Proza, Recensies

De spiegel van dolende dertigers

Rustig aan, tijger

Joost de Vries

Dertigers liggen al een tijdje onder het vergrootglas. Trouw rapporteerde dat millennials grote keuzes steeds vaker uitstellen en NRC Handelsblad stelde onder de kop ‘Waarom volwassen worden zo zwaar is voor dertigers’ dat de stabiliteit in hun leven ver te zoeken is. ‘We hebben flexbanen, wonen nog steeds met huisgenoten en geven al tinderend vorm aan ons liefdesleven’, zo typeerde die laatste krant de generatie. Volwassen zijn zouden millennials vooral zien als ‘een vorm van gedrag, in plaats van een staat van zijn.’ Adulting als een keuze.

 

In zijn nieuwe verhalenbundel duikt de Nederlandse auteur Joost de Vries (1983) in de wereld van deze half-volwassenen. Zijn personages zijn het studentenleven ontgroeid en beginnen, al dan niet halfslachtig, aan een carrière of een gezin. Ze arriveren in de ‘echte’ wereld: ‘[J]e krijgt iets wat je best een loopbaan mag noemen, collega’s, een kantoor, je komt in de MR, je hebt trouwerijen, cursussen digitalisering, vve-vergaderingen, de verjaardag van de vriend van de beste vriendin van je vriendin.’ Dat De Vries zelf zo’n gearriveerde dertiger is, is een understatement. Als auteur van drie romans en twee essaybundels, adjunct-hoofdredacteur en literair recensent bij De Groene Amsterdammer en vaste gast in de populaire podcast Boeken-FM heeft hij een vaste plaats in het Nederlandse literaire landschap bemachtigd. De relatieve opschudding die zijn debuutroman Clausewitz teweegbracht – ‘de nieuwe Mulisch’ volgens sommigen – ligt alweer een decennium achter ons.

 

Maar ‘arriveren’ behelst toch meer dan een leuk cv en een groot netwerk. De laatste jaren is er al veel gepubliceerd over twintigers en dertigers die kampen met stress, druk en onzekerheid. De prestatiemaatschappij zou te veel van ze vergen, het flexwerk te weinig zekerheid bieden en hun opvoeding zou hen niet hebben voorbereid op de grote boze wereld. De stijging van het aantal burn-outs onder jongeren is in ieder geval een trend die niet op zichzelf staat.

 

Tussen vastigheid en anticlimax

 

In Rustig aan, tijger laat De Vries zien hoe millennials worstelen met prestatiedruk en adulting. Want als de personages in de verhalen één ding gemeen hebben, dan is het dat ze niet echt gelukkig zijn. Nu hun leven zich begint uit te rollen, is er ook de anticlimax – het staat nergens, maar je voelt het overal: is dit het nou? Natuurlijk, het zijn de problemen van een rijke en verwende wereld waarin het mislopen van een promotie of een mislukte date als de catastrofes gelden. Maar die problemen worden wel als heel reëel ervaren, zo laat De Vries met enige spot zien. Om hun twijfels het hoofd te bieden – of te ontvluchten – zoeken de personages verschillende oplossingen: ze reizen de wereld rond, trekken zich terug op een eiland of nemen hun toevlucht tot psychologen. Daardoor spelen de verhalen zich af over de hele wereld, van het ‘Brooklyn van Amsterdam’ – Noord – tot het futuristische Abu Dhabi. De personages uit het ene verhaal laat De Vries vaak in een ander verhaal in een bijrol weer opduiken. Dat is niet alleen amusant (wie was dat ook alweer?), het benadrukt ook dat de personages uit hetzelfde milieu komen. Het zijn mensen die in dezelfde strijd verwikkeld zijn: die tussen het creëren van enige vastigheid en de angst om vastgeroest te raken, die tussen het voldoen aan de verwachtingen en het vinden van je eigen weg.

 

Die tweestrijd tussen vastigheid en ongebondenheid komt het beste naar voren in het verhaal ‘Huis gevonden op funda’, waarin het rondreizende, altijd drukke hoofdpersonage zich met enige tegenzin probeert te settelen in Amsterdam (‘We begonnen vijf ton voor tachtig vierkante meter normaal te vinden en alles onder de vier ton heel verdacht’). De Vries contrasteert hem met een oude vriend, die wél al flinke stappen heeft gemaakt in het proces van adulting; met zijn koophuis, huwelijk en kind speelt hij ‘een divisie hoger’. De vriend had dat zelf zo verwoord: ‘Het gaat op een doodnormale, burgerlijke manier spectaculair goed met me.’ Maar zo vlot als de vriend zijn leven op de rails had gekregen, zo hard zakt het ook weer in elkaar na een scheiding. Het harde werken om betekenis aan zijn bestaan te geven – huisje-boompje-beestje – blijkt vruchteloos. Maar als dit het niet is, wat geeft dan wél betekenis, vraagt hij zich af: ‘Is mijn leven dan gewoon een anekdote?’ Het is een angst die alle personages in Rustig aan, tijger zullen herkennen.

 

Met zijn kenmerkende vlotte, ironische stijl geeft de Vries in Rustig aan, tijger lucht aan dit thema. Er zijn essayistische zijpaden, verwijzingen naar literatuur en films, en dit alles in een flinke vaart. Bij De Vries is gelukkig ook de humor nooit ver weg. Sommige verhalen spelen zich bijvoorbeeld af in de toekomst, waarbij De Vries zich de vrijheid gunt om te strooien met vergezichten: over tien jaar gebruiken we 7G, kennen we alleen nog maar een Verenigd Ierland en zal IJsland in de zee gezonken zijn. Op een vergelijkbaar terloopse manier laat de auteur voortdurend beroemdheden opduiken: Zadie Smith loopt rond met een ‘stel hysterische kinderen’, Rem Koolhaas dineert ‘solo’ in hetzelfde restaurant en Femke Halsema doet mee met een boekenclub van mensen ‘met ontwikkelde wijnsmaken’. De leukste: Thierry Baudet die in een toekomstige klimaatrechtszaak de boel op stelten zet, inclusief referenties ‘naar de terreur uit de Franse Revolutie die verder niemand snapte’. Het zijn dergelijke verwijzingen en anekdotes waar De Vries zijn werk mee overlaadt. Je zou er doldwaas van kunnen worden, maar het is juist die vette intellectuele laag die zijn werk zijn elan geeft. De Vries blijft een onuitputtelijke bron van citaten, vernuftige maatschappijkritiek en losse ideetjes en dat is vaak genieten.

 

Pretentieuze zelfspot

 

Meer dan ooit speelt De Vries ook met zijn lezer. Dat gebeurt met name in het eerste verhaal, getiteld ‘creatief schrijven’. Doodleuk legt De Vries de ‘regels’ van het schrijven uit, althans zoals die in de lesboeken staan: een personage moet ergens naar streven, een personage mag geen zelfmoord plegen en een personage moet een passende naam hebben: ‘zet een overdreven chique naam als Marnix Siebold de Gijselaar tegenover een standaard burgermansnaam als Joost de Vries.’ Door zichzelf hier spottend te introduceren – zoals hij dat ook al in Clausewitz deed – voel je des te meer dat er gespeeld wordt. Want natuurlijk zijn er geen vaststaande ‘regels’ voor het schrijven, literatuur is geen IKEA-bouwpakket. En zo strooit De Vries op meer plekken met subtiele en ironische literatuurkritiek. We zien een ja-knikkende Matthijs van Nieuwkerk, een schrijver die ‘autofictie’ schrijft (‘niemand zat nog op verzonnen verhalen te wachten’) en een hoogdravende vlogger die denkt een kinderboek te kunnen schrijven (zoals veel BN’ers dat tegenwoordig doen).

 

De toon van het boek is speelser dan die van zijn essaybundel Echte pretentie (2018). In die laatste bundel betreurde De Vries het verlies van een zekere algemene en culturele kennis. Mensen die die kennis wél hebben, worden met dedain behandeld, zo stelde hij: ‘[W]ie niet weet wie Lord Byron is hoeft zich niet meer te schamen, wie het wél weet is een eikel’. Die pretentieuze boodschap verpakte De Vries al in een gezonde dosis zelfspot en in Rustig aan, tijger doet hij daar nog een schepje bovenop. Het verhaal ‘creatief schrijven’ begint bijvoorbeeld met een affaire tussen een koppel dat zich Anna en Wronski noemt. Enkele pagina’s verder wordt de lezer er fijntjes op gewezen dat hij deze referentie naar Tolstojs Anna Karenina niet begreep (of juist wel). De Vries nuanceert dat echter onmiddellijk: maakt het uit als de lezer dat gemist heeft? Vol zelfspot legt hij de schuld eerst bij zichzelf – ‘Ik vind het moeilijk maat te houden met citaten, ik sla te vaak een meta-toon aan’ – om vervolgens, volledig in de trant van Echte pretentie, toch te concluderen dat het maar het beste is als iedereen Tolstoj zou lezen: ‘Als je niet weet dat de getrouwde Anna valt voor de buitenechtelijke charmes van de soepele graaf Wronski, zijn we verloren.’

 

Experimenteerdrift

 

In Rustig aan, tijger publiceert De Vries voor het eerst losse verhalen. Die kans heeft hij aangegrepen om te variëren en te experimenteren met de vorm. Zo presenteert hij het ene verhaal als een interview en hanteert hij in een andere met succes de wat onconventionele jij-vorm. Deze experimenteerdrift begint echter tegen hem te werken als hij twee verhalen op elkaar laat aansluiten door ze als brieven op te bouwen. De eerste ‘brief’ wordt geschreven door Diksi en is gericht aan Sylvia, zijn ex-collega en -geliefde die ondertussen overleden is. Dat het meer een mijmering over hun gedeelde verleden is dan een echte brief is op zich nog niet zo erg – de dode Sylvia zal het immers toch niet lezen. Maar dat de ‘brief’ bijna cliffhanger-achtig opbouwt naar een grande finale in een chique club in Cannes doet geen recht meer aan het genre. De constructie is te gezocht, de brief te kunstmatig. De tweede ‘brief’ is een antwoord op de eerste, maar de tekst is niet geschreven door Sylvia – die is immers dood –, maar door een collega en vriendin, ‘de Muis’ genaamd. De Muis blijkt echter ook dood, wat door De Vries wordt opgelost met het simplistische en gemakkelijke ‘Ik ben nergens. Er is geen plek, geen omgeving, ik ben alleen. Het is licht, dat wel, ik geloof dat dat iets positiefs is’. De constructie – de gemaaktheid van de brieven, de doden die kunnen schrijven – leidt hier af van wat eigenlijk helemaal geen slecht verhaal is.

 

De spiegel als betekenisgeving

 

De soms iets te enthousiaste vormexperimenten daargelaten, heeft De Vries een serie sterke verhalen neergezet waarin hij het leven van de worstelende dertigers – maar we mogen gerust ook de twintigers en veertigers meerekenen – op de hak neemt. Zijn satirische verwijzingen en zelfspot dragen er ook toe bij dat de verhalen nergens zwaar of dramatisch worden. Toch is Rustig aan, tijger geen luchtig boek en zoekt de Vries wel degelijk naar een diepere oorzaak van die millennial-problemen. Want wat drijft die generatie nou?

 

Wellicht typerend voor De Vries is dat zijn overkoepelende analyse voortvloeit uit een grap. De schrijfregels uit ‘creatief schrijven’ stellen dat je nooit een personage aan de hand van een foto mag introduceren: ‘valsspelen, een flauwe truc om zijn uiterlijk aan de lezer te kunnen beschrijven.’ Je moet de verbeelding van de lezer de vrije loop laten. Als je schrijft dat ‘een personage “op een jonge Rutger Hauer” lijkt’, knakt die verbeelding. Uiteraard strooit De Vries zelf vervolgens in het hele boek met beschrijvingen via spiegels of foto’s, of geestige variaties daarop: ‘Iemand had zich verkleed als Zadie Smith. Sprekend. Zelfs de sproetjes op haar neus. Tot ze dichterbij kwam en zag dat het gewoon alweer Zadie Smith was.’ De spiegeling en de foto zijn daarmee als motief door het boek verweven.

 

Maar dat motief is ook op een serieuze, meer metaforische wijze belangrijk in Rustig aan, tijger. De foto, het vaststaande beeld is te dominant en richtinggevend in deze wereld, zo lijkt De Vries te suggereren. Dat blijkt niet alleen uit de personages die zich al Instagram-struinend spiegelen aan vrienden, of uit de personages die hun herinneringen aan ex-geliefdes op één foto baseren. Het blijkt vooral uit hun streven om te voldoen aan een bepaalde verwachting, een ideaalbeeld van wat het leven betekenis geeft. Een gezin, een koophuis, een carrière, het zijn dingen die goed op het plaatje staan. Ons leven, of de herinnering aan dat leven, bestaat immers voornamelijk uit die plaatjes – de hoogtepunten –, zo haalt De Vries Daniel Kahnemans Thinking, fast and slow aan. Maar De Vries’ personages worstelen met die plaatjes, die ‘flarden’. Ze streven er wel naar, maar weten nauwelijks waarom ze dat doen. Willen ze dit zelf, of doen ze het omdat het van hen verwacht wordt? En wat willen ze dan eigenlijk wél? Het is uiteindelijk die strijd waar millennials in verwikkeld zitten: het loskomen van de verwachtingen en het onderzoeken van wat het leven voor jou belangrijk maakt. Betekenis geven doe je niet voor de foto, maar voor jezelf.

 

Recensie: Rustig aan, tijger van Joost De Vries door Barend van der Have

Das Mag, Amsterdam, 2020

Geplaatst op 19/05/2020

Tags: 2020, Barend van der Have

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.