Poëzie, recensie

Het smeltwater en de archiefkast

Xenomorf

Jens Meijen

Gisteren werd Jens Meijens debuutbundel Xenomorf genomineerd voor de Poëziedebuutprijs 2020. Ook Sis Matthé, Iduna Paalman en Peter Prins maken kans op de prijs. Op 29 augustus zal in De Standaard der Letteren de winnaar bekend worden gemaakt. Hieronder lees je alvast een recensie van de bundel door literatuurwetenschapper Tijl Nuyts.

 


 

Wat is poëzie waard in het licht van de eeuwigheid? Het is een vraag waar heel wat dichters in het verleden mee hebben geworsteld – en ook vandaag blijft ze actueel. In een tijd van stijgende zeespiegels, oprukkend populisme en een debatcultuur die de lucht uit ons taalgebruik lijkt te knijpen, laat Jens Meijen die eeuwenoude vraag nog een stuk urgenter weerklinken in zijn debuutbundel Xenomorf (2019). Geconfronteerd met een wereld die in brand staat, weegt de bundel de waarde van gedichten wanneer de eeuwigheid niet langer oneindig lijkt. Dat doet Meijen door middel van veelkleurige, paginalang uitwaaierende gedichten die samen een poëtische modderstroom vormen die de lezer soms versmacht, maar hem of haar evengoed naar lyrische hoogten stuwt – en aldaar kosmische vergezichten biedt.

 

Herinneringen en toekomstbeelden

 

‘De mens kreeg de natuur om het lichaam open te plooien: vet en groot en naakt / werden we.’ De eerste regels van Xenomorf laten er geen misverstand over bestaan: in wat volgt krijgt de lezer poëzie uit het antropoceen voorgeschoteld. Het narratief is bekend: als zelfbenoemde rentmeester van de schepping plooit de mens de aarde naar zijn wil, die het centrum van zijn universum wordt. Ook de taal zet hij daarbij naar zijn hand; die hanteert hij als een instrument om de wereld naar zijn grillen te boetseren: ‘De mens kreeg taal om het hoofd open te plooien: / gedachte werd wereld, wereld werd gedachte.’ Maar dat alles blijkt niet zonder gevaar, want onder de zware voetafdruk van de mens raken de aarde en haar bewoners vertrappeld, en ook de taal zelf verschraalt: ‘Deze woorden kwijnen weg, vergrijzen, / rotten op de rank / als mammoet en sabeltandtijger.’

Het lyrische ik dat in Xenomorf wordt opgevoerd weet zich geworteld in de wereld, en wil er maar wat graag blijven: ‘Jong zijn betekent wortels schieten in alles wat je vasthoudt. / Een vinger, een rammelaar, een voetbal, een stok, een Gameboy, een fiets, een pen, een boek, een mens.’ Zich acuut bewust van het nakende einde, stelt het zich tot doel het potentieel van de taal een laatste keer te benutten en een ‘encyclopedie van het uitsterven’ te schrijven, voor alles voorgoed verdwenen is. Daardoor heeft de bundel iets weg van een omvergevallen archiefkast: in elk van de gedichten slingeren herinneringen van het ik, dat alle losse indrukken, gebeurtenissen en beelden die het in zijn korte leven heeft verzameld wanhopig tracht samen te rapen. Die poëtische opdracht stelt het ik voor als van kapitaal belang: ‘Als we het goed doen, zal alles hier blijven, Als.’ Het smeltwater komt de gedichten binnengelopen en staat het ik al aan de lippen, waardoor het steeds lyrischer gaat zingen:

 

ik moet hier verdwijnen,
zal nooit meer
door de herfstbossen fietsen,
nooit meer verhalen horen over mensen die met de auto
het Albertkanaal in reden
en dronken hun deur niet meer konden openen,
nooit meer in de ogen van de vissen aan de oever
hun geesten zien,
of in de oude koeltorens van de koolmijn
soort van verstoppertje spelen

dit gevoel van onbehagen
lijkt op wanneer je door een telescoop kijkt
naar een lege plek in de lucht
waar je zou gezworen hebben dat er net nog
een licht brandde

 

Zoals wel vaker in de bundel worden jeugdherinneringen in het bovenstaande gedicht gekoppeld aan een beeld dat het menselijk bestaan in perspectief plaatst, en daarmee het centrum van mens naar omgeving verschuift. Herinneringen aan een voorbije jeugd waarin ‘wereld’ synoniem stond voor ‘thuis’ gaan daarbij unheimlich resoneren met het moment waarop diezelfde wereld door toedoen van de mens aan stukken zal vallen, of wordt herleid tot een woestijn in een geïsoleerd sterrenstelsel:

 

Dit is een videotape met al je herinneringen
in willekeurige volgorde, verhaspeld.
(Begint met die keer dat je op vakantie
door de kamer van je ouders sloop
met een sneeuwbol in je hand;
je ouders schrokken wakker, je liet de bol vallen
glas en water)
(Eindigt terwijl je op je rug ligt in een woestijn, het zand karamelkleur,
uitgedroogd,
naar de sterrenhemel kijkt en beseft:
het licht van verre sterrenstelsels kan ons niet bereiken
omdat ze zich even snel van ons verwijderen als het licht kan reizen
en het is belachelijk om dat erg te vinden)

 

Dat spel met temporele lagen loopt als een rode draad door de bundel, zoals blijkt uit gezwollen verzen als: ‘Ik vierendeel mezelf: ik vroeger, ik nu, ik later, ik nooit / Vier versies die elkaar vermenigvuldigen, herhalen, voorspellen en vernietigen’, maar evengoed uit speelse titels als: ‘Een back to the future-remake in 2040’. Vanuit een obsessie met de tijd verknoopt Xenomorf flashbacks en flashforwards tot een intrigerende wirwar van temporele kijkrichtingen.

 

Gestold nu

 

Hoewel Xenomorf even obsessief in het verleden graaft als het over de toekomst speculeert, is de bundel vooral gemarkeerd door het heden. Dat blijkt onder meer uit de titel en de coverafbeelding, die beiden verwijzen naar een xenomorf gesteente: een mineraal dat tot een ongebruikelijke vorm is gestold. Ook de bundel zelf perst een verleden van tal van geologische lagen en een griezelig dichtbij komende toekomst tot één singulier geheel en verhit het vers na vers, om het uiteindelijk te doen stollen tot een geconcentreerd nulpunt dat onze eigen tijd fixeert. Het lyrisch ik spreekt vanuit dat nulpunt en heeft daardoor iets van een fragiel fossiel: hoewel het compulsief baantjes blijft trekken in vervagende geheugensporen en panikeert over het einde der tijden, zit het bovenal gevangen in het nu:

 

Ik leef in dwangmatige herhaling,

diep in een aquarium

dat ik herken van lang geleden.

[…]

Het verleden herneemt zich, wil breuken opsporen
zoals een computer zichzelf herstelt. Ik zie:
fluwelen broeken, sandalen met witte sokken,
veel te grote surfshirt
en vooral elf september tijdloos
het ontkiemen van een nieuw millennium
gladiolen omringen een doodgevroren dier.

 

In zowat alle gedichten geeft het ik uiting aan dat verstarde levensgevoel: de muziek uit zijn jeugd staat voortdurend op replay, het ik bezoekt zijn geboortedorp en kijkt steeds opnieuw naar de onlinevideo van de falling man die op 11 september 2001 uit een van de WTC-torens sprong. Het heden wordt daardoor een pauzeknop die permanent ingedrukt staat: ‘we zijn synchroon en anachroon […] tijd neemt bezit van ons.’

Dat allesoverheersende gevoel van stasis komt ook treffend tot uiting in de manier waarop Meijen in zijn gedichten literatuur en popmuziek recycleert. De verantwoording achteraan de bundel biedt een boeiend inkijkje in de procedés die hij daarbij hanteert. Zo klinkt de aantekening bij het titelgedicht ‘Xenomorf’ als volgt: ‘De Engelse tekst kan ik nergens vinden, en ik weet niet meer waar hij vandaan zou kunnen komen. Het staat ook niet in het verzamelde werk van Sylvia Plath. Waarschijnlijk heb ik dit zelf geschreven als een soort imitatie van Plaths stijl, maar ben ik dat domweg vergeten.’ De ronkende Engelstalige verzen – ‘I have built myself from neon lights. Extracted noble / fluid from my bones’ –  zou je inderdaad als een mash-up van gedichten als ‘The Colossus’ en ‘Lady Lazarus’ kunnen lezen – als een stijloefening in het theatrale en door ontmenselijkte metonymieën gedreven Plath-idioom. Over Meijens schrijftafel hangt onmiskenbaar de slagschaduw van literaire reuzen, zoals ook andere verzen uit hetzelfde gedicht suggereren: ‘dode schrijvers lijken altijd beter. / Ze doen hun best om te spoken, / plakken aan de nok van het dak en drukken zich / haast erdoor in de vorm van een letter.’ In het gedicht ‘Wij zijn vatbaar en besmettelijk’ worden dan weer citaten uit het lied ‘Aan de oevers van de tijd’ van de Nederlandse songschrijver Spinvis  opgenomen – een nummer dat naadloos aansluit bij de thematiek van Meijens bundel. De verantwoording geeft aan dat de regels van het nummer lichtjes werden aangepast: ‘Het origineel staat in de verleden tijd.’ Zo wordt ‘Aan de oevers van de tijd / keek ik om me heen’ herschreven tot ‘Aan de oevers van de tijd / kijk ik om me heen.’ Op die manier remixt Meijen een soundbite van een artiest wiens eerste albums zelf voor een groot deel uit samples bestonden.

Een kleine ingreep, zou je kunnen zeggen – maar wel een ingreep die kenmerkend is voor onze tijd. De manier waarop Meijen de werkwoordstijden van Spinvis’ nummer naar zijn hand zet, doet denken aan wat de Engelse filosoof Mark Fisher in zijn Ghosts of My Life: Writings on Depression, Hauntology and Lost Futures de ‘slow cancellation of the future’ noemde. Daarmee verwijst hij in navolging van de Italiaanse schrijver en filosoof Franco Berardi naar de idee dat de toekomst vandaag tussen haakjes is geplaatst en wordt vervangen door inertie en een hang naar een dynamischer verleden waar ‘the very sense of future shock’ nog mogelijk was. Dat gevoel zou zich onder meer uiten in een ‘formele nostalgie’: een neiging om cultuurproducten uit voorbije decennia – van de sixties tot de nineties en recenter ook de noughties – te hermonteren omdat we niet meer in staat zouden zijn volledig nieuwe vormen te bedenken om uitdrukking te geven aan onze ervaring van de toekomst.

Door verzen in de stijl van Sylvia Plath in zijn bundel op te nemen en de werkwoorden van ‘Aan de oevers van de tijd’ in de tegenwoordige tijd te plaatsen, lijkt Xenomorf zich in de idee van de ‘slow cancellation of the future’ in te schrijven. Nu een leefbare toekomst niet meer voorhanden lijkt, samplet de bundel het verleden tot een hedendaagse mix waarin het blijft hangen als een haperende plaat. Xenomorf vervormt, imiteert en varieert op Plaths naoorlogse poëzie en op Spinvis’ nummer uit 2005, en trekt daardoor beide teksten binnen in het gestolde ‘nu’ van de eigen gedichten.

 

Romantische natuurlyriek

 

Door de experimentele vorm die Meijen hanteert om de klimaatproblematiek te belichten, lijkt Xenomorf verwant aan het werk van generatiegenoten als Dominque De Groen, die recent furore maakte met de inventieve manier waarop ze in Sticky Drama (2019) onderwerpen als klimaatopwarming, milieuvervuiling en de roofbouw op natuurlijke grondstoffen tot een nieuwe mythologie herschrijft. Hoewel de titel en eerste strofen van ‘Gilgamesj’ – het openingsgedicht van de bundel – lijken te suggereren dat Meijen net als De Groen zijn toevlucht zal zoeken tot een laatmoderne recyclage van de epische verteltraditie, kiest hij in zijn debuut voor een andere weg. In de zoektocht naar een poëtisch antwoord op de klimaatproblematiek trekt Xenomorf voluit de kaart van de expressieve lyriek.

In heel wat gedichten wordt een typisch lyrische spreeksituatie opgevoerd waarbij het ik zich tot een jij richt: ‘We vertellen elkaar verhalen […] / Japanse sprookjes over maan en jade. Jij naast mij.’ Kenmerkend voor die spreeksituatie is dat de jij – die soms op een geliefde lijkt en soms op een algemene toehoorder – ontstaat in het poëtisch spreken van het ik, dat met een klassieke metafoor wordt voorgesteld als een ademtocht: ‘je groeit als klimop / uit mijn longen.’ Net zoals in dit vers worden doorheen de bundel vaak plantaardige of dierlijke metaforen gebruikt om die onbestemde jij te portretteren. De jij-figuur wordt  vergeleken met ‘een plant met bladervlees’, ruikt ‘naar hoge bomen’ en krijgt de instincten van een reptiel toegedicht: ‘Doe wat hagedissen doen: steek je tong uit en / kauw tot toekomst alles wat je wil.’ Het titelgedicht maakt duidelijk dat de jij de kern uitmaakt van de bundel door die expliciet met de titel te verbinden: ‘Jij landschap gebloemschikt naar mijn adem. / Jij xenomorf.’ De jij is niets minder dan de geliefde omgeving van de (dichtende) mens, die hij naar eigen goeddunken vormgeeft in taal.

Xenomorf toont zich op die manier schatplichtig aan de romantische natuurpoëzie, die de wereld en het landschap tracht te (her)scheppen in verzen, en met lyriek leven poogt in te blazen. Een terugkerend motief in de bundel is dat van de pathetic fallacy, dat aan het typische romantische verlangen om met de wereld te versmelten beantwoordt door de identiteit van het ik te projecteren in natuurverschijnselen:

 

Uit Google: Anoxische wateren zijn stukken
zeewater
zoetwater
of grondwater
zonder zuurstof

Hoe het voelt
om een aangespoelde walvis
haar geloei
rilt het zand aan repen
strand in dier
Zoals een mens kijkt en luistert naar de bossen en de zee en zo de
bossen en de zee wordt.

Ik wil woorden zonder zuurstof spreken,
weten hoe dat voelt

 

Uit het gedicht ‘Anoxia’ spreekt een intens verlangen om met de aangespoelde walvis in zuurstofnood te versmelten, maar tegelijk is er ook het besef van de onmogelijkheid daarvan. In tegenstelling tot het strand en de walvis, die in elkaar op lijken te gaan, is de mens vandaag in die mate van de natuur vervreemd geraakt dat hij wetenschappelijke terminologie en zoekmachines nodig heeft om voeling te krijgen met het niet-menselijke. Niet alleen is het lyrische ik van de bundel zich acuut bewust van zijn onvermogen om werkelijk met de wereld te versmelten, het ik lijkt het bij momenten zelf op de heupen te krijgen van zijn onhoudbare verlangen naar identificatie: ‘Hoeveel natuur moet ik nog met ons vergelijken om hetzelfde te zeggen?’

Dat besef weerhoudt Meijen er niet van om alles uit de lyrische kast te halen; zoals duidelijk wordt uit zijn gebruik van hyperbolen. Daarbij vliegen sommige verzen weleens uit de bocht: ‘Ik vul mijn zinnen met ellipsen / omdat de woorden door mijn vingers glippen / een ontwrichte wereld verdient geen mooie dingen.’ Zoals het gedicht zelf aangeeft, wordt het gebruik van ellipsen in Xenomorf inderdaad behoorlijk ver doorgedreven, zoals mag blijken uit een vers als ‘Gesprek gaat richting later nu, / hoe dit alles onherroepelijk, onvindbaar, / zoekgeraakt en weggeglipt.’

Het kitscherige van sommige strofen lijkt echter niet meteen de vrucht van poëtisch spielerei, maar eerder het gevolg van een poëticale keuze die aansluit bij het lyrische karakter van Meijens bundel. In zijn Theory of the Lyric (2015) stelt de Amerikaanse literatuurwetenschapper Jonathan Culler immers dat de kracht van lyriek op de notie van embarassment of ‘gêne’ berust: lyrische gedichten zijn vaak opzettelijk een tikje over the top omdat het lyrisch ik zich bewust is dat hun ultieme doel –  het tot leven wekken van de wereld op papier door middel van poëzie – op zich al te gek voor woorden is. Dergelijke pretentieuze opdracht kan je enkel volhouden als je bereid bent je kwetsbaar op te stellen, voluit op je bek te gaan, en het ridicule en risicovolle karakter van je poëtische roeping te erkennen en te thematiseren. Ook Meijen lijkt dat te doen. Zo liet hij zich in een interview het volgende ontvallen over de slotregels van het titelgedicht (‘Jij landschap gebloemschikt naar mijn adem/ Jij xenomorf’): ‘Ik heb lang getwijfeld om dat toch maar te schrappen, want het is best wel pathetisch. Toch werkt het, omdat het een kwetsbaarheid weergeeft.’

 

Politieke oorwurm

 

Xenomorf zet de technieken uit de lyrische toolkit ook onverwacht in; zo bulkt de bundel van ‘onpoëtische’ herhalingen. Een van de gedichten uit de cyclus ‘Puinsonnetten’ wordt bijvoorbeeld voortdurend doorkruist door het zinnetje ‘waar je steeds maar inlogt’, waarmee het dwangmatige consulteren van mailboxen en social media-feeds tot lyriek wordt geboetseerd. In het gedicht ‘Zoutelande overdaad’ (waarin opnieuw een popsong in de mix belandt) wordt de slagzin ‘Verkoop me’ steeds herhaald en lijkt het ik zich in toenemende mate met verkoopbare producten te identificeren. Elders toont Meijen dan weer hoe de stijlfiguur van de repetitio ingezet kan worden om luisteraars te overtuigen van de waarheid van alternative facts:

 

Er zijn skeletten gevonden in de Marianentrog

met in hun botten gekerfd: ‘de aarde is plat

de aarde is plat

de aarde is plat

de aarde is plat

de aarde is plat

de aarde is plat

de aarde is plat

herhaal het genoeg en alles wordt waarheid

 

Meijen heeft die bekommernis om het misbruik van poetic faith door populisten gemeenschappelijk met Peter Verhelst – die zich tot een fan van Meijens werk bekende en de liefde voor de ellips met hem deelt. In zijn laatste bundel Zon (2019) wees Verhelst immers op de gevaarlijke schoonheid – en de daaraan gerelateerde overtuigingskracht – van uitspraken van politici als Theo Francken en Thierry Baudet. Ook Meijen is niet te beschroomd om expliciet te maken dat zijn bundel niet los gelezen kan worden van het hier en nu van de politieke situatie in Vlaanderen en België, zoals blijkt uit verzen als ‘Zonneslag, dit vlakke land, zonneslag, dit compromis aan de rand van zon en zee’ – dat doet denken aan Brels lofzang op le plat pays en de compromiscultuur in de Belgische politiek – en het cynischer klinkende ‘Leeuwen kunnen niet leven / in de Lage Landen / sterven op een savanne / vol asbest en wantrouwen’ – dat lijkt te alluderen op het beeld van verzuurde Vlaams-nationalistische politici.

In meerdere interviews geeft Meijen daarenboven aan dat de bundel zijn finale beslag kreeg na de Belgische stembusgang in mei 2019, waarbij de extreemrechtse partij Vlaams Belang de wind in de zeilen kreeg. Eerder had hij al zowat een volledige bundel met sterk geësthetiseerde gedichten bij elkaar geschreven, maar na de verkiezingsuitslag stelde hij de waarde van zijn lyrische werk naar eigen zeggen in vraag: ‘Waar ben ik eigenlijk mee bezig, wat voor een pseudo-romantische ingetogen kutpoëzie heb ik hier liggen?’ Daarop pende hij als in een roes heel wat nieuwe pagina’s bij elkaar, die de lyrische oerversie van het oorspronkelijke manuscript complementeert met een politieke lading die voordien veel minder uitgesproken was. Bij momenten wordt die politieke lading erg expliciet in de bundel – en riskeert die een tikje moraliserend of zelfs pedant over te komen:

 

Ze leggen zandzakken voor de deuren

prikkeldraad op straat, oude meubels op de barricades

Ik probeer hen te vertellen
hoe leeg ze zullen staan.
Hoe de angst wel echt is
maar de dreiging niet
Hoe geweld de taal is
die begrip laat verdrinken.
Maar hun ogen lopen
stilaan vol met smeltwater
dat ook zij een soort eindigheid kennen,
van klein zijn in een kolossale wereld
en ooit de ander zijn.

 

De verstrengeling van politiek en lyriek is wellicht het krachtigst in de gedichten die belichamen wat de eerder genoemde Jonathan Culler als de oorspronkelijke functie van lyriek ziet. Volgens Culler is lyrische poëzie in essentie een ‘public discourse about meaning and value.’ Gedichten zijn met andere woorden altijd politiek. Ze willen immers aanduiden én vasthouden wat waardevol is; ze blazen het ogenschijnlijk onbelangrijke betekenis in en pompen het zo op tot poëzie die zijn plaatst opeist in de openbare sfeer. Volgens Culler zijn lyrische gedichten publieke gebeurtenissen die een hier en nu omvatten dat eindeloos gereproduceerd kan worden als een ritueel. Daartoe bevat het mnemotechnische elementen als rijm, metrum en herhalingen, die het gedicht in kwestie catchy en gedenkwaardig maken, waardoor het zich leent tot (een rituele) voordracht. Ook in ‘Grondbeginsel’, het laatste gedicht van de bundel, vangt het lyrisch ik alles wat het als waardevol ziet in een gedicht, voor het verdwijnt en voorgoed vergeten wordt. Het resultaat combineert de melodie van het lyrische met de stelligheid van het politieke discours:

 

Het mag niet vergeten worden:
de feiten hebben we al jaren
drijven langs op onze schermen
spoken als ongewenste zielen
door ons hoofd

[…]

Het mag niet vergeten worden
zweer me dat ze lezen
hoe het voelt
om weggegeven te worden.
Hele levens lang.

[…]

Dit moet beschreven blijven
nog lang nadat ik dood ben
(schiet mijn lijk de ruimte in)
waren er nog hoofden
om dit te horen of
huiden om dit te voelen
ze zouden blozen als robijnen

[…]

Denk aan het schrift dat nooit opnieuw
uitgevonden zal worden
en de letters nu al mist.
Denk aan de planeten die blijven draaien,
hun rotsige huid
die ooit zo veraf was.
Denk aan het water en de zon want
het zal nog zo vaak zomer zijn
zonder.

 

In een poging vast te houden wat niet verloren mag gaan, schuwt Meijen de imperatieven niet en geeft hij de aangesprokene een opdracht tot herinnering mee. Om ook de vorm van dat gebod gedenkwaardig te maken, trekt hij alle lyrische registers open. Voor een laatste keer, lijkt het wel – want het slotgedicht suggereert dat met de aarde ook de taal zal verdwijnen. Xenomorf vormt daarmee een indrukwekkende poging om een wereld die ten dode is opgeschreven nog een laatste keer te bezingen én te bezielen – alsof lyrische gedichten in staat zijn die wereld steeds opnieuw, als in een gestold nu, tot leven te wekken.

Recensie: Xenomorf van Jens Meijen door Tijl Nuyts

De Bezige Bij, Amsterdam, 2019

Geplaatst op 08/05/2020

Tags: C. Buddingh'-prijs, De Bezige Bij, Dominque De Groen, Ghosts of My Life, Jens Meijen, Jonathan Culler, pathetic fallacy, Sticky Drama, Sylvia Plath, Xenomorf

Categorie: Poëzie, recensie

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.