Literatuurkritiek, Recensies

Fluïde literaire identiteiten

DW B: Het literaire klimaat 2010-2019

Niet vaak komt er een boeknummer uit over wat centraal staat in de literatuur van de afgelopen periode. Het laatste themanummer verschenen in boekvorm bij De Bezige Bij over het literaire klimaat in de Lage Landen dateert uit 1993 en vormt een synthese van kritische bijdragen over de stand van de literatuur in de periode 1986-1992. Dat DW B deze traditie sinds de laatste publicatie in 1993 na meer dan een kwarteeuw voortzet, is een statement in een tijdperk waarin kunst en literatuur alsmaar meer in het gedrang lijken te komen en de kunstsector zich steeds meer moet verdedigen tegen cultuurpessimisten, utilitaristische ondernemers en besparingsmaatregelen. In de vier eerdere edities, die onder de titel ‘literair lustrum’ en later ‘het literair klimaat’ tussen 1961 en 1993 verschenen, ging het vooral om een panoramisch overzicht met een tekstgerichte bespreking per literair genre en auteursprofielen. In dit nieuwe nummer wordt er daarentegen op een essayistischere en cultuursociologischere manier – ietwat in het verlengde van De productie van literatuur: het Nederlandse literaire veld 1800-2000 (2006) gereflecteerd op de maatschappelijk-contextuele situatie van de Nederlandstalige literatuur. De focus ligt op de nieuwste verschijnselen en ontwikkelingen in de Nederlandstalige literatuurproductie van het laatste decennium. Van die evoluties pogen de auteurs in tien essays – één per jaar in het decennium 2010-2019 – een beeld te geven. Dit levert een aardig panopticum op van wat literatuur – weliswaar vooral vanuit een sociaal-relevant oogpunt en in Nederland – vandaag is geworden en van wat ze vermag.

 

Kunst ‘is economie’

 

Op de omslag van ‘Het literaire klimaat 2010-2019’ verschijnt niet toevallig een expressionistisch-iconoclastisch beeld met divergente lijnen, schaarse kleurtoetsen en zwart-witte figuren die veelal skeletten en schedels voorstellen. Dit werk kondigt de chaotische, veranderlijke en pessimistische alsook apocalyptische sfeer aan waarin het literaire klimaat van het laatste decennium zou baden. Kunst en literatuur zouden in deze periode vooral gestuurd worden door marktwerkingen en economische waarden. In de inleiding zeggen de auteurs dat de bundel zeker geen ‘klaagzang […] over veranderende waarden in het literaire klimaat’ wil zijn. Toch wordt aan het begin van het nummer een ietwat onheilspellende toon gezet. Docent en schrijver Hans van den Boef voorspelde in de laatste uitgave van ‘literair klimaat’ (1993) dat het ‘modale literaire tijdschrift aan het eind van de twintigste eeuw […] een anthologie [zal] zijn, meestal thematisch opgezet, die elk kwartaal uitkomt’ en ‘overheidssubsidie’ ontvangt, ‘al dan niet via de uitgeverij die het blad op de markt brengt’. Het idee dat literatuur gesubsidieerd wordt door de overheid lijkt, zo valt uit de inleiding van de nieuwe aflevering af te leiden, aan het begin van de eenentwintigste eeuw niet meer vanzelfsprekend te zijn. Daar gaat het eerste essay ook op in. Literatuurwetenschapper en essayist Laurens Ham legt in zijn bijdrage de nadruk op de kunstbezuinigingen die werden doorgevoerd door Nederlandse politici, de beperktere en daardoor ‘elitaire’ toegang tot cultuur via de klassieke kanalen, en via een metafoor – die van de vastgebonden vogel – de teloorgang van de onafhankelijkheid van de kunstenaar door subsidies.

 

Een vraag die in Hams essay wordt gesteld weerklinkt ook in andere essays: in hoeverre moeten auteurs zich conformeren aan de politiek, de publieke sector en het marktdenken? Ook uit Anne Sluijs’ bespreking over de internationale Buchmesse en het aandeel van Nederlandse en Vlaamse auteurs erin blijkt dat ‘zelfpromotie’ bij auteurs belangrijker is geworden dan in het vorige decennium toen Nederlandse uitgevers en boekverkopers nog automatischer zorgden voor het management van boekpromoties en -presentaties. Dit was bijvoorbeeld het geval voor Herman Koch. Zijn uitgever Ambo/Anthos gaf hem een flink zetje wat betreft de promotie en publiciteit van zijn boek Het Diner (2009). Ook zijn vertalingen van Nederlandse boeken direct afhankelijk van letterenfondsen en uitgevers. Dichters zijn in het laatste decennium volgens letterkundige en criticus Jeroen Dera ook meer en meer ‘culturele ondernemers’ geworden. In de huidige tijdgeest hebben schrijvers volgens Dera twee opties: ze kunnen tegendraads en kritisch zijn tegenover het kapitalistische systeem waar ze zelf deel van uitmaken, zoals Hannah van Binsbergen, of ze kunnen de spelregels van de markt juist gebruiken en er zich naar schikken om te kunnen leven van hun poëzie, zoals Ellen Deckwitz doet. Met de laatste zin uit zijn essay – ‘poëzie is economie’ – lijkt Dera te suggereren dat het meest leefbare vandaag de dag de tweede optie is.

 

Nieuwe mediatisering

 

Dit boeknummer draait echter niet alleen om macht- en marktstructuren met betrekking tot literatuur. Er worden verschillende licht- en kleurtoetsen in het aanvankelijk geschetste ‘doemscenario’ aangebracht. De alarmerende toon van de inleiding spoort de lezer niettemin aan om een urgente houding aan te nemen in het maatschappelijke debat over cultuur en om nieuwe en alternatieve vormen van toereikendheid en allesomvattendheid van kunst en literatuur te gaan beschouwen. De gebruikte illustraties op de omslag en in de bundel zelf lijken ook op abstracte (vinger)afdrukken. Deze verwijzen naar hoe literatuur sporen kan nalaten en ook naar hoe literatuur wordt gebruikt. De vraag die het nummer dan ook opwerpt en die gedeeltelijk wordt beantwoord, is hoe literatuur zal blijven (‘overleven’) en hoe ze gemediatiseerd zal worden en dus sporen zal nalaten in de toekomst. In haar bijdrage heeft Kila van der Starre het over nieuwe mediale vormen om poëzie over te brengen. Terwijl poëzie volgens sommigen niet meer gelezen wordt en zo goed als dood is, zou Instagram volgens de literatuurwetenschapper ‘een hoofdrol spelen in de ontwikkeling van poëzie aan het begin van de 21ste eeuw.’ Via sociale media neemt aan de ene kant de diffuse en ‘vluchtige’ beleving van poëzie toe. Aan de andere kant zorgen deze nieuwe mediastrategie en -logica voor een heropleving van poëzie. Van der Starre kaart een niet onbelangrijk onderscheid aan tussen economisch en symbolisch kapitaal. Dat beide door het Instagram-medium met elkaar verweven zijn, wordt beeldend weergegeven in de manier waarop Insta-dichters het medium gebruiken. Enerzijds staat het platform in het teken van vernieuwing, grotere zichtbaarheid, toegankelijkheid en economie, anderzijds is er ook de typemachine die verwijst naar een vaste vorm, authenticiteit, traditie en nostalgie.

 

Die terugblik op het verleden wordt in dit boeknummer overigens niet voldoende in de verf gezet. Dat de literaire traditie een belangrijke rol speelt in de nieuwe literaire tendensen, wordt in een aantal essays gesuggereerd, maar niet verder verkend. In zijn bijdrage bespreekt letterkundige Sven Vitse het uitgeversfenomeen Das Mag. Hoewel Das Mag zich in het algemeen profileert als een nieuwe uitgeverij die naar de ‘hedendaagse heteronome norm’ in de kunst streeft en dus naar meer engagement met de wereld buiten de tekst, is ze ‘niet structureel afhankelijk van subsidie.’ In dat opzicht huldigt Das Mag tegelijkertijd nog de vroegere autonome norm van kunst. Ook neerlandicus Sander Bax laat dit in zijn bijdrage aan de hand van Griet Op de Beecks succesdebuut zien. Het literaire werk van een auteur die publiek succes oogst door engagement en bedrijvigheid in de massamedia is nog steeds onderhevig aan ‘frames die teruggaan op het systeem van literaire autonomie dat een groot deel van de 20ste eeuw domineerde’.  Dat de meer traditionele autonomie van kunst nog steeds een aandeel heeft in de manier waarop literatuur wordt beschouwd, wordt nog het duidelijkst in hoogleraar Geert Buelens’ essay over Jef Geeraerts’ roman Gangreen (1968). Vanuit de recentere heteronome kunstbeschouwing is Geeraerts’ literatuur onder vuur komen te liggen vanwege racistische uitspraken. Zijn Congo-cyclus wordt anno 2015 door de vermeende baanbrekende ‘taalstroom’ en intrinsieke literaire kwaliteiten van zijn hele werk echter ‘onverbloemd’ tot de Vlaamse canon gerekend.

 

Veranderlijk activisme  

 

Vanuit de hedendaagse gerichtheid op heteronomie in de kunst via nieuwe marketingnormen en mediatiseringsvormen legt dit DW B-nummer ook de nadruk op ‘verschuivingen in het activisme’.  Dat veranderende activisme valt hier vooral samen met een literaire productie waarin postkoloniale bewustwording of genderkritische kwesties worden aangekaart en behandeld, zo lezen we in de inleiding. In tijden van veranderende normen en waarden geldt dat ook voor fictieve identiteiten in de literatuur. Indien vrijheidsdrang vroeger vooral voor mannelijke protagonisten was weggelegd, laat docent en onderzoeker Saskia Pieterse aan de hand van de recente romans van Nina Polak, Niña Weijers en Franca Treur goed zien dat dit nu evenzeer geldt voor vrouwelijke protagonisten. De toegang tot ‘existentiële vrijheid die in fictie al zolang voor mannen de norm was’, wordt in de romans van deze vrouwelijke auteurs verbeeld aan de hand van vrouwelijke personages en staat in rechtstreeks verband met de thematiek van het moederschap. Zo relativeert Pieterse in haar essay de problematiek van het feminisme in de door haar besproken werken. Ze stelt vast dat er bij deze vrouwelijke auteurs afstand wordt genomen van de feministische ideologie als interessant kader ‘om over vrijheid na te denken’. Voor de vrouwelijke personages uit deze romans blijkt feminisme an sich geen oplossing te bieden. Pieterse breekt in dat opzicht deze vorm van activisme open om het bredere maatschappelijke thema aan te kaarten van het vrijheidsideaal in de literatuur.

 

Ook letterkundigen Yra van Dijk en Esther Op de Beek gaan in hun gezamenlijke bijdrage in op die veranderlijkheid van identiteiten in fictie. De auteurs hebben als opzet te onderzoeken hoe ‘in deze vloeibare tijden door schrijvers tussen 25-35 jaar oud en allen wonend in de Randstad wordt gezocht naar nieuwe vormen van verantwoordelijkheid en betrokkenheid’. Deze schrijversgroep gaat aldus de auteurs in hun teksten ‘op zoek […] naar vormen van houvast, klontering, verankering, in een wereld waarin identiteiten, relaties, instituties, vormen, genres, vloeibaar geworden zijn’. Naast de sleutelterm ‘afstand’ die de bijdragers onderstrepen en nodig blijkt om zichzelf (terug) te vinden, staat hun fictie in rechtstreeks verband met ‘radicaal relationisme’, ‘digital connectivity’, permanente connectivity, ‘extended now’ en ‘verbondenheid met het verleden’. Zo leggen de auteurs een interessante paradox bloot: ‘Juist het nemen van afstand maakt [bij deze schrijvers] nabijheid mogelijk tot lijden en geluk van anderen en betrokkenheid bij vraagstukken die zonder afstand niet te overzien zijn’. Fictie kan via het experimenteren met genres, (vertel)perspectief en personages die nodige afstand creëren, zo luidt het, maar dus ook nabijheid en affectiviteit ten opzichte van de ander en de wereld. In dit essay wordt dan ook een lans gebroken voor nieuwe verschuivingen in activisme die niet alleen verband houden met gender- en postkoloniale kwesties, maar ook met ecokritiek en vormen van nomadisme. Dergelijke beschouwingen zouden de weg kunnen banen voor meer aandacht voor nog andere fluïde literaire identiteiten die volgens mij tot nu toe nog te vaak onbelicht zijn gebleven in de Nederlandse literatuurstudie. In dit nummer blijven ze vanuit het perspectief van niet-menselijke wezens en ook objecten echter grotendeels onbesproken. Dat is jammer in een periode waar men zich alsmaar meer bewust wordt van de ecologische problematiek – te meer omdat transitie naar duurzaamheid in de geesten begint. De literatuur en de kunsten, als verbeeldingsruimte, kunnen hierin een rol spelen.

 

Een doorlopend verhaal

 

Ten slotte blikt het eindessay van de bundel vooruit op ‘de toekomst in de vorm van een verhaal’. De Nederlandse schrijver en columnist Fiep van Bodegom stelt in haar uitleiding dat fictie en in het bijzonder verhalen consistente wereldbeelden over vandaag en morgen kunnen weergeven. Ze duidt in dat verband op het verschil tussen verhaal en fantasie. Een verhaal wordt gekenmerkt door consistentie en dat is volgens de auteur nodig om vorm te geven aan groepsidentiteit. Fantasie daarentegen zou door zogenaamde ‘narratieve inconsistentie’ gevaarlijk kunnen zijn doordat ze ‘subliminale boodschappen’ en verheerlijkingen van populistische discoursen in het leven kan roepen. Anders bekeken dan vanuit het politiek-populistische kader kan fictie echter, hoe fantastisch of absurdistisch ook, in mindere of grotere mate consistentie vertonen ten opzichte van de eigen wereld die ze in het leven roept, met haar eigen deontologische codes. Met andere woorden, fantasierijke verhalen die op het eerste gezicht inconsistent lijken ten aanzien van een klassiek verhaal en/of een realistisch-conventionele werkelijkheidsverbeelding zijn dat niet per se in de fictieve wereld, volgens de daar vigerende regels. Daar wordt namelijk een eigen logica opgeroepen die heel consistent kan zijn en die juist door die alternatieve ‘causaliteit’ ook de eigen kijk en normatieve perspectieven op de wereld kan uitdagen en veranderen. Zo kunnen verhalen én fantasie daar waar in de ‘gewone wereld’ geen kern meer lijkt te zijn, juist een nieuwe kern creëren. Deze kern kan in tijden van fragmentatie, veranderlijkheid en onzekerheid net als essentiële houvast dienen en tegelijkertijd ‘geslaagde’ literatuur opleveren.

 

In dit boeknummer over het literaire klimaat 2010-2019 komen enkele tegenstellingen in verband met literatuur telkens terug: autonoom-heteronoom; economisch-symbolisch; nationaal-internationaal; verhalend-fantastisch. Deze paren worden in de verschillende bijdragen echter niet altijd evenzeer genuanceerd; de ene term sluit de andere immers niet noodzakelijk uit. Dit zagen we bijvoorbeeld met het uitgeverijfenomeen Das Mag in de bijdrage van Sven Svitse en met de nieuwe hype van Insta-poëzie in het essay van Kila van der Starre. De auteurs focussen in de eerste plaats op breuklijnen met vroegere tendensen zoals autonomie en vaste mediale vormen in de kunst. We kunnen evenwel vaststellen dat er meer continuïteit met het verleden bestaat dan dit nummer op het eerste gezicht doet vermoeden. Zo is er toch hoop op nog meer literatuur en verbeelding in diverse gedaanten in de toekomst. Hopelijk kunnen in dit alweer veranderlijke klimaat van het literaire landschap eindelijk eens vogels zowel een nest bouwen voor hun gebroed als vrijuit opvliegen.

Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2019

Geplaatst op 02/04/2020

Tags: Barbara Fraipont, DW B, Ellen Deckwitz, Esther Op de Beek, Hans van den Boef, Insta-poëzie, Jeroen Dera, Kila van der Starre, Literaire tijdschriften, Literatuurwetenschap, Sander Bax, Saskia Pieterse

Categorie: Literatuurkritiek, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.