Poëzie, Signalement

Poëziedebuut onderzoekt vrouwelijk schrijven

Gasthuis

Laurine Verweijen

Gisteren werd Laurine Verweijens debuutbundel Gasthuis genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2020. Ook Jérôme Gommers, Iduna Paalman en Jens Meijen maken kans op de prijs. De jury roemt de manier waarop Verweijen vorm, inhoud en taal balanceert. ‘Met gevoel voor compositie werkt ze een serene en gelaagde bundel uit waarin klassiek metier de taboedoorbrekende problematiek versterkt. Gasthuis is een bundel waar je naar terugkeert waarbij de gedichten bij elke herlezing nieuwe lading krijgen.’ Hieronder lees je een recensie van de bundel door Anne van den Dool.

 


 

Gasthuis, het poëziedebuut van Laurine Verweijen, is geen schrijven over verlangen, maar is geschreven vanuit verlangen, zo laat uitgeverij Van Oorschot weten. Gasthuis gaat niet over hormonen, maar is opgetekend ‘met een lichaam en gemoed vol hormonen’, dat de woorden hun eigen kant op stuurt.

I, too, overflow

Niet voor niets is een van de twee door Verweijen gekozen motto’s – ‘I, too, overflow’ – afkomstig van de Franse feminist en literair theoreticus Hélène Cixous, die de term écriture féminine muntte. In deze vorm van schrijven, die we – zo beweert Cixous – tegenover de traditionele, mannelijke vorm van literatuur bedrijven kunnen plaatsen, nemen het vrouwelijk lichaam en zijn ervaringen een prominente plaats in. Cixous’ eigen schrijven is daar een goed voorbeeld van; het vervolg van het citaat gaat als volgt:

[…] my desires have invented new desires, my body knows unheard-of songs. Time and again I, too, have felt so full of luminous torrents that I could burst – burst with forms much more beautiful than those which are put up in frames and sold for a stinking fortune. And I, too, said nothing, showed nothing; I didn’t open my mouth, I didn’t repaint my half of the world. I was ashamed. I was afraid, and I swallowed my shame and my fear. I said to myself: You are mad!

Deze woorden van Cixous uit 1975 zijn nog steeds actueel. Het beschrijven van het vrouwelijk lichaam en al haar continu veranderende eigenschappen blijft een bezigheid waaraan veel taboes kleven. Net als in de echte wereld is het niet gemakkelijk een breed publiek – dat wil zeggen: een publiek bestaand uit mannen én vrouwen – te vinden dat oren heeft naar verhalen over menstruatie, zwangerschap en moeder zijn. Wat mannelijk is, is een algemene ervaring; wat vrouwelijk is, is alleen voor vrouwenlezers bestemd, is het dominante idee.

Vrouwen die zij nooit zal zijn

Met haar poëzie Gasthuis doet Verweijen een poging dat stigma te doorbreken. In haar openingsgedicht, dat begint met de woorden ‘O alle vrouwen die ik nooit zal kunnen zijn’, wijst ze ons direct op de veelzijdigheid van de vrouwelijke identiteit. Ze maakt ons bewust van ‘glazen lijven [van anderen] voorovergebogen in het water’, ‘ranke handen in de zilvervoile blinkering / raspend over houten planken’ – lijven en handen die niet aan het lyrisch ik toebehoren, nee: zij verbaast zich over het feit dat ‘vrouwen van alle leeftijden / zo vol en zacht en lachend zijn’. Zij is dat blijkbaar niet, of niet voldoende. Het lichaam is voor haar een gasthuis, waarin ze zich niet thuis voelt.

Alle vrouwen van de wereld moeten zijn – dat is de last die op het lyrisch hoofdpersonage van Gasthuis drukt. En tegelijkertijd voelt dit ‘ik’ zich, paradoxaal genoeg, juist met alle vrouwen in deze wereld verbonden. Zo beschrijft Verweijen in het eerste deel van de bundel, ‘Notities trillingen, melkglas, trapezewerk’, met een zintuiglijke serie bewoordingen het opkomen van haar ongesteldheid: ‘de ijzergloed bereikt mijn urine’, ‘laaghangende ronkbeestjes zwermen / afwachtend in mijn allerlaagste buik’.

En zo zucht het ik, in gedichten van enkele regels lang, ‘tegen het trapezewerk van pijnen / in’: ‘en melkglazen bol vol auberginepaarse slierten rolt in mijn bassin’, ‘kramp / balt in mijn bekkenschelp’. We voelen haar pijn terwijl ze, ‘zwanger van onbevruchting’, liggend in bed ineenkrimpt. Ze biedt ons slechts een beetje opluchting: de serie midden op het blad gecentreerde gedichten eindigt met het zakken van het gewicht, ‘warm en nostalgisch’, langs haar benen, waarna die ervaring herinneringen oproept aan ‘een zomerse speelpartij / in de sproeier op het gras’ – gras dat eerder gemaaid werd in haar onderbuik en zo helse pijnen veroorzaakte, maar haar nu laat landen op het zachte bed van haar jeugd.

Een sierlijke dans

Verweijen vervolgt in Gasthuis haar weg op zoek naar het vrouwelijke, langs meisjes die ervaren hoe hun bewegingen een verschuiving in de wereld kunnen teweegbrengen, de ontdekking ‘hoe dicht een man / onder zijn huid kan liggen’ en de definitie van liefde in het gedicht ‘Dronken gemoed’:

Liefde is niet

de vogel in de lucht of de traan die rolt

over een wang

maar het zoute vocht dat in je kleren

nestelt, langzaam de stof intrekt.

Niet de route maar

het zoeken

en het wachten op de ander

en het kijken naar de ander

die een vogel in de lucht volgt

en verzonken in

zijn eigen wereld, daar ineens

jouw ogen mist

Zo is niet ieder gedicht expliciet gefocaliseerd vanuit de vrouw. Ook een man kan zich te gast in zijn eigen lichaam voelen, ‘wakker worden in de splitsing’ en ergens in de borst een onbenoembaar onbehagen voelen, zoals het titelgedicht beschrijft. Toch blijft het vooral de vrouwelijke blik waardoorheen we de wereld in Gasthuis bezien. Vaak leidt dat tot mooie vondsten, maar vaker stopt Verweijen haar sierlijke dans net voordat ze een verrassende beweging kan maken. Daardoor blijft het bij een eenmalige observatie, die ons een prachtig beeld voorschotelt, maar ons vervolgens te weinig leert.

Op dreef is Verweijen wanneer ze kiest voor vormelijke vrijheid. In de overstromende regels van ‘Weeftechniek’ bijvoorbeeld, waarin ze zinnen aaneenrijgt en die op basis van klank laat voortrollen. Ontroerend is ook ‘Kingsize’, waarin het lyrisch ik de keuze beschrijft geen kind te krijgen, en hoe deze de rest van je leven met je meebeweegt.

Zo zoekt Verweijen in veelal klassieke vormen naar variaties op klassieke thema’s. Ze toont de vrouw als moeder, niet-moeder, als kwetsbaar, als afhankelijk, als gelukkig of alleen. Een nieuw verhaal, dat soms onwennig dichtbij aanvoelt, maar daar is het Verweijen ongetwijfeld juist om te doen. Ons te laten waarnemen welke stappen er nog te zetten zijn voordat poëzie over de vrouwelijke lichaamservaring door iedere lezer kan worden omarmd.

Recensie: Gasthuis van Laurine Verweijen door Anne van den Dool

Van Oorschot, Amsterdam, 2020
ISBN 9789028210349
72p.

Geplaatst op 08/05/2020

Tags: anne van den dool, Laurine Verweijen, Vrouw

Categorie: Poëzie, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.