Recensies, Samenleving

Een radicaal nieuw humanisme

Witte mensen, Joden en wij

Houria Bouteldja

De Frans-Algerijnse auteur en activist Houria Bouteldja (1973) schreef in 2016 een meesterlijk dekoloniaal manifest, dat nu ook in een Nederlandse vertaling verschenen is. Witte mensen, Joden en wij is geschreven voor een tijdperk waarin het ‘kolonialisme’ als bestuurssysteem misschien formeel niet meer bestaat, maar de ‘kolonialiteit van de macht’ blijft doorwerken – niet alleen in de relaties tussen Noord en Zuid, maar ook binnen de samenlevingen van de voormalige koloniale overheersers. Het is vooral die laatste vorm van kolonialiteit die Bouteldja blootlegt.

Haar analyse maakt komaf met heilige huisjes binnen de dominante opvattingen over mens en maatschappij, zowel aan links-progressieve als aan rechts-conservatieve zijde, en ze confronteert weldenkend Frankrijk met de manier waarop de koloniale geschiedenis en het koloniale gedachtegoed nog steeds doorwerken vandaag. Ze deinst er niet voor terug om te argumenteren dat de waarden van het land van ‘de Verlichting’, namelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap, nog steeds een illusie zijn. En dat niet alleen voor les indigènes de la Republique, de geracialiseerde Franse tweederangsburgers, maar voor iedereen in de Franse samenleving. Volgens Bouteldja wordt het ‘samen’ leven, letterlijk en figuurlijk, bemoeilijkt, zelfs onmogelijk gemaakt door mechanismen van macht die niet te vatten zijn enkel en alleen in klassenongelijkheid (zoals de linkerzijde vaak beweert) en nog veel minder in het cultureel racisme (de zogenaamde ‘botsing der beschavingen’ en de islamofobie) waarmee vooral de rechterzijde zich voedt.

Omdat ze het aandurft (als ‘Arabische’ vrouw?) te wijzen op deze contradicties binnen het hegemonische witte denken, zijn zowel het boek als Bouteldja zelf het mikpunt geweest van gemene, zelfs haatdragende, aanvallen. Daarbij worden telkens opnieuw dezelfde quotes op een absurde manier geïnterpreteerd en volledig uit de context gehaald om de polemiek rond het boek aan te zwengelen en om haar als persoon te brandmerken. Twintig Franse intellectuelen en schrijvers spraken in een open brief gepubliceerd in de Franse krant Le Monde zelfs van een moedwillige karaktermoord.

 

Racialisering als machtsrelatie

Wie echter de moeite doet om Witte mensen, Joden en wij echt te lezen, zal merken dat het een uitdagende, inspirerende en confronterende tekst is die aan het denken zet. Zowel de inhoud als de poëtische en soms provocatieve stijl, die doen denken aan illustere voorgangers in de dekoloniale literatuur als Aimé Césaire (1913-2008) en Frantz Fanon (1925-1961), bezitten de kracht om te transformeren en hoop te bieden.

Bouteldja’s aanklacht tegen ‘het koloniale heden’ en de manieren waarop eeuwenoude erfenissen van kolonisatie, structureel racisme en economische uitbuiting onze hedendaagse samenlevingen blijven vormgeven, herinnert ons eraan dat het politieke antwoord op racisme geen kleurenblindheid kan zijn, zoals het alom aanwezige liberale credo luidt: ‘Ik zie geen kleur, alleen mensen. We zijn allemaal gelijk.’ Die houding is net wat ze omschrijft als ‘het witte immuunsysteem’. Door de monopolisering van een abstract humanisme en een zogezegd neutraal idee van gelijkheid permitteert Europa zich te presenteren als ‘de grootste anti-kolonialisten’, ‘de grootste anti-homofoben’, ‘de grootste feministen’; als diegenen ‘die het gevoeligst zijn voor de “onderontwikkeling” van Afrika’, ‘die zich het meest voor humanitaire doelen inzetten’. Het laat Europa vooral toe het koloniale verleden en het neokoloniale heden te negeren en zichzelf vrij te spreken van de structurele en historische oorzaken van onderontwikkeling, armoede en ongelijkheid vandaag.

Bouteldja’s kritiek moet gesitueerd worden binnen de postkoloniale of dekoloniale traditie. Cruciaal hierbij is haar begrip van racialisering als machtsmechanisme en machtsrelatie. Ze spreekt in haar boek niet over witte, Joodse en inheemse mensen als essenties, als karakters die op zichzelf staan. Integendeel, ze heeft het altijd over de relaties die deze categorieën vormen. Zoals ze zelf aangeeft in het voorwoord: ‘“Witte mensen”, “Joden”, “inheemse vrouwen” en “inheemse mensen” zijn sociale en politieke begrippen. Ze zijn – op dezelfde manier als “arbeiders” of “vrouwen” – producten van de moderne geschiedenis. Ze zeggen absoluut niets over de subjectiviteit of over een of ander biologisch determinisme van individuen, wel over hun positie en hun status.’ Met andere woorden, dit boek gaat niet over witte, Joodse en inheemse mensen als individuen met een op zichzelf staande ‘identiteit’, maar over de relaties tussen hen, zowel psychologisch als socio-economisch, en de manier waarop deze relaties categorieën als wit, Joods en inheems creëren.

Bouteldja’s analyse doet op dit punt denken aan de Frans-Martinikaanse psychiater en schrijver Frantz Fanon. Volgens Fanon is de zwarte mens enkel en alleen ‘zwart’ in relatie tot de witte mens. Zwartheid, met andere woorden, is geen essentie noch een ontologisch feit, maar altijd een machtsverhouding. Ze bestaat niet als zodanig, maar wordt voortdurend opnieuw gemaakt. En als ‘zwart’ individu heb je daar zeer weinig vat op. Integendeel, je wordt gefixeerd en geracialiseerd van buitenaf op basis van je uiterlijk. En dat proces van racialisering staat natuurlijk niet los van de geschiedenis van kolonisering en haar raciale schema’s die in ons cultureel archief gegrift staan.

Evenmin als de ‘zwarte mens’, bestaat de indigène als zodanig. De term ‘indigène’ verwijst naar een historisch beladen concept uit de Franse koloniale en imperiale politiek waarmee een geracialiseerd onderscheid gemaakt werd tussen Franse witte burgers (citoyen) en de niet-witte koloniale  onderdanen (indigènes) in Algerije en bij uitbreiding het hele Franse koloniale imperium. Bouteldja eigent zich het concept toe en gebruikt het als geuzennaam om te verwijzen naar een gesubjectiveerde positie van minderwaardigheid in relatie tot ‘de witte wereld’. Bouteldja’s essay vertrekt dus niet vanuit een soort van identiteitspolitiek (een ander verwijt dat haar vaak voor de voeten wordt geworpen), maar wel vanuit een systemische kritiek op een structurele organisatie van machtsrelaties die haar oorsprong kent in het koloniale tijdperk en waar we, zoals Olivia Rutazibwa het verwoordt, ’collectief deel van uitmaken – bij momenten als geprivilegieerden, dan weer als slachtoffers, soms beide tegelijkertijd’.

Hetzelfde geldt voor de Joodse gemeenschap. Alleen is de relatie van Joden tot de witte wereld fundamenteel veranderd door de Holocaust en de manier waarop het zionisme ‘de morele legitimiteitscrisis van de witte wereld [moest] oplossen’. De verschillende relatie van Joodse respectievelijk inheemse mensen tot de witte wereld worden, volgens Bouteldja, geïnstrumentaliseerd om een ‘gemeenschappelijke strijd’ te onderdrukken. Witheid zelf, tot slot, moet ook in de eerste plaats gezien worden als machtsrelatie, niet louter als kleur. Of beter gezegd, als een fundamenteel onderdeel van een breder machtssysteem – de witte wereld en haar mondiaal kapitalisme.

 

Ras en klasse in de witte wereld

Het is daarom belangrijk om te beseffen dat racisme voor Bouteldja geen fenomeen is van alle tijden, maar net ontstond tijdens en mee aan de basis lag van de opkomst van de moderniteit, het kapitalisme en het Europese imperialisme. ‘Het witte ras’, zo schrijft ze, ‘werd uitgevonden ten behoeve van [de] opkomende bourgeoisie, want elk bondgenootschap tussen nog-niet-zwarte slaven en nog-niet-witte proletariërs was voor hen een bedreiging.’ Witheid werd een verdeel-en-heersinstrument voor de opkomende koloniale bourgeoisie, die het imperialisme nodig had om haar macht in Europa en de wereld te bestendigen. ‘Wat ons sedertdien gescheiden houdt’, betreurt Bouteldja in haar boodschap aan witte mensen, ‘is niet meer of niet minder dan een belangenstrijd tussen rassen, die even machtig en gestructureerd is als de klassenstrijd.’ Ras en klasse hebben elkaar dus gevormd en bepaald in de loop van de moderne geschiedenis.

Aan het einde van de 18de eeuw, in het tijdperk van de Amerikaanse en Franse revoluties, leek de kolonisering, die op dat moment ook haar hoogtepunt kende, in strijd met de nieuwe idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Die ogenschijnlijke tegenstrijdigheid tussen de financiële belangen en de verlichte idealen van de Europese bourgeoisie vormde een vruchtbare grond voor de ontwikkeling van het wetenschappelijke racisme. Hoe meer men sprak over de universele rechten van de mens, hoe meer men in Europa net nood had aan een dehumanisering van alle mensen die onder het koloniale juk gebukt gingen. Alleen zo kon men de nieuwe idealen verzoenen met de koloniale projecten waarin de ‘verlichte’ bourgeoisie haar ‘ondernemingszin’ kon laten gelden.

Als gevolg van dit historisch proces van kolonisatie en het bijbehorende culturele archief, ben je vandaag geen moslim enkel en alleen omdat je daarvoor kiest, maar ook omdat je tot moslim gemaakt wordt. In tegenstelling tot ‘een identiteit’ kunnen de hedendaagse mechanismen van ‘racialisering’ niet zomaar veranderd of uitgeschakeld worden door het individu zelf. Sommige mensen in onze maatschappij kunnen, net vanwege hun naam of huidskleur, er niet zelf voor kiezen om gezien te worden als ‘moslim’. Laat staan dat ze zelf individueel kunnen bepalen welke betekenis men vandaag geeft aan ‘moslim zijn’.

Deze machtsstructuren van racialisering hebben een impact op het individu zelf en de keuzes die hij of zij maakt. Bouteldja toont aan hoe bepaalde individuele keuzes, als indigène de la République, niet zomaar op zichzelf staan, maar altijd in relatie tot de witte wereld en de witte norm. Het individu wordt gevormd door de context, is het product van een maatschappij, van macht. Maar het omgekeerde geldt ook. Het individu is niet machteloos, zeker niet binnen een (nieuwe) collectieve strijd. En net daarin schuilt het revolutionaire potentieel van Bouteldja’s betoog. Haar bedoeling is veel ambitieuzer en ergens ook veel realistischer dan de verwachting die haar wordt opgelegd als indigène om ‘wit te worden’, vaak ook wel eufemistisch omschreven als ‘integratie’. De ervaring heeft haar geleerd dat ze nooit aan die verwachting zal kunnen voldoen. Hoezeer ze ook haar best doet en zich ‘aanpast’.

 

De strijd voor een nieuw mensbeeld

Bouteldja’s ambitie bestaat er in de eerste plaats in om haar menselijkheid terug te winnen. In die zin is Witte mensen, Joden en wij geen moraliserend essay, maar een politieke tekst met een duidelijke ‘sense of urgency’. De huidige economische, sociale en ecologische crisis en de groei van extreemrechts zijn duidelijke wake-upcalls voor progressieve krachten om zich te verenigen en te mobiliseren. In deze periode van crisis wil Bouteldja met haar manifest geen verdeeldheid en conflict creëren onder progressieven, maar haar witte bondgenoten net een uitgestoken hand aanreiken.

Die hand is echter niet onvoorwaardelijk. Bouteldja schrijft: ‘wat kunnen we de witte mensen bieden in ruil voor hun neergang en de oorlogen die dat voorspelt? Eén enkel antwoord: vrede. Eén enkel middel: revolutionaire liefde.’ Dit is een uitnodiging voor een radicaal nieuw humanisme. Een humanisme dat ons abstracte en valse universalisme bevrijdt van zijn blindheid voor reëel bestaande seksistische, racistische en klassenvooroordelen. Bouteldja confronteert ons met het besef dat abstracte universele principes vaak gepaard gaan met een onderliggende realiteit van macht, uitsluiting en uitbuiting. Achter onze grote woorden over universele mensenrechten zitten vaak vicieuze mechanismen van ontmenselijking verscholen. Je hoeft alleen maar te letten op de manier waarop we vandaag praten over vluchtelingen, over moslimgemeenschappen, over armere samenlevingen in het Zuiden, et cetera.

Het echte gevaar is dat we deze ontmenselijking van de gecreëerde ‘Ander’ nog steeds nodig hebben om het huidige economische en politieke systeem en de structurele ongelijkheden die het creëert, te legitimeren. Net zoals we in het koloniale verleden de creatie van de zogenaamd inferieure ‘Ander’ nodig hadden om slavernij, genocide en plundering te rechtvaardigen. Bovendien, zo houdt Bouteldja ons een spiegel voor, ontmenselijkt het koloniale heden niet alleen geracialiseerde mensen, de zwarte vluchteling, de gesluierde vrouw, de inheemse gemeenschap …, maar ook witte mensen. De verharding van het Europese migratiebeleid, het optrekken van muren en ondoordringbare buitengrenzen, de opsluiting van duizenden mensen in kampen en de maatschappelijke onverschilligheid tegenover de duizenden anderen die sterven op de Middellandse Zee, zijn maar enkele duidelijke voorbeelden. En Bouteldja staat de witte progressieven onder ons niet toe om te denken dat we immuun zijn voor deze tendensen van dehumanisering.

In Witte Mensen, Joden en wij roept Houria Bouteldja ons op om de witte wereld te ontmantelen en samen een radicaal andere mondiale toekomst te verbeelden, gebaseerd op solidariteit, respect en revolutionaire liefde. Altijd vertrekkende vanuit onze vaak zeer verschillende relaties tot de witte wereld, daagt ze ons uit te zoeken naar wat feministen, antiracisten, klimaatactivisten, vakbondsleden, gele hesjes, sans-papiers, indigènes de la République,… met elkaar verbindt. Daarom is Witte mensen, Joden en wij een kritische, confronterende maar evenzeer verzoenende uitnodiging aan iedereen die zich inzet voor een andere, betere wereld.

Leesmagazijn, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Joost Beerten
ISBN 9789491717659
139p.

Geplaatst op 05/02/2021

Tags: Dekolonisering, Frantz Fanon, Houria Bouteldja, Joden, Kolonisering, racisme, Witte schuld

Categorie: Recensies, Samenleving

Reacties

  1. Axel Donk

    “Ze deinst er niet voor terug om te argumenteren dat de waarden van het land van ‘de Verlichting’, namelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap, nog steeds een illusie zijn”.

    Waarden van de verlichting? Verlichting en Franse Revolutie weer maar eens op één hoop gegooid…. ten onrechte.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.