Poëzie, Recensies

Mild radicalisme

In mijn mand

Lieke Marsman

Terwijl SARS-CoV-2 zich verspreidde en snel daarna de eerste lockdown begon, werd er volop gespeculeerd over een achterliggende betekenis, een hogere reden die een toen nog prille pandemie van betekenis moest voorzien. Uiteindelijk waren het niets minder dan pogingen om de werkelijkheid van een vals gevoel van betekenis te voorzien. Zelf dacht ik vooral één ding: dit zou het begin zijn van een bewustzijn, een begrip, op welke manier dan ook een omwenteling in de manier waarop er over ziekte en zieken wordt gedacht en gesproken.

De werkelijkheid, natuurlijk, liep anders. Enerzijds kwam er hernieuwde aandacht voor (chronische) ziekte en voor de taal waarmee we over ziekte en de zieken spreken, met belangrijke kritieken op de gevaarlijke mensenleven-calculaties en het gebruik van ontmenselijkende metaforen, zoals de felle weerstand tegen de uitspraken van Marianne Zwagerman, die in haar column ‘Doodgewoon’ op BNR oudere slachtoffers van het coronavirus omschreef als ‘dor hout’. Een ware opleving van empathie leek het, met een nieuwgevonden begrip voor wat het betekent om langdurig geïsoleerd te zijn.

Tegelijkertijd zagen we een groeiende ontkenning van de realiteit van de ziekte, waarbij keer op keer werd geroepen dat het om niets anders ging dan een simpel griepvirus, of dat het virus überhaupt niet bestond. Inmiddels lijkt ook het nieuwgevonden bewustzijn alweer te verdwijnen; veel mensen willen het liefst zo snel en zo volledig mogelijk afstand nemen van die periode – een periode waarin we ons in werkelijkheid nog steeds bevinden – die zo moeilijk is voor velen. Dat neemt echter niet weg dat het deel van de samenleving dat kiest voor een ‘wegtrek’, hun evacuatie uit ‘het rijk der zieken’, de zieken zelf niet mee willen nemen omdat dat hun eigen vertrek zou vertragen. Zij zijn ‘klaar’ met de ziekte en de zieken. Hun aandacht verschuift wederom naar een leven dat blind is voor wat ziekte voor velen werkelijk is: chronisch.

 

In mijn mand

Chronische ziekte en poëzie gaan hand in hand. In On Being Ill schrijft Virginia Woolf dat in de literatuur ziekte zelden voorkomt als literair onderwerp, en hoe vreemd dat eigenlijk is, omdat ieder mens weet hoe ingrijpend ziekte kan zijn. Ze schrijft over de isolatie en eenzaamheid die met ziekte gepaard gaan en de manier waarop ziekte ons terugbrengt naar een basale staat, ons op een bepaalde manier weer kind maakt, maar bemerkt bovenal ook de armoede van de taal waarmee over ziekte geschreven wordt en hoe hierin voor poëzie een rol is weggelegd:

We wenden ons dus tot de dichters. Als we ziek zijn hebben we geen zin in de lange veldtocht die proza vergt. Het bevel voeren over al onze vermogens en ons verstand, onze oordeelsvorming en ons geheugen in de houding laten staan, terwijl hoofdstuk na hoofdstuk voorbij trekt, en dat we dan als we net ergens zijn neergestreken weer de wacht moeten houden voor het volgende, totdat het volledige bouwwerk – bogen, torens en kantelen – stevig op zijn grondvesten staat.

De laatste jaren wordt er in toenemende mate over ziekte geschreven, en niet alleen in de poëzie. Zo verschenen alleen al bij Uitgeverij Pluim Welkom in het rijk der zieken (2019) van Hannah Bervoets, Kleinzeer (2019) van Nadia de Vries en Lieke Marsmans De volgende scan duurt vijf minuten (2018). En nu is daar In mijn mand, de culminatie van een evenzeer persoonlijk als betrokken schrijverschap, waarin niets minder wordt beschreven dan een schermutseling met de dood.

 

Kapitalistische Kaping

In mijn mand begint met de reeks ‘universele esthetiek’, waarin Marsman de fundering legt van een bundel waarin de verhouding tussen het ik en de samenleving continu bevraagd wordt, en waarin voor vanzelfsprekendheid geen plek meer is.

 

Steeds vaker schrik ik in de tram van mijn wekker
die afgaat op iemand anders’ mobieltje,
terwijl mijn eigenzinnigheid met me meereist
in mijn linnen tasje, massaproduct voor een eenling.

Wat is universele esthetiek méér
dan de meest succesvolle marketingcampagne?

De samenleving een lange, eensgezinde
polonaise die enkel tot halt komt
in de plaatselijke winkelstraat
omdat men daar te veel slentert.

Marsman heeft zich de afgelopen jaren gepositioneerd als iemand die de werkelijkheid niet kan of wil ontzien. Het is dan ook niet verbazend dat ze deze bundel zo nadrukkelijk kritisch opent en zich afzet tegen een kaping van de esthetiek door een laatkapitalistische maatschappij. De kritische gedichten die ze schreef sinds haar benoeming tot Dichter des Vaderlands worden haar niet altijd in dank afgenomen. In reactie op die kritieken schrijft ze op haar website:

Maar moet een dichter, een ‘dichter des vaderlands’ in het bijzonder, niet proberen om poëzie te schrijven die op universele goedkeuring kan rekenen? […] Maar is het wel wenselijk dat een dichter des vaderlands zich zo hard afzet tegen de zittende macht? Mag ze, om maar eens een recent praktijkvoorbeeld te noemen, een minister die keer op keer de verkeerde keuzes maakt een ‘lachend bord pap’ noemen? […] De reacties als poëzie een keer niet aan de verwachtingen voldoet wijzen er op hoezeer de bestuurlijke laag van Nederland de afgelopen decennia veel maar dan ook veel te weinig tegengas heeft gekregen. Al bij het eerste kleine beetje protest moeten de mevrouwtjes de dichteressen een toontje lager zingen: hier hebben we ze niet voor betaald!

Voor Marsman liggen het persoonlijke en het politieke nadrukkelijk in elkaars verlengde. Echter is er meer dan alleen boosheid en verontwaardiging. Want hoewel de kapitalistische ‘corruptie’ ons aanvankelijk het gedicht doorvoert, komen we al snel in aanraking met het sublieme: ‘Dat magische mooie / dat steeds tussen je vingers vandaan glipt’. Daarmee begint een krachtig contrast tussen de harde, vaak falende werkelijkheid en de (ontbrekende) momenten van sublimiteit die het leven draaglijk zouden moeten maken.

 

Wat als het ongrijpbaar is omdat het niet bestaat?

Wat als er tussen de regels door

alleen een peilloze leegte ligt, een stilte

waar ik probeerde een gedachte te formuleren

die dadelijk wordt volgeplempt

met hermeneutische tekstverklaring?

 

Alvorens ze klaar is met spreken, rekent ze af met haar critici en anticipeert ze, zowel humoristisch als serieus, de verschillende lezingen die invulling zullen hopen te geven aan haar gedichten en betekenis proberen te vinden waar die niet is. ‘Ik herken mij niet in de methodes van de cultuuranalyse / noch in de uiteenzettingen van critici / die mijn gedichten doorplozen als boedelbeschrijving.’ Haar problematische verhouding tot deze critici, die, zo schrijft ze, maar al te gretig bekentenissen en betekenissen in haar werk zoeken, of die haar gebieden überhaupt maar te stoppen met schrijven, lijkt vooral uit te monden in een stellingname met betrekking tot de poëzie: er staat wat er staat.

De restanten van die stellingname zien we in de bundel overal terug: een directe taal die een onvermijdelijke werkelijkheid beschrijft, waarin weinig verbloemd gaat en wat bedoeld wordt allerminst op de achtergrond blijft. Ergens lees ik daarin het spook van Susan Sontag, die Marsman later in de bundel kort noemt, die in het bekende essay Illness as Metaphor schreef dat ‘de meest waarachtige opvatting van ziekte – en tevens de meest gezonde manier van ziek zijn – een beschouwingswijze is die zoveel mogelijk gezuiverd is van metaforisch denken, en daarmee hiertegen ook de meeste weerstand biedt.’

De werkelijkheid vatten

De rest van deze eerste reeks staat een stuk dichter op haar schermutseling met de dood, met zinnen die de werkelijkheid proberen te vatten: ‘Er is geen toekomst, alleen een lang / en stroperig hier en ik zijn.’ Deze constaterende zinnen werken niet altijd even goed. Soms zijn de inzichten te algemeen om een indruk te maken: ‘Dankzij de dood verliezen we onze onschuld, / wat niet betekent dat we schuldig worden. / Het betekent dat het leven niet langer alleen maar ‘leuk’ is.’ Vooral zijn ze kenmerkend voor iemand die ‘Dit nieuwe leven’, zoals het eerste deel luidt, kloppend probeert te maken.

Als we ons laten meevoeren in haar relaas, zien we dat een gecompliceerd proces van genade en acceptatie tot stand komt, langs een poging tot zalving in de natuur, krachtig gevolgd wordt door een simpel en effectief: ‘fuck fuck fuck / ik wil niet dood’. Marsman maakt een beweging tussen wat het leven dragelijk maakt en wat er nog misgaat, want, zoals ze schrijft, er is immers nog zoveel om je tegen te verzetten. Soms ‘kan een gemiste afslag zomaar tot genade leiden. / Eén overwoekerde wegwijzer / en je staat oog in oog met het sublieme—’

 

Tweestrijd

Na de eerste reeks wordt het lyrisch ik geconfronteerd met een kankerdiagnose, ‘In het derde huisje van links / heeft een vrouw al dagen doodsangstdiarree…De bundel ontvouwt zich aan de hand van een tweestrijd tussen leven en dood. Zo ook in het gedicht ‘De Onttovering van de Wereld.’ Waar het lyrisch ik ooit een miniatuur van Katrien Duck tot haar meest kostbare bezit rekende, raakt ze nu verstrikt in wachtwoorden en patiëntnummers.

Een soortgelijke splitsing tussen toen en nu zien we in ‘koningen, kuikens’, waar de oude onschuld plaatsmaakt voor zelfrealisatie – ‘tien jaar lang speelde ik voor extravert’ – en het verlies van vrienden. Dit gedicht eindigt met een mooi klankspel, waarin de verschillende werkelijkheden naadloos en krachtig in elkaar overvloeien:

 

de eerste die dit fladderend vallen verstond

en over dit fladderend vallen zelf

hoe je in vrije val je dagelijkse bezigheden

bezigt. je valt, maar je verstuurt de acceptgiro

en je valt, maar de conservenblikken

in de trapkast vormen torens. je valt

zoveel is zeker, je fladdert, maar amper

 

In mijn mand is een broedplaats voor dichotomieën die zich kristalliseren in talloze contrasten. Tussen het kind dat ze was en de persoon die ze nu is, tussen de extravert die ze speelde en de introvert die ze in wezen is – ‘koningen, kuikens’ – , tussen mannen met biertjes en de mensen die door hen uit het paradijs worden gezet, tussen stad en natuur. Licht en donker, stof en schillen, lichamen en kadavers. Marsman zoekt betekenis in lagen van contrast. Haar bundel loopt over van overkanten en vertes, canyons en oevers, uitzichtloze leegtes en onwerkelijke volheden. De poëzie is hierdoor constant in beweging – beschouwd en samengebracht vanuit het ankerpunt van de ziekte – maar krijgt ook iets formulaïsch. Enkele gedichten springen eruit, zoals ‘oneindigheid van tijd en ruimte’, het laatste gedicht van het eerste deel van de bundel.

 

Oneindigheid van tijd en ruimte

 

Dit is allemaal uit één stip gesprongen,

Deze zich langzaam uitrollende atoomwolk

die zijn ploegmessen stukslaat

op de zwerfkeien van de afstand

 

die op elke afstand volgt. Waar je ook kijkt

tentakels van fractalen, het is haringrolletjes

all the way down.

 

Gelukkig is verdwijnen onmogelijk

zolang het niets geen grenzen kent:

in wat alles omvat geen plek voor residu.

 

Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu.

Hoe lang de dag ook leek, het was een snipper.

Hoe kort de dag ook lijkt, er is nog tijd.

 

Hier wordt de prozaïsche toon van de bundel opengebroken. We worden onderdeel van een weidse oneindigheid, waarin die bedrieglijk zacht klinkende uitdijende atoomwolk ons meevoert, om vervolgens zijn ploegmessen stuk te slaan op die zwerfkeien. Allerlei krachten worden hier op ons uitgeoefend, terwijl de oneindigheid blijft uitdijen – de uitstrekkende tentakels van fractalen – om vervolgens te worden opgevangen door dat ogenschijnlijk geruststellende ‘gelukkig is verdwijnen onmogelijk’, waarna die sterke laatste strofe al dat uitdijende haast terug in die ene stip weet terug te brengen.

De twee gedichten, beide getiteld ‘bij het vorige gedicht’, vervullen een soortgelijke, opbrekende functie. Deze korte addenda genieten van een vrijheid en poëtische eigenzinnigheid die bij hun ‘moedergedichten’ nog wel eens ontbreekt en weten een fijne balans aan te brengen. Zo ook het korte addendum bij het gedicht ‘zomeravond’:

 

de hitte omhult ons als een sarcofaag
de dagen volgen elkaar op in karavaan
de zomer haalt de elastieken van wie haast heeft aan
als een te strakke kraag

 

Op de momenten dat de taal minder expliciet wordt, is Marsman op haar sterkst en wint de bundel aan gelaagdheid. Hoewel Marsman een sterk kritische kant laat zien, of misschien juist daarom, blijven we soms aan de oppervlakte. Met name in het tweede deel, ‘lichamen / kadavers’, dat een aantal gedichten bevat die geschreven zijn in opdracht, ontbreekt de link met het eerste deel. Marsman lijkt zich hier zo nadrukkelijk bezig te houden met de externe lezer dat de eerdere intimiteit deels verloren gaat. De gedichten lijken voortgekomen uit aangewakkerde woede en mildheid, die in vergelijking met de andere delen, ongeacht hun inhoudelijke urgentie, nadrukkelijk eenduidig zijn.

Het laatste deel, ‘barmhartig vennetje’, staat in sterk contrast met wat eraan voorafgaat. Hier wordt in intieme gedichten afgetast naar sublimiteit. In ‘water aan de kade’ blikken we terug en lijken we zo’n moment te vinden: ‘weet je nog, jaren geleden, wij aan die kade / / niet een vrouw alleen aan het water / maar een hele vriendengroep in de zon / te koud om te zwemmen, dus we zwommen?’ In ‘het waaien voor de bui’ komen we de volgende zin tegen: ‘Elk knaagdier is voor mij de eerste keer zo’n dier / nooit eerder gezien, want ik lette niet op,’ die oplettendheid is belangrijk, want dat is precies wat Marsman doet in deze bundel: met grote aandachtigheid kijken naar wat eerder ongezien bleef, zowel in de binnenwereld als in de buitenwereld.

In mijn mand

‘In mijn mand’ is met nadruk het beste gedicht uit de bundel, met een grote verscheidenheid aan verwijzingen, herinneringen en overpeinzingen, is het vloeiend en fel met een prachtig invoelbaar einde.

 

Is het mijn sterfdag?

De lucht is stil, als lucht

op een kalender

Is het mijn sterfdag?

Vergeet klokken te luiden
De lucht is stil, als lucht
Is het mijn sterfdag?
Vergeet engelen en psalmen

Ik wil het vanille van een oud boek

Ik wil een koud flesje bier
en ik wil jou, nog één keer

Vergeet vogels die zingen

Ik wil mijn hond horen drinken

 

Inmiddels lijkt de wereld weer open te gaan, maar wat kunnen wij van de literatuur verwachten? Wacht ons een influx aan literatuur over (chronische) ziekte, of zullen we spoedig moeten signaleren dat ziekte weer gedelegeerd is naar zijn oude positie, waar men haar liever niet hoort en niet ziet? Laten we hopen dat er op zijn minst een opening is gemaakt, mede dankzij de schrijvers die de afgelopen jaren over ziekte hebben geschreven, waardoor ziekte in haar vele vormen zichtbaar en bespreekbaar kan blijven.

 

Recensie: In mijn mand van Lieke Marsman door Jared Meijer

Pluim, Amsterdam, 2021

Geplaatst op 24/11/2021

Tags: COVID 19, In mijn mand, Ziek

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.