Requiem van een onmogelijk verzet

Het zusje van de bruid

Joris van Casteren

Natuurlijk, het was een daad van vriendschap. Maar het was hem ook ernst, toen Albert Verwey in 1888 een brochure met de nuchterste titel uit de geschiedenis van de literaire kritiek publiceerde – Mijn meening over L. van Deyssels roman Een Liefde. Verwey verzette zich tegen de kritiek op Een liefde voor zover die zich op de onzedelijkheid van het boek toespitste. Hij ontkende niet dat het boek onzedelijk was, maar wees daarnaast op een tweede kwaliteit: schoonheid – ‘Anderen zeggen: Ga weg, je bent onzedelijk. Nu ga ik zeggen: Kom binnen, want je bent mooi.’

In 2011 is openlijk schrijven over seksualiteit al lang niet meer taboe, maar daarvoor is een andere zedelijkheid gekomen. Zoals de soms flamboyante, soms minder flamboyante kritiek op Joris van Casterens autobiografische Het zusje van de bruid laat zien, is het in toenemende mate taboe geworden om over je persoonlijke aporieën te praten. Of althans: over die aporieën mag wel gesproken worden, maar pas nadat ze onschadelijk gemaakt zijn of – om de therapeutische newspeak te gebruiken – een plaats gekregen hebben. Die plaats impliceert autonomie: het lijden krijgt als afgesloten toen een biografische betekenis die het individu in het actuele nu sterker maakt. Verdriet, wrok en schuld mogen dat nu niet komen storen.

Maar Van Casteren doet daar nogal opzichtig niet aan mee. Het toen dat hij in zijn boek beschrijft slaat breuken in zijn broze nu. Daarbij – in zoverre heeft de kritiek gelijk – komt hij inderdaad niet naar voren als een ideale schoonzoon: de Joris van Casteren in dit boek is iemand die apathisch boven zijn eigen leven hangt, niet in staat om verantwoordelijkheid voor zichzelf en voor anderen te nemen, onmachtig over zijn eigen emoties. Maar hij heeft wel een mooi boek geschreven.

Kom binnen

Verwey schreef de schoonheid van Een liefde toe aan Van Deyssels sensibiliteit: hij zou letten ‘op iedere trilling van iedere zenuw, op al wat zijn oogen en zijn ooren, zijn armen en zijn beenen, zijn heele lichaam wordt aangedaan door dat vreemde, huiveringwekkend heerlijke Bestaan om hem heen.’ Een liefde was voor Verwey het verhaal van die sensibiliteit, de hoofdpersoon Mathilde stelde hij met een nonchalant gebaar van gender crossing aan Van Deyssel gelijk. Verwey wilde best begrijpen dat het boek daarmee voor ‘verstandige naturen’ onuitstaanbaar moest zijn, maar:

Wij menschen, geloof me, wij menschen zijn niet belangrijk door maatschappelijk in de puntjes zijn, door logischheid van gedachten en ordentelijkheid van manieren, maar groot en geweldig belangrijk is elk die veel voelt en veel begrijpt van wat ons goed te begrijpen is: het Leven, waar wij hier op aarde in staan. Ik beweer dat Van Deyssel dat Leven inniger aangezien en beter begrepen heeft dan één van uw verstandige naturen.

Ook Van Casteren is geen verstandige natuur. Als hij dat was geweest, had hij zich nooit ingelaten met de vrouw die hij op de bruiloft van een collega leert kennen en die hij in dit boek Luna noemt. Dan had hij alles gedaan om drank en drugs uit haar bestaan te bannen. Dan had hij zich niet laten misleiden door Luna’s veel te krampachtige pogingen een normaal bestaan te leiden. En dan had hij een ambulance gebeld toen hij haar met doorgesneden polsen op haar kamer aantrof.

Maar dat doet hij dus niet. Hij legt zijn oor onder haar neus en hoort haar zachtjes ademen – ‘Ik was zo blij dat ze leefde, ik wilde opstaan en schreeuwen. Maar ik moest haar beschermen, zoals je een vuurtje tegen harde wind beschermt.’ Hij pakt een deken en blijft bij haar liggen, luisterend naar haar adem. Als verklaring voor haar daad weet hij niks anders te bedenken dan dat hier een vreemde aan het werk geweest moet zijn, dat de ‘echte Luna’ zoiets nooit zou doen. Natuurlijk is dat niet verstandig, en meer: het is gevaarlijk, het is naïef en het is bijna autistisch. Maar met dat alles komt Van Casteren ergens waar de verstandige naturen niet komen. Inderdaad: hij ziet het leven inniger, hij begrijpt het beter – en niet alleen dat van Luna.

In oplosland

Allereerst: waar komen de verstandige naturen? Ze worden in dit boek gerepresenteerd in de ouders van Luna. Hun logica staat klaar om Luna als borderliner te diagnosticeren, de therapie in te leiden en een gezond, geslaagd en gelukkig bestaan te ontrollen. Ze bellen dus wel de ambulance, zoals ze haar ook naar de alcoholkliniek brengen, naar de psychiater en ten slotte naar een boeddhistisch klooster in Thailand. Ze kopen ook een huis voor haar en betalen de verhuizing. Een korte carrière als lerares Grieks wordt aangemoedigd met een tas van Toscaans leer en een kek mantelpakje. Verstandig als ze zijn behandelen ze hun dochter als een probleem waarvan de oplossing zo goed mogelijk gefaciliteerd moet worden.

Waarom? Veelbetekenend is de reden waarom Luna’s moeder Joris verwijt dat hij in de zelfmoordnacht geen ambulance belde: haar doorgesneden polsen kunnen na zo lang wachten niet meer worden gehecht, waardoor de littekens altijd zichtbaar zullen blijven. En daarmee ook het ongeluk dat deze verstandige mensen zo gretig willen retoucheren. Zodra de façade van een overzichtelijke normaliteit ook maar een beetje overeind staat, praat pappa over etymologie en maakt mamma burek. Als korte tijd later die normaliteit dan weer aan scherven ligt, staan de ouders klaar met de volgende oplossing. Dat hun dochter ten koste van alles – zichzelf inclusief – weigert het leven te leiden zoals zij dat doen, kunnen ze niet inzien.

Dit onvermogen behelst ook andere kanten van hun bestaan. Luna’s vader, voormalig directeur van Shell, ziet niet in dat zijn bedrijf het kolonialisme voortzet. Evenzo laat het voorstellingsvermogen van Luna’s moeder het afweten als Joris haar vertelt over een man die tweeënhalf jaar dood in zijn woning lag: ‘Ongelooflijk dat zoiets in Nederland kan gebeuren,’ is haar onbeholpen reactie, die akelig vertrouwd aandoet. Want wat zijn deze verstandige mensen anders dan de verpersoonlijking van een mentaliteit die de afgelopen twintig jaar gemeengoed geworden is?

Verzet

Het is een mentaliteit die welvaart als vanzelfsprekend ervaart, geluk als een recht ziet en zich geen bestaan buiten het winkelen op de zaterdagmiddag voor kan stellen. Gaat er iets mis, dan vinden we gauw een oplossing en mocht die niet werken, dan gaan we door naar een volgende, en een volgende en nog één. Het zusje van de bruid laat een Nederland zien dat met deze mentaliteit is doordrenkt: op de houseparty wordt een huiskamer ingericht waar flippende pillenslikkers tot rust kunnen komen, de criminaliteit rond station Lelylaan wordt bestreden met een knokploeg en de dooie kat wordt opgezet. Als er op televisie twee vliegtuigen tegen het WTC aangevlogen zijn wordt er na vijf minuten gevraagd of er niet wat anders op kan – kortom: wij hebben het fantastisch, desnoods tegen elke realiteit in. Kampioen van deze mentaliteit is Pim Fortuyn. Van Casteren noteert dat de martelaar van het populisme een pathologische weerzin tegen stront had. Maar samen met een therapeut werkte hij het trauma door en sindsdien vond hij niets lekkerder dan kontjes likken.

Luna weet dat dit oplosland een leugen is. Ze weet dat het buitensluit, dat het huichelt en moordt en rooft en vernielt om die leugen in stand te kunnen houden. Daarom begint ze steeds weer over 9/11, neemt ze een Nigeriaanse journalist mee naar de villa van haar vader, maakt ze foto’s van een half gesloopte wijk in Lelystad en wil ze naar het voorbeeld van de Bloomsbury Group een literaire salon beginnen. Maar haar kritiek krijgt geen vorm: van de salon komt weinig terecht, op de tentoonstelling zijn haar foto’s niet goed te zien, de Nigeriaan brengt haar vader niet van zijn stuk en haar plan om iets met 9/11 te doen verzandt in steeds wanhopiger geblader in The Waste Land van T.S. Eliot.

Uiteindelijk weet ze steeds niets anders te doen dan de weerzin om het leven van haar ouders te leiden om te zetten in zelfvernietiging. Aan het eind van het boek concludeert Joris: ‘Ze kon een tijdje iemand zijn, maar die persoon moest vroeg of laat om zeep worden geholpen.’ Haar grootste triomf is het moment waarop ze door haar vader naar de alcoholkliniek gereden wordt, midden in de ochtendspits. Door te vragen waar al die mensen toch heen gaan, ontmaskert ze haar vader eindelijk als normeringsmachine: ‘Dat zijn mensen die een baan hebben en werken voor hun geld,’ heet het vol rancune. Haar verzet bestaat uit de radicale weigering een persoon te zijn die zich aan die norm conformeert.

Nog mooier

Het is duidelijk dat Van Casteren zich tot Luna’s radicaliteit aangetrokken voelde. Meegezogen in haar zelfvernietigingsroes kan hij zich met Luna als ‘de gezonden’ voelen, ‘in een ongezonde wereld.’ In haar bijzijn wordt de broosheid zichtbaar van de werkelijkheid zoals die steeds weer opnieuw bij elkaar wordt gedroomd, geschreeuwd, gelogen – een broosheid die hij als journalist steeds weer probeert op te sporen. Is het toeval dat de naam die hij haar in dit boek geeft correspondeert met een liedje van The Smashing Pumpkins, een band die voor zijn generatie – tevens de mijne – een iconische status heeft? Luna deed Billy Corgan al afvragen:

Who belongs
Who decides who’s crazy
Who rights wrongs where others cling?

Haar te verliezen staat gelijk aan het verliezen van de toegang tot een andere werkelijkheid, een werkelijkheid waarin dit soort vragen gesteld kunnen worden. Wat dit verlies voor Van Casteren betekent wordt zichtbaar als hij aan het begin van het boek na acht jaar weer het huis opzoekt waar hij samen met Luna heeft gewoond. Wanneer hij zijn laptop aanzet en via een dubieuze verbinding contact met het internet legt, blijkt zijn mailbox leeg en wordt er op teletekst gemeld dat seks met dieren strafbaar wordt gesteld. Dát is eenzaamheid, in 2011.

Dat Van Casteren Luna in haar radicaliteit niet kan volgen, dat hij uiteindelijk uit zelfbehoud capituleert, beseft hij zich terdege. Aan het eind van het boek geeft hij toe dat hij geloofde bij haar op een veilige manier een zelfmoordenaar of een junkie te kunnen zijn. Om Billy Corgan nogmaals te citeren: ‘It’s a chance I’ll have to take/ And it’s a chance I’ll have to break.’ Misschien getuigt dat van lafheid, of van waanzin, of van opportunisme – in de kritiek is het allemaal gesuggereerd. Maar dat is niet zozeer het probleem.

Of althans: niet voor het boek. Aan het slot van zijn verdediging van Een liefde formuleerde Verwey een voorbehoud: ja, hij had willen zeggen dat Van Deyssel een mooi boek geschreven had, maar daarbij was er geen sprake van geweest ‘of ik mij een boek als dat van Van Deyssel niet mooier zou kunnen voorstellen; ook niet of ik een persoonlijkheid als de zijne de meest geschikte vind om voort te brengen wat ik de hoogste kunst noem.’ Ik kan mij een boek als dat van Van Casteren mooier voorstellen. Want dat hij uiteindelijk terugschrikt voor Luna’s radicaliteit, dat hij veilig wilde blijven, correspondeert met het gegeven dat hij uiteindelijk blijft steken in een apathische registratie van wat er misgaat. Een boeiende registratie, een mooie registratie, maar uiteindelijk ook een uitzichtloze. En daardoor resignatief.

Toch is er hoop. De eerste bladzijde van Het zusje van de bruid biedt een glimp van het leven acht jaar na Luna. Van Casteren ziet de op de achterbank van zijn auto de zitjes van de kinderen die hij inmiddels heeft en ontdekt op de hoofdsteun van de elektrisch verstelbare bijrijdersstoel een blonde haar van hun ‘mooie, slimme, lieve moeder.’ In die haar schuilt bevrijding en ik hoop dat Van Casteren het aan zal durven daarover te gaan schrijven. Want het is duidelijk dat aan de wereld zoals hij die oproept alleen weerstand geboden kan worden in momenten van werkelijk geluk.

Links

Prometheus, Amsterdam, 2011
ISBN 9789044617597
224p.

Geplaatst op 15/04/2011

Deel:

Reacties

  1. Rovers

    Eerder larmoyant dan flamboyant zou ik de recensies in de Groene en in NRC noemen.

    Elsbeth Etty schreef, las ik via nevenstaande link:

    ‘Van Casteren is tenslotte meer dan waarnemer, hij is partij in het drama, wellicht medeschuldig aan Luna’s lot’.

    Waarom wordt er van dit personage eigenlijk tot twee keer toe een willoos slachtoffer gemaakt? vroeg ik me af. Bij mijn weten maakt borderline, als die diagnose tenminste juist is, weliswaar hoogst instabiel, maar daarmee nog niet wilsonbekwaam. Goed dus dat in bovenstaande recensie van Gijsbert Pols deze Luna wat serieuzer wordt genomen, om het zo te zeggen, en daarmee ook het boek.

    Twee vragen heb ik, de eerste heel feitelijk: begrijp ik de een na laatste alinea goed als de recensent, in tegenstelling tot Verwey, bij deze eigentijdse Van Deyssel, dat wil zeggen Van Casteren, zich wel kan voorstellen hoe dit boek mooier had kunnen uitvallen?

    De tweede vraag veel algemener, en flink uitgesponnen. De recensent vindt dat JvC uiteindelijk te berustend, te resignatief blijft in dit boek – en daarmee niet radicaal genoeg afstand neemt van de burgerlijke we-zijn-zo-gelukkig-wereld die hij (JvC) zo scherp beschrijft. Recensent schrijft te hopen, verwijzend naar wat JvC schrijft over zijn huidige geliefde en moeder van zijn kinderen, dat de schrijver binnenkort ook ‘daarover’ schrijft.

    Nu vind ik het moeilijk om me voor te stellen hoe de intentie om een boek te schrijven over wat uiteindelijk huiselijk geluk is, interessante literatuur kan opleveren. Tenminste: als de intentie is die huiselijke wereld als gelukkig te beschrijven. Dan ontstaat kitsch. Maar dat zal de recensent niet bedoeld hebben (inderdaad: dit is toch even een impliciete tussenvraag.)

    Bovenstaande bedenking sluit aan bij een eerdere bedenking die ik maakte bij een kritiek van Gijsbert Pols over een boek van Hans Münstermann, waarin hij ook opriep een ‘andere werkelijkheid’ te beschrijven. Het is zeker niet mijn bedoeling die discussie nog een keer over te doen, en hem te vragen welke werkelijkheid hij precies bedoelt. Het is een recensent gegund een suggestie te geven voor een andere richting die een schrijver kan inslaan, zonder daarbij meteen dat hele boek te schrijven.

    Wel vraag ik me af of Gijsbert Pols ook zou willen dat JvC met een andere inhoud – na het falen van de burgerlijke architectuur in Lelystad, en het falen van de burgerlijke psychologie in HZVDB – ook een andere vorm zou kiezen. Wat JvC nu bijzonder maakt, is juist die vorm, lijkt me, een afstandelijke manier van schrijven, wat in de VIVA (zie ook link) leidde tot de volgende treffende, zij het wat onhandig geformuleerde observatie:

    ‘Er zit een gevoelloosheid in dit boek die mede te maken heeft met de onderkoelde stijl.’

    Die onderkoelde stijl, door af te zien van oordeel gevende adjectieven en van oordelen tout court, maakt de schriftuur van JvC eigen én gevaarlijk – in de zin dat mensen er in ieder geval enorm aanstoot aan kunnen nemen.

    Vraag dus is of Gijsbert Pols ook die ‘onderkoelde stijl’ veranderd wil zien. Dus al met al, moet ik dan toegeven, toch weer een vraag of hij, net als bij Münstermann, het alternatief dat hij voor ogen heeft wat meer wil toelichten. Ik ben zeer benieuwd.

    Beantwoorden

  2. Gijsbert Pols

    De twee, of eigenlijk – als ik de impliciete vraag meetel – drie vragen liggen in elkaars verlengde. Want ja, ik kan me voorstellen hoe dit boek nog mooier had kunnen uitvallen, en dat heeft zowel te maken met het onderwerp als met Van Casterens ‘onderkoelde’ stijl. Allereerst die stijl: wat ik daar problematisch aan vind is niet de vermeende gevoelloosheid – ik geloof integendeel dat er bij zijn oordeelloze registreren erg veel gevoel komt kijken, bovendien weet hij er echte intimiteit en lijdensmomenten mee op te roepen (zie de voorbeelden hierboven). Het probleem zit hem voor mij in het apathische: onder zijn registrerende blik wordt weliswaar zichtbaar dat het zo niet langer gaat – daarom de agressieve reacties, denk ik – maar de dingen blijven zoals ze zijn, hoe duidelijk de noodzaak tot verandering ook is. Daarom probeer ik Van Casteren aan te moedigen zijn blik daarheen te richten waar die verandering mogelijk wel waar te nemen valt. Een begin daarvan meende ik in de korte passage over zijn huidige geliefde en zijn kinderen te zien, omdat ik me die verandering alleen als geluk kan voorstellen. De subversiviteit van de poète maudit, waarvan Luna de laatste, maniakale personificatie is, is geneutraliseerd. Binnen de huidige machtsverhoudingen is alleen een gelukkig mens nog een werkelijke bedreiging, denk ik. Gelukkige mensen laten zich immers niet uitbuiten, ze zijn niet permanent oversexed en underfucked en ze consumeren geen junkfood, nieuwshypes, zelfhulpboeken en psychofarmaca – ze zijn niet geapathiseerd, zogezegd. Ik heb het hier over werkelijk geluk, niet het simulacrum dat overal zo nadrukkelijk wordt geëtaleerd – op Facebook, maar niet alleen daar. Van Casteren lijkt me bij uitstek de schrijver om te gaan zien of dat werkelijke geluk in onze tijd nog wel te vinden is. Hij is onderkoeld genoeg om de verleiding van een snelle vondst, die inderdaad tot kitsch zal leiden, te weerstaan.

    Beantwoorden

  3. Rovers

    Dank voor dit uitgebreide antwoord. Ik probeer mee te denken, maar breek gerust in als ik met ideeën op de loop ga: de onderkoelde berusting die JvC zo met verve heeft bedreven in zijn boeken, en waarvoor hij terecht bewondering heeft geoogst – ik stel me JvC zo voor als de jongen die weken achtereen werd opgewacht door de meest vervelende jeugdbende uit de stad, en die op het schoolplein laconiek zijn sjekkie oprookte, uittrapte, en door de achterdeur naar buiten ontsnapte, gadegeslagen door het sidderende schoolvolk – die berusting dreigt over te slaan in apathie en een houding te worden, een maniertje zelfs. Waarom altijd die zaken beschrijven die misgaan of falen, waarom niet de blik gewend naar iets dat kans op slagen heeft of had, dat een positieve verandering teweeg brengt of heeft gebracht?
    Een pleidooi dus tegen het nihilisme als stokpaardje – ja daar kan ik me wat bij voorstellen. Maar ik merk dat ik moeite heb om hier het woord ‘geluk’ te gebruiken. Is dat omdat ik me koester binnen de ‘huidige machtsverhoudingen’ en dus bang moet zijn voor het ware geluk van anderen? Misschien het tegendeel, omdat ik vrees dat geluk vandaag vooral als tegengesteld aan verandering wordt beschouwd; dat het wezen van het conservatisme het geluk is, of liever, de angst enig geluk te verliezen. Houdt verandering, of sterker nog, subversiviteit, niet vooral en eerder de hoop op iets anders, en daarmee pas de hoop op geluk in? Iets dat achteraf inderdaad vaak tevergeefs bleek, een illusie etcetera. Misschien is dat de moeilijkheid: in literatuur ook dat – in mijn eigen ervaring vooralsnog behoorlijke vluchtige – moment van hoop te vangen?

    Beantwoorden

  4. Christophe Van Gerrewey

    Om ook hierop te proberen reageren met een citaat uit “Eenrichtingstraat” van Benjamin: ‘Gelukkig zijn wil zeggen zichzelf gewaar kunnen worden zonder te schrikken.’ Bestaat er geen literatuur die de existentiële ervaring als iets positiefs wil beschouwen – en zelfs tot de basis van een project wil maken? Of een losgeraakte haar van de geliefde daartoe in staat is, dat is misschien een andere vraag…

    Beantwoorden

  5. Gijsbert Pols

    Om misverstanden te voorkomen wil ik nog een keer benadrukken dat ik vind dat JvC een mooi en belangrijk boek heeft geschreven. Om het in het verlengde van het mooie citaat van Benjamin te formuleren: hij laat iets gewaar worden waarvan mensen schrikken – hun eigen ongeluk, vermoedelijk, of beter nog: het ongeluk dat ze maar zo hardnekkig als geluk willen te zien. Vermoedelijk is het succes van het conservatisme in deze tijd mede te verklaren doordat deze politieke idee er bij uitstek over waakt dat precies deze gewaarwording uitblijft, zoals ik hierboven al zei: desnoods tegen elke realiteit in. Van Casteren schrijft daar tegenin en alleen daarom bewerkstelligt hij verandering. Alleen, ik denk dat die verandering nog verder kan gaan. Niet door een ideaal te formuleren dat geluk in de toekomst belooft – want de toekomst blijkt altijd anders dan voorgesteld en in zoverre is de illusie inderdaad voorgeprogrammeerd. Het probleem met geluk is verder dat het moeilijk kan worden benoemd: op het moment dat ik me realiseer dat ik gelukkig ben, is er al iets van het geluk verloren. Maar dat neemt niet weg dat er in literatuur wel naar geluk kan worden gezocht en dat literatuur in staat is geluk in verschijning te laten treden. Als ik me voorbeelden voor ogen probeer te halen dan schieten me zinnen van Gorter te binnen, Van Deyssel, op sommige plaatsen in zijn werk, Reve soms, Ouwens zeker ook – hoewel ik me realiseer dat het bij deze auteurs om heel verschillende soorten geluk gaat en dat geluk natuurlijk een uiterst subjectieve ervaring is. Maar het lijkt me de enige ervaring waar vanuit weerstand te bieden valt tegen de leugen die wil laten geloven dat het, op een paar op te lossen probleempjes na, allemaal fantasties is, en verhult dat het zo niet langer kan.

    Nog twee dingen. Als ik hier stel dat die leugen in stand wordt gehouden door conservatisme, dan doel ik daarmee zeker niet alleen op populistisch rechts. Luna’s ouders stel ik me als D’66-stemmers voor, Van Casterens critici zitten naar mijn idee links van de PvdA.

    Tweede punt. Het is heel goed mogelijk dat het geluk waarop ik doel uiteindelijk altijd een illusie blijkt te zijn. If you don’t love you’re dead, and if you do, they’ll kill you, zei Herbert McCabe ooit, en dat lijkt me het overdenken waard. Zeker met Goede Vrijdag voor de deur.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.