Poëzie, Recensies

Apocalyps in Technicolor

Sticky Drama

Dominique De Groen

Eindigt het allemaal met een knal, of toch met zacht geweeklaag, zoals T.S. Eliot verwachtte? De Vlaamse dichteres Dominique De Groen voorspelt in Sticky Drama een heel andere afloop: de wereld zoals we die kennen, zal ten onder gaan in het geborrel van een onafzienbare olievlek. Vanaf de eerste bladzijdes van haar tweede volwaardige gedichtenbundel wordt de lezer meegesleurd in een stroom van beelden die wereldwijde ecologische rampspoed aankondigt. Verzengende nucleaire regen, tsunami’s van microplastics, zeeën vol lekkende olietankers, de onomkeerbare verzuring van het klimaat met de dood van al het aardse leven tot gevolg… Ondanks het zuurstokroze omslag van de bundel doet deze dichter bepaald niet aan suger-coating. Het einde is nabij – of sterker nog, volgens De Groen zitten we eigenlijk al middenin het ‘kleverige drama’ van de Apocalyps.

In een interview vertelde De Groen dat ze Sticky Drama weliswaar schreef na een lange ‘winter van klimaatdepressie’, maar dat ze evengoed een ‘hoopvolle’ bundel heeft willen afleveren. De toon van Sticky Drama is inderdaad niet somber, maar opvallend lyrisch, geestdriftig, tot aan het euforische toe. Dat geldt zeker voor het laatste deel van de bundel, waarin uitgelaten wordt gezongen, gedanst en gejoeld. Dat roept intrigerende vragen op: wat is er hoopvol te noemen aan dit visioen van de ondergang van de wereld? Wat valt er volgens deze dichter nog te zingen als het water – of eerder: de olie – ons aan de lippen staat? De Groens poëzie laveert tussen een extatische lofzang op de schoonheid van een nieuwe, post-humanistische wereld en een verbeten zoektocht naar een magisch ritueel om die ondergang alsnog te bezweren. Dat levert een avontuurlijke leeservaring op, waarbij hoop en wanhoop elkaar afwisselen – totdat ze uiteindelijk twee kanten van dezelfde medaille blijken te zijn.

Een nieuwe, donkere, onderaardse zon

De eerste afdeling van de bundel, ‘Something Sticky This Way Comes’, speelt zich af op de ‘besmette stranden van de geschiedenis’. Gemuteerde schaaldieren scharrelen over met olie besmeurde eilanden en schimmen van mensen, ‘afgebleekt residu / van eindeloze rijen voorouders’, draaien rondjes in hun zinloos geworden routines van werk en consumptie. Dit deel van de bundel bevat sterk beeldende, bijna filmische poëzie, opgebouwd uit gedrongen strofes met snel afgebroken regels, die het in stukken uit elkaar vallen van de wereld ook vormtechnisch tot uitdrukking brengen. Met een onderkoeld soort verwondering registreert De Groen hoe de samenleving is vervallen tot een angstaanjagende spektakelmaatschappij, bevolkt door natuurramptoeristen:

Verlamd kunnen ze nog slechts

oude beelden van hun gang

keer op keer opnieuw bekijken

in de hoop iets anders te zien

dan de doodse lusbeweging

‘Niemand kan zeggen of de ramp net gebeurd is / of nog komen moet’, schrijft De Groen, en in zekere zin doet dat er ook niet meer toe. Elders, in haar antikapitalistische manifest M.A.L.E.F.I.C.I.A. (2018), constateert ze in vergelijkbare termen namelijk: ‘In tijden van klimaatopwarming en massa-extinctie kunnen en moeten we ervan uitgaan dat we reeds (on)dood zijn, dat we alles al kwijt zijn behalve onze lichamen.’ We zijn allemaal al zombies, strompelend door een post-apocalyptisch landschap, aldus De Groen: we hebben het alleen nog niet door.

Wat Sticky Drama toch een ‘hoopvol’ randje geeft, is dat De Groen in haar gedichten die wereldwijde klimaatvervuiling voorstelt als een nieuwe oersoep. Wat nu, zo luidt de vraag die ze in de gedichten steeds weer opwerpt, als we ons die massa-extinctie eens voorstellen als het begin van een toekomstig, heel ander leven? Het is een wonderlijk gedachte-experiment, waarbij het einde der tijden opeens wordt geherwaardeerd als een nieuwe prehistorie. ‘Alles wat gebouwd wordt / op deze bodem / zal desintegreren’: bacillen, schimmels, dieren en mensen vergaan tot stof, dat diep in de aarde, net als plankton, wordt omgezet in olie. Die substantie functioneert vervolgens als ‘een natte, donkere / onderaardse zon’, die ‘een nieuw tijdperk’ van zwarte, kleverige organismen inleidt:

de hegemonie

van zonnekapitalisme

de economie van fotosynthese

loopt ten einde.

 

Uit sluimerende bacteriën

diep in het zwarte ijs

halen ze hun voedsel.

In de tweede afdeling van de bundel werkt De Groen dit scenario verder uit. In de ik-vorm komt een olie-etende bacterie aan het woord, die verhaalt hoe ze, na duizenden jaren gevangen gezeten te hebben in post-nucleair permafrost, ontdooit en begint te evolueren. Ze draagt de sporen van het verleden in zich mee (‘de onzichtbare hand / van een dode markt / roert in de besmette vloeistof van mijn aders’), maar die voorgeschiedenis van vernietiging geeft nu voeding aan een alternatieve levenskracht, samengebald tot ‘een lekkende, pulserende / olieachtige vuist / van donker oerslijm’. De afdeling sluit af met een wild feest waarop de nieuwe organismen ‘dansen op een steeds gladdere film / van braaksel, slijmsporen, genitaal vocht’, ter ere van de ‘nieuwe, zwarte zon’.

Die feestelijke wending maakt al duidelijk dat de transformatie die De Groen beschrijft steeds nadrukkelijk gepaard gaat met gezang en meeslepende dans. Assimilerende organismen zingen in ‘zalvende, liquide klanken’, de ik-figuur ‘[danst] / een trillende gelatinedans / op de muziek van de sferen’ en ‘[zingt] een hymne in koor’. De biologische evolutie blijkt hand in hand te gaan met een lyrische ontwikkeling die naar een hoogtepunt toewerkt. Net zoals diep onder de aarde de afgebroken organische materie onder hoge druk wordt omgezet in olie, zo wordt de taal van De Groen tot het uiterste gedreven, totdat ‘het lied barst’:

Het zette uit tot het dunne vlies dat alles samenhield barstte,

de volgezogen organen naar buiten liepen, de weke been-

deren oplosten en het gedicht, eindelijk, uit elkaar spatte.

 

Nu hangen de muren, het plafond, de lege hemel zonder

auspiciën en ook je gezicht vol met de kleverige, gifgroene

massa.

De beelden lijken te zijn genomen uit de videoclip bij het nummer ‘Sticky Drama’ (2015) van de Amerikaanse electro-pionier Oneohtrix Point Never; De Groen nam ook enkele tekstregels ervan als motto in haar bundel op. De clip van ‘Sticky Drama’ toont een groteske kinderfantasie: een slow-motion zwaardgevecht tussen twee groepen mismaakte kinderen, uitgedost in middeleeuws tenue, eindigend in een ontploffing van een plakkerige, groene substantie. Het zijn op zich allerminst poëtische scènes, maar De Groen geeft een opmerkelijke, poëticale draai aan de slijmexplosie: haar uit elkaar spattende poëzie is geen kinderspel (om met een andere dichter te spreken), maar besmeurt als giftige slijm de godverlaten hemel (‘zonder auspiciën’) en besmet zelfs de lezer van haar gedichten (‘je gezicht’). Het is een fascinerende climax, die razend nieuwsgierig maakt naar wat komen gaat: als het ‘lied’ al halverwege de bundel uit elkaar is gespat, wat staat de lezer dan te wachten in de rest van Sticky Drama?

Een luchtbel gevuld met heksen

Na deze poëtische explosie veranderen de gedichten in het derde en laatste deel van De Groens bundel inderdaad van karakter: ze ‘verslijmen’ naar het proza, zoals de redacteur van De Groen dat al treffend beschreef. In plaats van de fragmentarische, beeldende lyriek waarmee Sticky Drama opent, presenteert De Groen hier verhalende, informatiedichte teksten, waarin onverwachte plotwendingen, gesprekken en theoretiserende passages elkaar in hoog tempo afwisselen:

Na mijn delirium werd ik opgevangen door bewoners van een

naburig dorp. Zij waren op dat moment in de ban van een

mysterieuze goudkoorts die er sinds mensenheugenis om

de 154 jaar bezit neemt van iedere inwoner. Toen ik hersteld

was ging ik uit dankbaarheid in de diepe, donkere meren rond

hun dorp speuren naar klompjes goud. En daar, op de bodem

van het meest afgelegen meer, botste ik tegen een enorme

luchtbel aan.

In zulke breed over de pagina’s uitwaaierende teksten doet de dichter verslag van de lotgevallen van ‘Malayney Melkzuur’, een ‘jonge danser die overdag als lasser in een staalfabriek werkt en ’s nachts optreedt in een club’. Dit gender-fluïde personage figureert ook in elders gepubliceerde romanfragmenten van De Groen en blijkt in het eerdergenoemde M.A.L.E.F.I.C.I.A. zelfs onder eigen naam te publiceren. Met de introductie van Malayney krijgt Sticky Drama trekken van een uitgesponnen science-fictionparodie. Zo valt Malayney als een blok voor ene ‘Forest Woodley’, ‘berucht eco-terrorist’, die haar meeneemt naar de ‘Bacteriënstad Achter de Regenboog’, alwaar het prille stel door de ‘Wijze Oude Bacterie’ wordt onderwezen in ‘de helende krachten van olie’. Met die bizarre wending zijn de grenzen van De Groens fantasie nog niet bereikt, want Malayney, op de vlucht voor ‘het Kartel’, belandt vervolgens op de bodem van een meer in een ‘luchtbel, gevuld met heksen’, die haar door middel van een kabbalistisch ritueel oog in oog brengen met ‘L.U.C.A.’ – de ‘last universal common ancestor’ van alle aardse organismen. Tegelijkertijd wordt ook de vormgeving van de bundel almaar avontuurlijker: het relaas over Malayney wordt steeds vaker doorschoten met esoterische bespiegelingen, ingelaste kaders met interpretaties van tarotkaarten, en icoontjes van een wassende maan, symbool voor het ‘mysterie achter het zichtbare’.

Het moge duidelijk zijn: op dit punt aangekomen, is de plot van Sticky Drama nauwelijks nog te parafraseren. Het gaat De Groen dan ook helemaal niet om een logisch-chronologische opeenvolging van gebeurtenissen: ze wil zulke conventionele, dwingende, onvermijdelijk op het einde afstevenende verhaalstructuren juist doorbreken. Het is niet toevallig dat De Groen in een interview heeft bekend groot bewonderaar te zijn van de radicale montage-experimenten van de Amerikaanse postmodernistische auteur Kathy Acker (1947-1997); en in datzelfde interview typeert de dichteres haar eigen werkwijze als de talige constructie van een netwerk van uiteenlopende en (toepasselijk genoeg) ‘kleverige’ verbindingen: ‘Eerder dan een regel weg te nemen uit een lineaire opeenvolging van regels, heb ik [in dit gedicht] een draadje binnen dat kleverige web op een andere manier verbonden dan voorheen, het geconfigureerd in een andere constellatie.’ In dezelfde trant bevat ook M.A.L.E.F.I.C.I.A. een pleidooi om ‘ontvankelijk [te] zijn voor de niet-lineaire, irrationele, onlogische connecties tussen dingen’. De avonturen van Malayney zijn dus eerder metonymisch dan metaforisch op te vatten: geheel in lijn met De Groens post-antropocene verkenning van ‘alternatieve lyrische subjecten en subjectiviteiten’ staat niet de psychologische of emotionele ontwikkeling van één humanoïde verteller centraal, maar gaat de mens-als-personage kopje-onder in een wildgroei van associaties en dwarsverbanden.

Toch valt er een moraal te ontdekken in de surrealistische laatste pagina’s van Sticky Drama. De sleutel wordt aangereikt in de al een paar keer aangehaalde publicatie M.A.L.E.F.I.C.I.A., waarvan de titel een acroniem vormt van ‘Magic in the Anthropocene under Late Elitist Fossil-fueled Industrial Capitalism and Impending Apocalypse’. In deze tekst – half gedicht, half politiek manifest – wordt gezocht naar ‘manieren waar witchcraft zich kan verhouden tot de wereld waarin we vandaag leven: tot ecologische vernieling, tot ongelijkheid, tot surveillance, tot het techno-patriarchaat’. Die hedendaagse vorm van hekserij, zo is de claim, ‘biedt occult verzet / laat het onderdrukte terugkeren / wast de beenderen van de slachtoffers van het kapitaal / met hun tranen’. Dat klinkt allemaal nogal out there, maar dat is ook net het punt: hekserij dient als een voorbeeld van ‘een functionele set van technieken voor het nu’ die ontsnapt aan de bestaande orde. Zo wordt de heks het ‘symbool van verzet tegen bepaalde systemen’, specifiek het patriarchaat en laat-kapitalisme.

De Groen laat zich bij die lezing van witchcraft als subversieve praktijk inspireren door het werk van de Italiaanse feministische wetenschapper Silvia Federici (1942), die betoogt dat de middeleeuwse heksenjacht kan worden gezien als symptomatisch voor de opkomst van een kapitalistische samenleving. Zo bezien is het niet toevallig dat net die heksen verantwoordelijk zijn voor het rituele gezang en de uitzinnige dans die het slot van Sticky Drama domineren. ‘Wij dansen in doodse zones van industrie en kapitaal’, zo legt De Groen in haar hekserige manifest uit: ‘De dans is extase, verzet tegen de automatisering en ontmenselijking van onze lichamen, tegen de kwantificering van iedere handeling volgens kille efficiëntiequota.’ Wie een andere taal wil leren spreken dan die van de zichzelf vernietigende kapitalistische samenleving, moet zich wenden tot magische rituelen, betoverend gezang en associatieve orakeltaal – kortom, tot de dichtkunst als hedendaagse witchcraft.

Van de kleinste placozoa tot de grootste kelpie

Zo omarmt De Groen in Sticky Drama de consequenties van de ecologische ondergang én verzet zij zich met zang en dans tegen het onvermijdelijk einde. Dit is geen inconsistentie, integendeel: ‘Deze hekserij is Utopisch en Dystopisch tegelijkertijd’, schrijf de dichter in M.A.L.E.F.I.C.I.A. Pas wanneer we de wanhoop onder ogen zien, ontdekken we nieuwe bronnen van hoop. De Groen blijkt het dus toch nog niet helemaal oneens te zijn met T.S. Eliot: ‘And to make an end is to make a beginning. The end is where we start from.’

Dat De Groen, paradoxaal genoeg, haar hoop heeft gesteld op de Apocalyps verklaart waarom er aan het slot van Sticky Drama, als ‘de zon van olie’ alles voorgoed overspoelt in een ‘explosie van licht’, zo uitbundig wordt gezongen en gefeest. In het laatste gedicht, ‘Dans Van Krabben’, heffen de ik-verteller, Malayney, de heksen en alle levende wezens, ‘van de kleinste placozoa tot de grootste kelpie’, een lied aan: ‘Somewhere over the rainbow, way up high / There’s a land that I heard of…’ Het zijn de hoopvolle woorden van Dorothy Gale/Judy Garland, in de film The Wizard of Oz (1939), die droomt van een land achter de regenboog, waar dromen uitkomen en zorgen wegsmelten als citroensnoepjes. In de film wordt Dorothy door een tornado meegesleurd naar het sprookjesland van Oz. Daar wordt zij op magische wijze voorzien van een paar rode schoenen, die uiteindelijk haar redding blijken te zijn: om weer thuis te komen, op een boerderij in Arkansas, hoeft Dorothy alleen maar haar ogen te sluiten, drie keer met de hielen van haar rode schoenen tegen elkaar te klakken, en één zin uit te spreken: ‘There’s no place like home.’

Het citaat, zo aan het slot van de bundel, suggereert een parallel tussen het Technicolor avontuur van Dorothy en het gifgroene slijmdrama van Dominique. Net zoals Dorothy is De Groen op zoek naar een toverspreuk, naar een bezwerend ritueel – naar iets, wat dan ook, dat haar een kans biedt de verwoestende tornado die op haar afkomt het hoofd te kunnen bieden. Maar anders dan de toverspreuk van Dorothy, is die van De Groen géén opmaat tot een terugkeer naar een imaginair verleden zonder zorgen: in plaats daarvan gaat het om een oproep om te durven dromen van een alternatief toekomstscenario. Het escapisme van Garlands lied wordt door De Groen zo getransformeerd tot een lyrische vlucht naar voren. Dat maakt deze indrukwekkende poëzie even hoopgevend als confronterend – want er is inderdaad geen andere plek zoals deze aarde, die we ons thuis noemen.

Een recensie over Sticky Drama van Dominique De Groen door Gaston Franssen.

Het Balanseer, Amsterdam, 2019
ISBN 978 90 48 853571
208p.

Geplaatst op 02/04/2021

Tags: post-apocalyptisch

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.