Signalement: Er moet iets gebeuren – Maartje Wortel

Er moet iets gebeuren

Maartje Wortel

Vorig jaar rond deze tijd interviewden we voor tijdschrift Vooys Maartje Wortel (1982) in haar tijdelijke werkkamer in de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Als writer-in-residence werkte ze daar aan haar tweede verhalenbundel (en vierde boek) Er moet iets gebeuren. Toen was nog onbekend dat deze bundel niet bij haar eigen uitgeverij De Bezige Bij zou verschijnen, maar deel zou uitmaken van de eerste drie uitgaves van de nieuwe, met veel spektakel aangekondigde uitgeverij Das Mag. Voor aanvang van het interview vertelde Wortel ons een anekdote: ooit was ze tijdens een vakantie in Turkije op slag verliefd geworden op de rug van een barmeisje.

Auteur, verteller, personage

Precies die gebeurtenis is onderdeel van het in haar nieuwe bundel opgenomen verhaal ‘De schrijver II’, dat in zekere zin een voortzetting is van ‘De schrijver’ uit haar debuutbundel Dit is jouw huis (2010). Waar we in ‘De schrijver’ kennismaken met de weifelmoedige Felix, die ‘vijftien boeken had […] geschreven en daardoor was […] vergeten wie [hij] zelf was’, leren we Maartje Wortel in ‘De schrijver II’ juist kennen als een zeer zelfbewuste protagonist.

Vanuit metaperspectief reflecteert dit personage (dat al dan niet samenvalt met de auteur) op de vraag wat het schrijverschap precies behelst. Wat betekent het om een talige constructie te creëren, nieuwe werelden te scheppen? Zo’n vraag zou gemakkelijk tot hooggespannen verwachtingen over kunst kunnen leiden. Maar auteur, verteller en personage Wortel benadrukt toch vooral de betrekkelijkheid van zulke (artistieke) ondernemingen:

Tegenover iedereen die zich ten volste voor welke zaak dan ook inzet, staat een ander die hetzelfde doet, maar dan de andere kant op. Iemand stelt een regel op. Iemand breekt een regel af.

Dat op- en afbreken, of meer bepaald scheppen en vernietigen, loopt als een rode draad door de verhalenbundel. In haar tweede roman IJstijd (2014) vormt ‘het eiland’ de centrale metafoor voor hedendaags isolationisme. Die metafoor keert terug in het verhaal ‘Hoe het was’, waarin de schrijver haar zoektocht naar identiteit en authenticiteit voortzet. Daarbij getuigen we van zowel een vervolmaking als vernietiging van haar idealen en verlangens. Nu eens in de vorm van personages die er maar niet in slagen contact te leggen, dan weer als tot de verbeelding sprekende coming of age-processen. Op droef-komische wijze beschrijft Wortel de manier waarop mensen omgaan met verlies en rouw.

Wortel-huisstijl

Stilistisch is dit alles verpakt in wat we inmiddels de Wortel-huisstijl kunnen noemen: korte, prangende zinnetjes, die meestal vergezeld gaan van een minimum aan bijzinnen. De schrijver geeft zich zelden over aan een lyrische, meanderende taal. Een consequentie van deze schrijfstijl is dat alles direct en schijnbaar ongepolijst bij de lezer binnenkomt.

Wil je hem eens nadoen? vroeg ze. Ze aaide Hans over zijn hoofd, door zijn natte haar. Hans zei niets, hij keek haar vragend aan. De hond, zei ze. Ik mis hem zo. Het geblaf, zei ze.
De gezelligheid. Ik ga de hond niet nadoen, zei Hans. De hond is dood.

Zulke passages lezen in eerste instantie als een gortdroge rapportage, waarin niets opgepoetst is en het vertelde op een onbemiddelde manier gepresenteerd lijkt te worden. Maar dankzij dat franjeloze overstijgen deze stukken de trivialiteit. Ze bevatten veeleer iets tragikomisch, ze schrijnen. Daarbij komt dat de meeste dialogen zonder aanhalingstekens staan weergegeven, waardoor het lijkt alsof vertellerstekst en personagetekst door elkaar lopen – een modus die het midden houdt tussen de directe rede en de vrije indirecte rede. Juist die afwezigheid van een bepaalde afstand van de vertellers tot hun onderwerp maakt dat er in de leeservaring van Er moet iets gebeuren een directe nabijheid tot de personages ontstaat.

Receptie

Over het algemeen oogst het oeuvre van Wortel veel lof. Naast tal van positieve kritieken werden al haar boeken genomineerd voor of bekroond met een literaire prijs. Toch weet niet iedereen haar werk op waarde te schatten. Zo vatte de Volkskrant-criticus Arjan Peters haar nieuwe bundel samen met de (later door Das Mag gemythologiseerde en geridiculiseerde) frase ‘dertien kleuterverhalen’, en kende slechts één ster toe. Ook Maria Vlaar in De Standaard en Janet Luis in NRC Handelsblad waren verre van enthousiast.

Hoe ad feminam en onterecht Peters’ recensie ook moge zijn (hij noemt haar onder meer ‘lui’), toch schuilt er in diens classificatie van Er moet iets gebeuren een kern van waarheid. Wortels eigenzinnige toon doet soms bijna kinderlijk-naïef aan. Het lijkt alsof haar verhalen voortkomen uit een basale, argeloze verwondering. Sommigen ergeren zich daaraan, maar voor mij schuilt daarin haar kracht: in de kinderlijke en onvervalste verwondering schuilt een authentieke, filosofische reflectie. De open en onbevooroordeelde houding van het kind resulteert soms in vondsten die op een volwassene vreemd overkomen, maar daardoor juist iets manifest maken wat anders onder de oppervlakte was gebleven. Wortel is de ‘kleuter’ die ons vertelt hoe je het óók kan bekijken. Het is ongeveer als met de liedjes van de band Roosbeef: je houdt ervan of je haat ze – een middenweg lijkt niet aan de orde. Ik reken mijzelf tot de bewonderaars. Geen ster die daar iets aan kan veranderen.

Links

Das Mag, Amsterdam, 2015
ISBN 9789082410600
240p.

Geplaatst op 30/12/2015

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.