Essays

Essay: Poëzie en politiek [Deel 2]

Wat is de relatie tussen hedendaagse poëzie en politiek? De Reactor biedt twee perspectieven op deze vraag, in de vorm van een dubbelessay. Laurens Ham richt zich in Deel 1 op de economie en politiek van de hedendaagse poëzie, door in te gaan op onder andere de bundels Defacing the Monument (2020) van Susan Briante en Nasleep (2020) van Çağlar Köseoğlu, en de bloemlezingen De totale Gorter (2021) en Radicale vriendschap. Poëzie en activisme (2021). In Deel 2 van het dubbelessay, hieronder te vinden, gaat Bram Ieven aan de hand van onder andere dezelfde bundel van Çağlar Köseoğlu, poëzie van Percy Bysshe Shelley en de bundel Shop Girl® (2018) van Dominique De Groen in op het politieke vermogen van hedendaagse poëzie. Waar komt het verlangen om politiek en poëzie aan elkaar te koppelen precies vandaan? En op welke manieren verkennen hedendaagse dichters de grenzen van die relatie?

Het politieke vermogen van hedendaagse poëzie

Over Nasleep van Çağlar Köseoğlu

 Op 28 mei 2013 breekt er onrust uit in Gezi Park, een publiek park in het centrum van Istanbul. Een groep van ongeveer vijftig activisten wordt door de politie hardhandig uit het park verwijderd. Hun protest, dat de vorm aanneemt van een sit-in, richt zich tegen de plannen van de overheid en de stad om het park te verkopen aan projectontwikkelaars die er een winkelcentrum met woongelegenheid willen bouwen. De privatisering van de publieke ruimte, maar ook de ontbossing van een van de laatste grote publieke parken aan de Europese zijde van Istanbul, staan voor de activisten op het spel.

De verontwaardiging over de hardhandige uitzetting van de activisten zorgt er vervolgens voor dat de protesten exponentieel groeien. De Gezi Park-revolte overstijgt al snel de lokale belangen en verspreidt zich over heel Turkije, in ruim negentig grotere en kleinere steden van het land. Wat begint als een aanklacht tegen de toenemende privatisering van de openbare ruimte door projectontwikkelaars, ontwikkelt zich tot een landelijk protest tegen het verstikkende, post-democratische en gewelddadige politieke klimaat in het Turkije van president Recep Tayyip Erdoğan. Zo’n 7,5 miljoen burgers nemen deel aan de vele protesten en even lijkt het erop dat dit het begin van een revolutie zal zijn. Wanneer de protesten in augustus van dat jaar echter weer uitdoven, is de blijvende politieke impact minimaal. Meer zelfs, het autoritaire en neoliberale beleid van Erdoğan gaat in overdrive, een situatie die tot vandaag voortduurt.

In Nasleep, de poëziebundel die de Nederlands dichter Çağlar Köseoğlu eind vorig jaar uitbracht bij uitgeverij het balanseer, staat de politieke situatie van Turkije op meerdere manieren centraal. Dat geldt in het bijzonder voor de Gezi Park-revolte, die in de bundel als een terugkerend referentiepunt fungeert en verrassend genoeg de aanleiding vormt voor een melancholische bezinning op de relatie tussen poëzie en politiek. Köseoğlu vraagt zich dichtend af of poëzie bij machte is om historisch unieke momenten zoals de Gezi Park-revolte in 2013 en de protesten rond het Tahirplein in Egypte in 2011 met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door ze te begrijpen als onderdeel van een mondiale strijd tegen autoritaire politiek en de verstikkende wurggreep van vastgoedkapitalisme.

Dat blijkt een moeilijke, zo niet onmogelijke oefening. Köseoğlu lijkt pessimistisch over de kracht van poëzie, waarvan de retorische werking al te vaak politieke onverschilligheid of onleesbaarheid in de hand werkt, zoals blijkt uit de openingsregels van ‘PPPSSSSSTTTT, BEN JIJ OOK GEÏNTERESSEERD IN POLITIEK?’:

de politiek wordt weggejaagd uit Gezi Park door demonstranten die het overnemen

als een metafoor voor iets totaal anders en totaal onverschilligs

dus ik begon na te denken over totaliteit. Over winkelen als wereldsysteem

Tayyip istifa Tayyip istifa Tayyip istifa Tayyip istifa Tayyip

en hoe deliberatieve modellen van politieke actie hevig aan het falen waren

tot nu was het gedicht enkel de plaats voor reflectie, verlangen en anticipatie

Wat is er gewonnen, vraagt de dichter zich vertwijfeld af in zijn doelbewust fragmentarische beschouwing van de protesten. Wat brengt het ons verder om dit soort politieke momenten in verband te stellen met een wereldsysteem? Gaat het verschil dan niet onherroepelijk verloren? Het zijn kritische vragen die Köseoğlu niet eenduidig beantwoordt, maar in Nasleep vooral de aanleiding vormen voor vertwijfeling. Juist om het uitpuren en ten volle benutten van die fundamentele twijfel over zowel poëzie als politiek lijkt alles te draaien in het werk van Köseoğlu.

Het geloof in het politieke vermogen van poëzie moet eerst maar eens een absoluut nulpunt bereiken, vooraleer we eraan kunnen denken om het opnieuw op te bouwen, lijkt hij te suggereren. Het resulteert in een bundel die haar eigen politieke onvermogen en twijfel op uiterst kwetsbare wijze etaleert, in dichtregels die vaak hermetisch zijn maar de lezer op onverwachte momenten ook recht naar de keel grijpen.

Politieke poëzie?

De vraag of poëzie wel werkelijk een politieke rol te vervullen heeft, staat centraal in Nasleep. Ze duikt steeds weer de kop op, en dan meestal niet als een stellig en vurig ideaal, maar als een diepgevoelde twijfel. Vaak gebeurt dat op momenten waarop je het niet verwacht.

Waar komt dat verlangen om politiek en poëzie aan elkaar te koppelen precies vandaan? Een klassieke maar inmiddels achterhaalde opvatting over poëzie zou misschien juist geneigd zijn om politiek en poëzie ver uit elkaar te houden. Poëzie gaat in de klassieke opvatting over het meest intieme, over het particuliere dat zich op geen enkele manier laat inbinden tot holle politieke frases. Politiek gaat over wat aan het particuliere voorbij gaat, over gemeenschap en gemeenschappelijk handelen.

Wie een beetje thuis is in de poëzie sinds de romantiek, begrijpt dat de twee zaken minder eenvoudig van elkaar te scheiden zijn. De gok die in de romantiek wordt genomen, zou je kunnen zeggen, is dat juist in het meest particuliere ook het meest politieke vervat ligt. Wie daar iets kan losmaken, bijvoorbeeld een verandering in het denken of het beleven van de eigen individualiteit tot stand kan brengen, kan werkelijk een politiek verschil maken.

Het is een gewaagde gok, want wie het politieke in het meest particuliere en persoonlijke zoekt, stuit niet meteen op een eenduidige richtlijn voor politiek handelen of op een concreet en uitvoerbaar politiek beleid. En evenmin kunnen we een lyrische representatie of commemoratie van grote politieke gebeurtenissen verwachten, al speelt de vraag hoe poëzie belangrijke politieke momenten kan representeren en herinneren wel degelijk een belangrijke rol in de poëzie van Köseoğlu.

Waar het dan wel om gaat? Om het particuliere en persoonlijke te ontdoen van zijn individualistische karakter dat het in toenemende mate kenmerkt. De doctrine dat politiek in essentie gebaseerd is op autonome individuen die ieder op zich als politieke actor de publieke ruimte ingaan, is door de Canadese politieke wetenschapper C.B. Macpherson treffend beschreven als possessive individualism. Die doctrine werd in de zeventiende eeuw ontwikkeld door filosofen zoals Thomas Hobbes (1588-1679) en John Locke (1632-1704) en vormt het onderliggende fundament van de liberaal burgerlijke maatschappij. Het uitgangspunt is, eenvoudig gezegd, dat een maatschappij in essentie geen hechte groep is, maar een samengesteld geheel aan individuele actoren. Ieder van die actoren handelt uit eigen economisch en politiek belang, met het eigen zelf als een oorspronkelijk en onvervreemdbaar bezit. Die opvatting over de burgerlijke maatschappij wordt echt voelbaar in de tijd van de romantiek. Juist in die politieke situatie van bezitterig individualisme, die volgens liberale denkers aan de grondslag ligt van al ons politieke handelen en denken, kan het een krachtige daad zijn om de nauwe verwevenheid van het persoonlijke met een breder gemeenschappelijk bestaan invoelbaar te maken.

In de poëzie van een romantisch revolutionair zoals Percy Bysshe Shelley (1792-1822) staat juist dit op het spel. Een van de bekendste en sterkste voorbeelden daarvan is de openingsstrofe van Percy Bysshe Shelley’s ‘Mont Blanc’ uit 1816, dat begint met deze vijf regels:

The everlasting universe of things,

flows through the mind, and rolls its rapid waves,

now dark – now glittering – now reflecting gloom –

Now lending splendour, where from secret springs

The source of human thought its tribute brings

Met deze openingszinnen biedt Shelley ons meteen een ontsnappingsroute voor het probleem waar de dichter net als de moderne burger mee geconfronteerd wordt. Steeds meer opgesloten in de eigen geest, en in het paradigma van liberaal individualisme, raakt de politieke burger toenemend geatomiseerd en wordt politieke verbinding steeds moeilijker. Maar wat als de menselijke geest (the mind) en menselijke gedachten (human thought) nu eens in hun diepste wezen verbonden zijn met – en zelfs een directe uiting zijn van – het oneindige universum (the everlasting universe)? In dat geval valt de hele dichotomie tussen individu en wereld in elkaar, en daarmee ook de doctrine van liberaal individualisme waarvan ons politieke en persoonlijke denken is doordrongen.

Het idee dat poëzie een enorme politieke impact kan hebben, juist omdat ze onze subjectiviteit tot in de kern kan ontwrichten, is daarmee gevestigd. Maar er kantelt wel iets wanneer de dichter het idee van een alomvattende natuur loslaat en zich in plaats daarvan geconfronteerd weet met de alomvattende horizon van mondiaal kapitalisme. En dat is precies de ervaring waar een nieuwe generatie Nederlandstalige dichters zich mee bezighoudt. Waar Shelley het vanuit een romantisch pantheïsme nog heeft over ‘the everlasting universe of things’, spreekt een nieuwe generatie dichters zoals Maarten van der Graaff, Dominique De Groen en ook Çağlar Köseoğlu liever over de flows van het kapitalisme. Die flows stromen vandaag soepel, veelvormig en nietsontziend door de geest, maar vooral ook door het lichaam van het individu. De politieke taak en relevantie van poëzie is behouden, maar ze verandert wel van teneur.

Het scherpst is dit idee terug te vinden in de poëzie van Dominique De Groen, die in drie opeenvolgende bundels steeds eigenzinniger en origineler onderzoekt hoe het eigen lichaam is opgenomen in de stromen van het kapitaal. In haar debuut Shop Girl® (2018) gebeurt dat op een vrij directe manier. De bundel opent met een strofe die weliswaar niet refereert aan de beginregels van Shelley’s ‘Mont Blanc’, maar die wel in dat licht gelezen kunnen worden:

Ik vind mijn lichaam terug

aan het einde van een supply chain

die non-stop in mij leegloopt.

Ook het lyrisch ik in Dominique De Groens gedicht weet te ontsnappen aan overmatig liberaal individualisme. Maar wat daarvoor in de plaats komt, is niet beter. Integendeel. De Groen toon in haar poëzie wat er achter de ideologie van dit individualisme zit. Dat blijkt geen vrije natuur of eeuwigdurend universum te zijn, maar de soepele machinale aandriften van het kapitaal.

Ook in Nasleep staat dit probleem centraal. Het kapitalisme heeft het politieke potentieel van poëzie volledig uitgehold, lijkt Köseoğlu te suggereren, en daarmee ook het potentieel van gemeenschap. In het laatste gedicht uit de bundel, ‘Brief over gemeenschap’, een tekst die in september 2017 op de site van het literaire tijdschrift nY gepubliceerd werd en het midden houdt tussen een essay en een prozagedicht, schrijft Köseoğlu hoe hij naar de poëzie van de jong overleden Jeroen Mettes (1978-2006) greep om vat te krijgen op de relatie tussen poëzie en gemeenschap. Dat begrip van gemeenschap, nog met de postromantische belofte dat het lyrisch ik voorbij het individualisme zou kunnen geraken, komt veelvuldig voor in het werk van Mettes en trok Köseoğlu aan, net als een groot deel van zijn dichtende generatiegenoten.

Hij komt echter bedrogen uit, en ook met de andere dichters van zijn eigen generatie die over politiek, gemeenschap en poëzie willen spreken, vindt hij geen aansluiting:

Jullie houden er andere invullingen van gemeenschap op na dan wij: een sociale praktijk, een performance van intimiteit, een digitale ambiance. Om deze reden hebben we het contact met jullie moeten verbreken. We vragen ons af wat jullie nu aan het doen zijn. Wij zijn inmiddels veranderd in menselijk kapitaal. We hebben enkel bestaansrecht in verhouding tot onze toekomstige marktwaarde. Gemeenschap is vermoedelijk deels ook een nostalgische reactie op neoliberalisme geweest. Maar wij verlangen niet naar één groot, warm, sociaal lichaam.

Dit is wellicht Köseoğlu op zijn sterkst: een meerduidig ‘wij’ dat op een rustige, melancholische toon de utopische en vaak nog te romantische idee van een politieke gemeenschap ontmantelt en laat versplinteren.

Politiek van de geslotenheid

Nadrukkelijker dan andere dichters geeft Köseoğlu de politieke impasse een centrale plaats in zijn werk. Dat doet hij niet enkel door de thematiek van de mislukte revolutie steeds weer op te pikken en historisch concreet te maken (waarbij vooral de geschiedenis van Turkije sinds de jaren zeventig als intertekst dient) maar vooral ook door zijn eigen gevoel van machteloosheid op kwetsbare manieren te verwoorden en te onderzoeken.

Op allerlei manieren wordt de lezer geconfronteerd met het gevoel geen grip te krijgen op de situatie. Dat effect bereikt Köseoğlu door een haast onnavolgbaar intertekstueel netwerk aan te leggen, maar ook door in verschillende gedichten zeer methodisch van de ene naar de andere taal over te springen zonder dat er ooit één zin in één taal echt tot betekenis kan komen. Neem bijvoorbeeld de eerste regels van het gedicht ‘Poetics of küresel demistim sana plosiven ki’:

Experts in white middle-class waiver Eyüp sen de gel

Een stuk hiçbir zaman krediet silenced komaf wij

Median teferruat symbolisme ootmoedig door kafaya bak

Waarde so Republican zo vilein ve er gaat het nieuwe

Dit gaat enkele pagina’s door. Als lezer merk je wel dat er een logica aan de taalwisseling ten grondslag ligt, maar je wordt vooral geconfronteerd met de onmogelijkheid om dit tot een geheel te brengen. Terwijl de dichter zich rigoureus heen en weer beweegt tussen Nederlands, Turks en Engels groeit bij de lezer de frustratie over het eigen onvermogen om vat te krijgen op de situatie.

In andere gedichten wordt hetzelfde effect bereikt door de moeilijk te volgen historische en culturele referenties. Wie bijvoorbeeld niet thuis is in de ontstaansgeschiedenis van de Koerdische Arbeiderspartij PKK of de turbulente politieke geschiedenis van Turkije in de tweede helft van de jaren zeventig, zal niet uit de voeten kunnen met een behoorlijk aantal gedichten uit Nasleep.

Aan de andere kant, wellicht is juist dat de bedoeling. Want belangrijker dan het napluizen van alle referenties of het ontcijferen van de methode die Köseoğlu hanteert om van de ene naar de andere taal over te gaan in zijn gedichten, is de ervaring die hiermee wordt opgeroepen: als lezer voel ik me onthand, machteloos en buitengesloten. Het is die ervaring waar Köseoğlu zelf ook voortdurend tegenaan loopt in zijn poging om betekenis te geven aan de politieke situatie: de ervaring er niet bij te zijn wanneer een politieke gebeurtenis plaats vindt, de ervaring dat de werkelijke politieke situatie te complex is om in een gedicht te vatten, en tot slot de ervaring dat het politieke moment waarop verandering mogelijk was alweer voorbij is, dan wel nog lang op zich laat wachten.

Die ervaring dat het politieke moment ons ontglipt is, wordt door Köseoğlu het ‘postrevolutionaire moment’ genoemd. De karakterisering daarvan vat de teneur van zijn bundel goed samen:

Het postrevolutionaire moment:

1 apathische depressie

2 archeologische verkenning van de opstand die ondergronds, embryonaal pulseert

En daar voegt hij vervolgens een laatste regel aan toe die als een bijtende zelfkritiek gelezen kan worden, maar vooral ook wat minder letterlijk opgevat kan worden als een verwijt aan de vrijblijvende aard van politieke poëzie zoals hij die zelf schrijft:

Je zal mijn lichaam (niet) bij het protest zien – bij het protest zal je mijn dode lichaam (niet) zien.

Zo weet Köseoğlu een ingenieus spel te spelen met de lezer, waarbij hij een poëzie uitwerkt die niet zozeer de politiek representeert, dan wel de politieke impasse waar het lyrisch subject mee worstelt tot een krachtige leeservaring weet te verheffen.

Wat je je als lezer wel kan afvragen is: waarom volhardt Köseoğlu in Nasleep in die methodische, vaak uiterst hermetische benadering van poëzie om uitgerekend een diep doorleefd gevoel van politieke impasse over te brengen aan de lezer? Om de politieke mogelijkheid van poëzie eens goed op scherp te stellen, natuurlijk. Köseoğlu is consistent in het hanteren van zijn poëtica, die hem in staat stelt om een heel eigen soort poëzie te schrijven, eigener en weerbarstiger dan we tot nu toe hebben in de Nederlandse poëzie. Maar de momenten waarop de dichter zijn poëticale pantser even laat zakken en de lezer directer verhaalt over gevoelens van depressie en politieke melancholie zijn minstens zo sterk als de verbluffend meticuleuze wijze waarop de gedichten zijn opgebouwd.

 

In dit essay van Bram Ieven komen de volgende werken aan bod:

 

Çağlar Köseoğlu

Nasleep

het balanseer, Aalst, 2020, ISBN 9789079202744, 48 p.

 

Dominique De Groen

Shop Girl® (2018)

het balanseer, Gent, 2018, ISBN 9789079202478, 45p.

 

Geplaatst op 28/10/2021

Tags: Poëzie, Politiek

Categorie: Essays

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.