Water stroomt naar boven

Als ik als eerste aankom

Nachoem M. Wijnberg

‘Ik heb mijn eigen/ vrede gesloten, buiten de anderen om,/ ik heb gezegd waarom, moet ik verder nog iets doen?’ Met deze regels opent Nachoem M. Wijnberg zijn recentste poëziebundel Als ik als eerste aankom (2011). Blijkbaar valt er na de vrede van de dichter met zichzelf nog heel wat te doen. Er volgen immers tachtig pagina’s gedichten. En al in het eerste gedicht manifesteert zich de buitenwereld: ‘Wat naar binnen gewaaid is/ toen ik binnenkwam, hoe kan dat,/ heb ik de deur niet meteen dichtgedaan?’ ‘Binnen’ en ‘buiten’ zijn wellicht de meest gebruikte begrippen in de bundel. Daartussen beweegt de dichter zich: ‘Bewegerman,/ dat ben je toch?’ zo opent een van de gedichten. Er wordt daarom veel gereisd in deze bundel, of misschien beter nog: er wordt vertrokken en er wordt aangekomen. In sommige gedichten duiken bergen en rivieren op, in andere bossen en eilanden, of steden. Er wordt verwezen naar mythische steden als Babel en Troje, naar het Moskou van Napoleon. Soms is het reizen veel minder spectaculair en gebeurt er niet veel meer dan het binnen- of buitengaan van een huis. De natuur speelt een belangrijke rol in de bundel: de bomen, de regen, de storm. Daarnaast ook dieren als honden en katten, maar die horen dan weer meer tot de huiselijke sfeer. ‘Ben ik bang/ voor de kou?// Heb ik koorts?// Houd ik van reizen?’ vraagt de dichter niet onterecht in een van de laatste gedichten. ‘Binnen’ en ‘buiten’ zouden geassocieerd kunnen worden met ‘het eigene’ en ‘het bekende’ enerzijds en ‘het andere’ of ‘het vreemde’ anderzijds. Maar zo scherp zijn binnen en buiten hier niet van elkaar afgebakend. Hun dynamiek heeft een moment van onbeslisbaarheid.

Het is misschien een wat vreemde vergelijking, maar het lezen van de gedichten in Als ik als eerste aankom geeft bij momenten eenzelfde sensatie als het kijken naar de tekeningen van M.C. Escher. Je weet als kijker niet precies op welk niveau je zit. Je probeert met je vinger het naar beneden stromende water op de tekeningen te volgen en voor je er erg in hebt, stroomt het water naar boven. Dalen dat zonder dat je het merkt overgaat in stijgen. Ook in de verzen van Wijnberg lijkt er voortdurend iets te verschuiven waardoor je de indruk krijgt ergens een schakel of een overgang te hebben gemist. Misschien zijn het de over het blad slingerende regels van de gedichten in deze bundel die de associatie met Escher nog dwingender maken. Ook in de gedichten keer je als lezer op je stappen terug, maar je kunt maar moeilijk het punt vinden waarop het ‘fout’ liep. Die ‘fout’ is juist het mysterie van het werk van Wijnberg, als ‘mysterie’ al het juiste woord is. Zelfs als je ‘begrijpt’ hoe een tekening van Escher functioneert, wat begrijp je dan? Hetzelfde gebeurt in de gedichten van Wijnberg. Je wordt meegenomen op een tocht, maar je weet niet precies waar je aankomt: ver weg van huis of toch opnieuw bij het vertrekpunt? Wat is er gebeurd in het verloop van de verzen? Ben je een emotie rijker? Een illusie armer? Was het gedicht een gedachtenexperiment? Een taalervaring? Een superieur retorisch spel? Een tot anekdote gecrypteerde wijsheid? Je twijfelt vaak bij Wijnberg. Gaat het om een observatie of om een meditatie? Is wat je leest een beschrijving van een reeks gebeurtenissen of een soort van fabel? Een ‘waarheid’ die zich even toont en zich even snel weer terugtrekt? Wat levert al die beweging op? Zoals in het titelgedicht, dat als tweede in de bundel staat:

Als ik als eerste aankom,
neem ik wat
iedereen wel zou willen,
Zoals het enige bed in het huis
en ik zou snel kunnen ruilen met
de eerste die er iets voor wil geven.

Dan heb ik misschien
nog een kans
op een plaats op de vloer,
tegen een muur aan,
zodat ik niet tussen
anderen in hoef te liggen.

Ik herinner mij hoe het was
toen ik voor het eerst binnenkwam,
voordat het terugvinden begon
van de vloer en het plafond
en de muren
die er waren.

Wat in de eerste strofe lijkt op een reis naar een nieuwe bestemming, wordt in de laatste strofe een herinnering aan een herhaald terugkeren. Tegelijkertijd wordt dat wat iedere reiziger zou willen – de luxe van een bed – omgeruild voor een plaats op de vloer. Is het gedicht (de poëzie in het algemeen?) een oefening in ontheemding? Drukt het een verlangen uit naar een nieuw begin? Zoals de laatste strofe van In een bos: ‘Het is goed hier te zijn,/ kan ik blijven/ alsof ik voor het eerst/ ergens alleen heen gegaan ben?’ Maar enkele pagina’s verder is de vraag bijna de tegenovergestelde: ‘Of het vreemd is/ dat ik terugverlang/ naar wie ik eerder/ geweest ben?’ Wanneer in de literatuur, in een gedicht of in een roman, sprake is van een reis dan gaat dat al snel over een zoektocht naar het eigen zelf, wat dat ook moge zijn. Dat is ook het geval in deze bundel: ‘Als ik nog iets verder loop/ kan ik beter zien waar ik ben,/ dan kan ik beter zien waar ik op hoop.’

Soms lijkt alles mogelijk, zoals in Troje: ‘Elke dag kiezen/ wie ik wil zijn,/ een van de Grieken/ of een van de Trojanen.’ Maar er is ook een besef van ‘wat anderen in mij/ neergelegd hebben, / als het lang gestormd heeft/ en ik buiten ben blijven staan.’

In het gedicht ‘Ik ben geen bedelaar’, naar het einde van de bundel toe, komt de dichter aan bij het ouderlijke huis:

Toen ik aankwam
bij het huis
waarin ik geboren was
zag ik mijn vader en moeder voor het huis staan,
niet anders dan ik me herinnerde.

Ik hoopte dat iemand
mij zou zien terwijl ik door het donker verder liep,
mij iets zou geven
alsof ik hem iets verkocht had
wat hij niet wilde hebben
en meteen teruggaf,
maar hij wilde mij niet vragen hem het geld terug te geven.

In deze ‘escheriaanse zin’ wordt een financiële transactie doorkruist door een gebaar van louter geven, maar wat wordt er precies uitgewisseld tussen de twee figuren die elkaar (niet) ontmoeten in het donker? Geven, nemen, ruilen, rijk of arm zijn: het zijn ‘economische’ activiteiten en situaties die wel vaker opduiken in de poëzie van Wijnberg. Zij bepalen mede de verhouding tot de wereld en tot de anderen. In een van de laatste gedichten lijkt de dichter een stand van zaken op te maken: ‘Ik ben dom/ geweest, zeg ik,/ wat ik/ nu weet, weet ik alleen/ omdat anderen minder/ dom waren.’

Toch eindigt de bundel met een nieuw, onverwacht en genereus uitzicht voor de reiziger:

Ik kwam door de voordeur naar binnen,
sliep een nacht in een goed bed,
’s ochtends door de achterdeur naar buiten,
zag het water van de grote vijver,
ik wist niet dat dit er was.

Het werk van Wijnberg blijft intrigeren omdat het je de indruk geeft iets heel essentieels te zeggen over het mens zijn, zonder je mee te sleuren in emoties en hartstochten. Met subtiele syntactische en lexicale verschuivingen creëert Wijnberg afstand en vervreemding en installeert zo in zijn gedichten een soort verwondering die het loutere begrijpen buiten spel zet en er toch voortdurend aan appelleert.

Links

Contact, Amsterdam, 2011
ISBN 9789025437619
80p.

Geplaatst op 04/09/2012

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.