Proza, Recensies

De tragiek van de evenwichtskunstenaar

Zeeangst

L.H. Wiener

In 2015 werd L.H. Wiener zeventig en dat werd gevierd met een uitgave van zijn verzamelde verhalen en van een roman, In zee gaat niets verloren. Nu krijgt de lezer ter gelegenheid van Wieners vijfenzeventigste verjaardag opnieuw een dubbel geschenk: een verhalenbundel, De zoete inval, én een roman, Zeeangst.

De zoete inval bevat achttien teksten die niet eerder gebundeld werden, maar de Wiener-lezer die deze verhalen, brieven en voordrachten voor het eerst onder ogen krijgt, voelt zich al na enkele regels thuis. Alle teksten gaan over Wieners leven, zijn familiegeschiedenis, zijn moeder (die een erg mooi portret krijgt in ‘Moederdag’), zijn relaties met vrouwen (onder meer in het titelverhaal, waarin de auteur optreedt als zijn alter ego Victor van Gigch), zijn kinderen, zijn alcoholisme (dat hij in ‘Een kimono staat mij goed’ verklaart vanuit ‘een zuiver romantische benadering van de werkelijkheid’) en natuurlijk zijn passie voor dieren, vooral vogels, zoals in de twee met elkaar verbonden teksten ‘Jonge kauw te Katwoude’ en ‘Buizerd’. Veel staat in het teken van het voorbijgaan en de dood, bijvoorbeeld in korte en treffende momentopnamen zoals ‘Freek’ (over een oude man die overvallen wordt) en de brief aan de net overleden dichter Frank Starik.

Zoals steeds is alles bij Wiener tegelijkertijd autobiografie en literatuur. Het gaat bij deze schrijver immers vooral om de vormgeving, de formulering die van het bonte allegaartje dat leven heet een kunstwerk maakt waarin alles zin heeft en alles samenhangt. Daarin lijkt Wiener op Jeroen Brouwers en op W.F. Hermans. In ‘Buizerd’ zegt hij: ‘Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd. Fantasie speelt geen rol. Verzinnen kan men alles wel. Vormgeven is de kunst. Een kunst waarbij strikt literaire wetmatigheden heersen, voorwaarden waaraan een schrijver zich zonder tegenstribbelen dient te onderwerpen.’ Als de literaire wet het eist, moet de beschreven werkelijkheid aangepast worden. Het leven imiteert de kunst, niet omgekeerd.

 

Tweeluik

Leven en literatuur komen samen wanneer de schrijver zichzelf en zijn teksten onderwerpt aan de wetten van de artistieke vormgeving. Die strenge, maar verzoenende vormgeving staat ook centraal in Zeeangst. De roman vormt een tweeluik met In zee gaat niets verloren. Dat boek beschreef een ongeveer twee maanden durende zeiltocht die de schrijver van Hoorn naar Oostende bracht. De roman leek een logboek, maar tegelijkertijd ging het om veel meer dan een realistische reisbeschrijving. De hoofdfiguur zeilde naar en door zijn verleden. Meer bepaald hoopte hij af te rekenen met zijn oudtante Loes en zich zodoende te verzoenen met zijn vader. Daarvoor moest hij, als Shakespeares tovenaar Prospero, terugkeren naar een verleden dat hij alleen in zijn verbeelding kent. De onderneming bleek succesvol: aan het eind is de schrijver verzoend met zijn vader en zijn tante, al bestaat die verzoening alleen in en dankzij het literaire verhaal.

Ook Zeeangst beschrijft een zeiltocht van ongeveer twee maanden. Dit keer gaat het om een reis langs de Engelse zuidkust. Net als In zee gaat niets verloren, wordt Zeeangst voorafgegaan door een proloog en afgerond met een epiloog. De proloog bevat in beide gevallen een symbolische scène. De vorige roman begon met een scène uit 1948: de driejarige schrijver zat op zijn vader, die op zijn rug in het water lag en als boot fungeerde. Voor de vader was het een moment van gelukzaligheid, maar bij het kind overheerste de angst voor het water en de verdrinking. De proloog van de nieuwe roman toont een voorval uit 1958: de dertienjarige schrijver kan maar net gered worden van de verdrinkingsdood nadat zijn zeilbootje kapseisde. De vader lijkt nu vervangen door de moeder, al speelt ze slechts een kleine rol: zij weet zich met de situatie geen raad. Het lijkt erop dat de jongen, als dertienjarige nog ‘een scharminkel’, zelf de situatie moet rechttrekken: als man koopt hij een beter schip, legt hij het examen Theoretische Kustnavigatie af en wordt hij steeds bedrevener in de kunst van het zeilen. Zeeangst beschrijft de reis die hij samen met zijn vriendin Antje Noordwest en zijn poes Loes (alweer een echo van de vorige roman) onderneemt. De lezer kan het traject makkelijk volgen. Niet alleen is de roman meer dan de vorige een realistisch logboek, aan het begin is er ook een kaartje waarop de tocht glashelder uitgestippeld wordt. De fantastische afdaling in het verleden die de schrijver als Prospero ondernam in In zee gaat niets verloren, ontbreekt hier.

Ook de epilogen van de twee romans zijn anders. Die van In zee gaat niets verloren toont hoe de schrijver op de begraafplaats Zorgvlied aan de Amstel in het reine komt met zijn tante en zijn vader. In Zeeangst gaat het om een brief aan ‘Geachte heer Léautaud’, ook een autobiografische schrijver en een kattenliefhebber. Paul Léautaud verloor zijn lievelingskat Chinois; de ik-figuur beschrijft hoe hij zijn kat Loes verloor. Ze verdrinkt vlakbij zijn huis: ‘Heel apart, zo’n dier. / Negen weken op zee. / En dan verdrinken. / Voor de deur.’ In de proloog verdronk de ik-figuur bijna, in de epiloog verdrinkt zijn lievelingsdier echt. Het water blijft altijd een gevaar en een vijand, hoe aantrekkelijk het vaak ook is.

Een korte tekst die voorafgaat aan de proloog illustreert de dubbelheid van het water en de zee: ‘Het beeld van de zee, als eeuwenoud symbool – de zee als moederschoot waaruit wij ooit voortkwamen, maar de zee tevens als een bedding voor de dood waarin wij zullen terugkeren – fascineert mij, boezemt mij angst in en is a trouble to my dreams.’ Alleen op dit symbolische vlak kan Zeeangst een moederboek genoemd worden, terwijl In zee gaat niets verloren op vele vlakken een vaderboek was.

 

De zee en het leven

De getijden van de zee symboliseren de cirkelgang van het leven: ‘De zee is het beste graf. Voor mens en voor dier. De zee maakt het leven full circle, lost een lichaam op en neemt het tot zich in elementen voor nieuw leven. En nog gratis bovendien.’ De zee trekt aan en stoot af. Ze appelleert aan de levensdrift én het doodsverlangen van de mens. Ze symboliseert de paradox en de onrust die eigen is aan het menselijke bestaan. Een definitieve verzoening met de zee is niet mogelijk. Daarom pendelt de mens steeds tussen twee polen, zoals deze roman opgedeeld is in twee hoofdstukken: de heenreis en de terugreis. De mens is steeds onderweg, hij is een reiziger, een zeiler.

De zeeangst uit de titel van de roman staat dan ook voor de dubbele angst die zo typisch is voor Wieners hoofdfiguren: ze vrezen het leven én de dood. Zeilen is een manier om die angst toch enigszins te overwinnen. In plaats van te zwalpen tussen leven en dood, nemen Wieners zeilers het roer in handen, ze proberen hun lot te sturen. Maar dat kunnen ze pas als ze luisteren naar de zee, naar het lot, en algemener naar de wetmatigheden, de oerkrachten die de mens sturen. De zee heeft haar eigen dwingende logica en de zeiler die deze wetten niet volgt, zal reddeloos ten onder gaan: ‘De logica aan boord van een zeiljacht is meedogenloos en Edward Murphy is als onzichtbare verstekeling altijd ergens aanwezig.’

Voor de mens én de wetenschap is die logica niet altijd even duidelijk. Zo begint de zee tijdens de zeiltocht ‘vreemde, onregelmatige patronen te vertonen’ die noch voor de instrumenten noch voor de zeiler helder zijn. De ik-figuur zegt wel: ‘Ik ben gefascineerd door de strikt wetmatige krachten der Natuur, die zich hier in het getijdenverloop met onwrikbare regelmaat manifesteren.’ Maar hij voegt daar even later aan toe dat het om een ‘machteloze fascinatie gaat’ en dat hij de elementaire wetten niet snapt. Zo kan hij ‘niet bevatten hoe het mogelijk is dat de oceanen aan de wereldbol blijven plakken’.

Dat onvermogen maakt de angst alleen maar groter. Een oorzakelijke logica zou duidelijk moeten zijn: als A, dan B. Wie het systeem niet doorziet, vraagt zich voortdurend af wat er zou kunnen gebeuren. De hoofdfiguur van Zeeangst wordt behekst door de wat-als-vraag: ‘En onderweg op zee heb ik onafgebroken last van het ‘wat als’-syndroom.’ En even later: ‘Ja, wat als… er gebeurt wat ik vrees?’ Dat syndroom is de kern van de zeeangst, vandaar de formulering ‘en daarmee’ in de volgende zin: ‘Jammer alleen dat door de overtuiging om in noodsituaties handelend te kunnen optreden het “wat als”-syndroom en daarmee mijn zeeangst niet worden getemperd. Er is toch altijd de sluimerende angst dat je onmachtig bent om de noodzakelijke ingrepen te doen.’

Macht is het vermogen om de noodzakelijke ingrepen te doen. Zo bekeken, is macht de onderwerping aan de wetmatigheden. Is dat dan geen vorm van onmacht? Is de mens die de wetten van de zee volgt wel vrij en soeverein? Of is hij gewoon iemand die zich onderwerpt aan het noodlot en meent dat hij een held is?

 

De zee en de letteren

Vergelijkbare vragen gelden voor de literatuur: is de grote schrijver niet iemand die volledig beheerst wordt door de wetten van de literatuur en daaruit besluit dat hij die wetten beheerst? Is hij niet als de zeiler die meent dat hij de wetten van de zee beheerst terwijl hij ze slaafs volgt? In de volgende cruciale passage worden zeiler en schrijver verbonden door hun paradoxale combinatie van beheersing en onderwerping:

 

Voor mij geldt geen liefde voor de zee, wel ontzag in een altijd sluimerende angst. En in dat ontzag en in die onderdrukte vrees begeef ik me op zee, om haar tegemoet te treden, om haar te tonen dat ik haar macht niet willoos zal ondergaan, maar die als zeiler juist naar mijn hand zal trachten te zetten, in de overtuiging dat de zee zelf willoos onderhevig is aan de oerkrachten van tij en wind, krachten die ik beide, anders dan de zee, in mijn voordeel kan aanwenden, of mijden

Een schrijver tart de tijd.

Hij passeert niet anoniem.

Een zeiler tart de zee.

En passeert anoniem.

Beiden tarten zij de dood.

Tot de dood hen verenigt. 

 

Het belangrijkste verschil tussen schrijver en zeiler ligt blijkbaar in de anonimiteit van de tweede en de naamsbekendheid van de eerste. De schrijver is iemand. Tenminste: tot de dood komt.

Het tarten van de wetten doet denken aan de klassieke tragedie. Een tragische held overtreedt, al of niet bewust, de onwrikbare wetten van het universum en moet daarvoor boeten. Hij vindt geen evenwicht tussen het volgen én het manipuleren van de wetten. Met een beetje goede wil en enige slordigheid zou je kunnen zeggen dat het vroege werk van Wiener vooral het mislukken van de evenwichtsoefening toonde, terwijl de recente Wiener vooral het zoeken naar evenwicht onder woorden brengt. Woorden zijn dan ook het belangrijkste hulpmiddel van de schrijver: hij moet een meester in het formuleren zijn, hij moet het juiste woord en de juiste vorm vinden. Pas dan kan hij een evenwicht vinden tussen meesterschap en slavendienst.

De evenwichtskunstenaar moet soepel zijn en snel van houding kunnen veranderen. De verteller van Zeeangst verandert al even soepel van stijl, register en genre in zijn poging om het juiste woord en het evenwicht te vinden. Zeeangst van L.H. Wiener is een logboek, een realistisch reisverslag dat heel precies de tocht en de bezochte plaatsen beschrijft, soms met een haast documentaire grondigheid. Het is ook een technisch verslag van het zeilen, met aan het eind van het boek een lijst van zeilbegrippen, die voorafgegaan wordt door een aanval op de roman Casino van Marja Brouwers. Die roman bevat niets anders dan flaters op het gebied van zeilen, schepen en nautische terminologie (‘Werkelijk alles is ernaast’), terwijl bij Wiener alles moet kloppen.

Zeeangst is echter meer dan een realistisch en correct reisverslag. Het is een autobiografisch geschrift met een symbolische lading, een parabel over de levensreis van de angstige mens en het is ook een poëticaal geschrift over de paradoxale evenwichtsoefening die het schrijven is. Het boek bevat brieven, het wemelt van de citaten en de toespelingen, die als een zee over de lezer spoelen. Meestal wordt geput uit de door Wiener zo bewonderde Engelse literatuur, van Shakespeare tot Virginia Woolf, van Wordsworth tot T.S. Eliot. Ook vakliteratuur, vooral over zeilen en over vogels, wordt uitgebreid geciteerd. En natuurlijk andere logboeken, zoals Coasting (1986) van Jonathan Raban. In zijn bespreking van dat boek formuleert Wiener de kern van Zeeangst:

 

Langs dezelfde lijnen als Coasting wil ik Zeeangst opzetten: deels als nautisch logboek, maar in essentie als een autobiografisch geschrift, waarin mijn verhouding tot de zee, de literatuur en het leven, als een reis door mijn heden maar vooral door mijn verleden, gestalte krijgt. Toekomst bestaat niet.

 

Toch kunnen we hopen dat er in die niet-bestaande toekomst een derde reisverslag verschijnt, zodat In zee gaat niets verloren en Zeeangst uitgroeien tot een drieluik. Driemaal is scheepsrecht, toch? En op die manier kan de lezer zich nog eens laven aan de niet-aflatende kwaliteit van Wieners werk.

 

Recensie: Zeeangst van L.H. Wiener door Bart Vervaeck

 

Pluim, Amsterdam/Antwerpen, 2020
ISBN 978 94 929 2889 4
284p.

Geplaatst op 23/10/2020

Tags: De zoete inval, L.H. Wiener, Moederboek, Schrijverschap, zee, Zeeangst, Zeilen

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.