteerders, ze vervormt, belachelijk maakt of er geen ruimte voor biedt. Mulisch toont zich bewust dat hij zich daartegen moet wapenen (en in die zin toont hij zich inderdaad visionair), maar blijft tegelijk ook steken in een al te simpele kritiek op de duidelijk zichtbare machthebbers, de regering.

De wereld en de literatuur als proces

Mulisch maakt geen onderscheid tussen woorden en daden: ‘De daden van een schrijver zijn zijn woorden’. In het voorbericht van het provo-boek stelt hij dat zijn bericht niet alleen handelt ‘over de gebeurtenissen’, maar ‘ook deel van de gebeurtenissen’ is. In het voorwoord tot Het woord bij de daad wenst Mulisch iets gelijkaardigs: ‘Ik hoop dat het [boek] zelf een stukje Cuba is geworden’. Dit is te begrijpen vanuit Mulisch’ poëtica. Deze werken mogen immers wel een aparte status hebben binnen zijn oeuvre, omdat ze niet ontsproten zijn aan de verbeelding; ze zijn er niettemin ontegensprekelijk deel van.

Voor Mulisch is de wereld, het leven of de mens nooit een vaststaand ding, maar een proces. Mulisch huldigt een wereldbeeld waarin beweeglijkheid, verandering en tijdelijkheid het winnen van verstening, consistentie en eeuwigheid. Ook de literatuur benadert hij als een proces. In een nogal lange uiteenzetting over werkwoordtijden komt hij tot de conclusie dat het imperfectum (de onvoltooid verleden tijd) ‘het instrument van de literatuur’ is omdat hij voor dynamiek zorgt: ‘Het in het imperfectum gezegde of geschrevene is zelf het plaatsvindende feit; wat het zegt, gebeurt; en wat er gebeurt roept onmiddellijk zijn vervolg, zijn verandering op’. In die zin valt dan ook het woord als daad te begrijpen: tijdens het lezen zetten zij voortdurend de zaken in beweging en zorgen voor een constante ontwikkeling.

In die zin zou het fout zijn om deze boeken van Mulisch te categoriseren onder geschiedschrijving of journalistiek. Mulisch wil de werkelijkheid niet retrospectief beschrijven als een vaststaand feit. Zo zult u in De zaak 40/61 niet lezen hoe het verdict over Eichmann luidde, en in het provoboek klinkt het: ‘Omdat het niet zo zeer mijn opzet is, een “geschiedenis van de beweging” te schrijven, maar om een paar opvattingen te verkondigen, zal ik niet elke rel en elk incident afzonderlijk analyseren.’ Deze visies mogen we niet begrijpen als moralistische boodschappen. In Grondslagen van de mythologie van het schrijverschap stelt hij: ‘De eigenlijke boodschap van literatuur is uitsluitend, dat zij literatuur is. En wie dit nu verwart met een doctrine als “l’art pour l’art”, die heeft er niets van begrepen, want voor geëngageerde literatuur geldt het even goed’. De enige boodschap van literatuur is haar creatie, haar vormgeving: ‘Er bestaat alleen formele creativiteit. Het probleem is nooit wat te schrijven; maar altijd, hoe wat te schrijven’ (uit: De toekomst van gisteren).

Proces, of toch een systeem?

De benadering en verwerking van de werkelijkheid is in deze bundeling teksten dus in zekere zin een literaire. Dat zorgt voor een paradox in de beoordeling van de daadkracht van deze werken: is deze maatschappelijk, of is deze louter literair? In Mulisch’ poëtica moet de literaire daad er alvast uit bestaan dat er geen eenduidig systeem mag ontstaan: ‘De hang naar dit simpele soort van harmonie hoort in het paradijs thuis, in een of andere wereld die er misschien zou moeten zijn maar die er niet is, want de werkelijkheid is alleen met tegenspraken grijpbaar.’ (uit: Het seksuele bolwerk)

In zijn fictie bereikt Mulisch dit effect maximaal door een veelvuldig gebruik van metaforen en metamorfosen. Een dergelijke beeldspraak valt natuurlijk moeilijk toe te passen wanneer de auteur zich engageert met de concrete werkelijkheid. Toch poogt hij ook in deze geschriften geen paradijs te vormen.

Zo roept Mulisch in De zaak 40/61 op om te twijfelen aan elke ‘absoluutheid’. Mulisch weigert, zoals vele toenmalige journalisten, Eichmann voor te stellen als de ‘absolute goddeloosheid’. Zo’n beeld gaat immers uit van het geloof in een menselijke natuur, een kern, die in de mens te ontdekken valt. Daarom dat Mulisch er veelvuldig op wijst dat Eichmann een beul kon zijn in Auschwitz, maar ook een goede burger in Argentinië. Voor Mulisch is de mens geen ‘ding maar een mogelijkheid. Hij is tot alles in staat – niet alleen om alles te doen, maar ook om alles te zijn’. Dat laatste schrijft Mulisch in zijn Cuba-boek. In dat Zuid-Amerikaanse land ziet hij dit beeld van ‘de integrale mens’ waarheid worden doordat er daar geen sprake is van verstening, maar van een voortdurende, revolutionaire tijdelijkheid.

De vraag is natuurlijk of Mulisch’ oppositie tussen absoluut en verstening tegenover relatief en tijdelijk niet even goed een systeem vormt. Zo lijkt hij Eichmanns paradoxale gedrag evengoed te verklaren, maar dan niet vanuit een natuurlijke kern, maar vanuit zijn bevinding van de machine-mens. Deze verklaring ontdoet Eichmann echter van de paradoxen die Mulisch juist onder de aandacht wil brengen: afhankelijk van het systeem waarin de machine-mens draait, is zijn gedrag slecht of goed. In het Cuba-boek lijkt Mulisch’ beweeglijkheid te verstarren tot een programma: de revolutie in Cuba vernieuwt zich voortdurend en richt zich niet op vaststaande identiteiten. Zij is dus goed, zelfs wanneer zij geweld pleegt. Het geweld van de Amerikanen die Cuba bestrijden is dan weer slecht, want contrarevolutionair en gericht op verstening en vereeuwiging. Doordat elke paradox herleid wordt tot dit strikte dualistische programma dat Mulisch zichzelf hier oplegt, komt dit boek nu wat zeurderig over. Een effect dat uiteraard versterkt wordt door onze hedendaagse kennis over de Cubaanse praktijken.

Een dubieuze leeservaring

Dat de interpretatie van het leven als proces kan leiden tot een systematische vastlegging van dat proces, is een valkuil die zich opdringt aan ieder die de verandering en de beweging wil beschrijven. Het Cuba-boek ontsnapt, zoals gezegd, het slechtst aan die valkuil. De andere boeken benaderen dat ‘imperfectum’ van de literatuur vaker: Mulisch’ veranderende verhoudingen tot Eichmann, de humor in het provoboek, de beschrijvende, maar tegelijk sterk autobiografisch gekleurde schriftuur over Wilhelm Reich, Mulisch’ twijfels over de eigen positie en zijn fictieproject in De toekomst van gisteren. De lezer wordt hier door de literaire daad meegesleept, zelfs lang nadat Mulisch’ visies hun actualiteit verloren hebben.

In Het seksuele bolwerk rekent Mulisch Wilhem Reich bij zijn ‘grote leeservaringen’. Iets dat hij enkel heeft ‘met schrijvers, die ik dubieus vond en waar ik altijd ambivalent ben tegenover blijven staan.’ Mulisch’ non-fictiewerk nodigt uit tot een gelijkaardige houding. Zijn wereldbeeld is eigenzinnig en prikkelend; het werk fascineert en stoot af, zorgt ervoor dat je het boek dicht wil klappen, maar dat je het ook steeds opnieuw ter hand neemt. Als een nooit eindigend proces.

 

Recensie: Opspraak van Harry Mulisch door Hans Demeyer

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2010
ISBN 9789023462491
1120p.

Geplaatst op 14/03/2011

Categorie: Recensies, Samenleving

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.